Strafrecht overig
Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, art. 11a Opiumwet…
ECLI:NL:HR:2026:1535 · Hoge Raad · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1535
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 23 september 2026
- Zaaknummer
- 24/01442
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1535
Samenvatting
Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt, art. 11a Opiumwet. Vrijspraak in eerste aanleg na bewijsuitsluiting vanwege onrechtmatige bestuurlijke controle bij tuinbedrijf. Bewijsklacht. Verweer dat ertoe strekt dat bewijsuitsluiting moet plaatsvinden, omdat politie onrechtmatig is binnengetreden doordat misbruik is gemaakt van bestuursrechtelijke bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden, art. 359a Sv.
HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft in afwijking van standpunt van verdediging overwogen waarom het o.b.v. dossier van oordeel is dat niet vaststaat dat tijdens of na (eerste) controle (op 14-11-2018) reeds sprake was van redelijk vermoeden van schuld. Volgens hof omvat “p-v” te weinig informatie over deze controle en zijn de in p-v genoemde aangetroffen goederen niet zodanig dat op grond daarvan reeds evident sprake is van overtreding van art. 11a Opiumwet. Deze oordelen worden in cassatie niet betwist en dat geldt ook voor ‘s hofs oordeel dat het voorafgaand aan eerste controle op 9-11-2018 (door politie) noteren van kentekens van voertuigen die bij bedrijfspand te zien waren evenmin als opsporingshandeling kan worden aangemerkt. Verder overweegt hof dat “ook overigens” niet “uit procesdossier” blijkt dat er door politie handelingen zijn verricht die wijzen op verrichten van strafrechtelijk onderzoek op of na 14-11-2018. In dit oordeel ligt in voldoende mate besloten waarom beroep van raadsman op desbetreffende dossierpagina uit het door verbalisant opgemaakte p-v van bevindingen niet opgaat. Enkele omstandigheid dat uit informatie daarin blijkt dat doel van bestuursrechtelijke controle op 14-11-2018 was om aan te tonen dat tuinbedrijf een growshop is waar bewust materialen t.b.v. illegale hennepteelt worden verkocht, maakt ’s hofs oordeel dat niet vaststaat dat tijdens of na controle (op 14-11-2018) reeds sprake was van redelijk vermoeden van schuld aan art. 11a Opiumwet, niet onbegrijpelijk. Informatie maakt immers niet concreet duidelijk op grond waarvan men ertoe wilde overgaan om aan te tonen dat tuinbedrijf zodanige growshop is. Zelfs blijkt uit die informatie niet of reden voor controle is gevonden in f&o die verdenking kunnen gronden dan wel hooguit in weinig concrete aanwijzingen. Daarnaast kan uit woorden dat “is getracht” om aan te tonen dat het om growshop ging, worden afgeleid dat dit aantonen toen niet is gelukt. Hof heeft dit kennelijk zo begrepen, en ook kunnen begrijpen, dat er ook bij of na controle nog onvoldoende was om redelijk vermoeden op te baseren.
Volgt verwerping. Samenhang met 24/01441 en 24/01443.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 2 april 2024
ECLI:NL:GHARL:2024:2215Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 30 juni 2026
ECLI:NL:PHR:2026:606Hoge Raad · 29 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1535
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01442
Datum 29 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, nummer 21-005270-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Zevenboom bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel komt op tegen de verwerping door het hof van een verweer dat ertoe strekt dat bewijsuitsluiting moet plaatsvinden, omdat de politie onrechtmatig is binnengetreden doordat misbruik is gemaakt van bestuursrechtelijke bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.10.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en de opgelegde taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2026.