Strafrecht overig

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto onder ander dan klager t.z.v. verdenking van rijden zonder rijbewijs…

Hoge Raad, 10 maart 2026

Zaakgegevens

Op 10 maart 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 maart 2026
Datum publicatie
6 maart 2026
Zaaknummer
25/02620
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:375
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op auto onder ander dan klager t.z.v. verdenking van rijden zonder rijbewijs, waarna auto in strafzaak tegen ander bij onherroepelijk vonnis verbeurd is verklaard. Bevoegdheid Rb. Is Rb bevoegd tot behandeling van klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv, nu auto bij onherroepelijk vonnis van andere Rb verbeurd is verklaard?

HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Als gerecht dat bevoegd is tot afdoening van klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv constateert dat sinds indiening daarvan betreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing ten laste van ander zijn verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer, moet dit klaagschrift worden opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv. Indien dat gerecht, gelet op art. 552b.2 Sv, niet bevoegd is tot behandeling van zo opgevat klaagschrift dient het te bepalen dat griffier de stukken zal zenden naar het tot die behandeling wel bevoegde gerecht. In aanmerking genomen dat sinds indiening van klaagschrift de desbetreffende personenauto bij onherroepelijke beslissing is verbeurdverklaard, heeft Rb het klaagschrift aldus ten onrechte niet opgevat als klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv.

HR bepaalt dat stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar (andere) Rb.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 3 februari 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:140
  2. Hoge Raad · 10 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:375

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/02620 B

Datum 10 maart 2026

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2025, nummer 25/004672, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft de advocaat R. Moghni bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot bepaling dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar de rechtbank Den Haag.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel strekt ertoe dat de rechtbank het klaagschrift ten onrechte niet heeft opgevat als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank;

- bepaalt dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar de rechtbank Den Haag.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.