Strafrecht overig

Gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr), medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr) en…

Hoge Raad, 6 januari 2026

Zaakgegevens

Op 6 januari 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 januari 2026
Datum publicatie
5 januari 2026
Zaaknummer
24/04497
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:21
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr), medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282.1 Sr) en medeplegen wegmaken van lijk (art. 151 Sr) door in 2019 in België een ander te martelen en hem vastgebonden in laadruimte van zijn eigen bestelbus rond te rijden teneinde hem te laten zeggen waar hij zijn geld heeft verstopt, als gevolg waarvan die ander komt te overlijden, en vervolgens zijn lichaam in stukken te zagen, zijn lichaamsdelen in olievat te verbranden, overgebleven restanten in speciekuip met cement te storten en die kuip in water te dumpen. TBS met dwangverpleging opgelegd.

HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG. Samenhang met 24/04501 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/04497

Datum 6 januari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 december 2024, nummer 20-002191-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Bektesevic een schriftuur ingediend.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026.