Strafrecht overig
Wegmaken van camera van ex-partner, art. 350.1 Sr. Bewijsklacht wegmaken. Kan uit bewijsvoering volgen dat…
Hoge Raad, 24 maart 2026
ECLI:NL:HR:2026:382 · Hoge Raad · 24 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-382
Zaakgegevens
Op 24 maart 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 maart 2026
- Datum publicatie
- 10 maart 2026
- Zaaknummer
- 24/03817
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:382
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wegmaken van camera van ex-partner, art. 350.1 Sr. Bewijsklacht wegmaken. Kan uit bewijsvoering volgen dat verdachte de camera van aangeefster heeft “weggemaakt”?
HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft vastgesteld dat camera van aangeefster werkte op moment dat verdachte de tuin van haar woning betrad en camera kort hierna van zijn plaats is getrokken. Hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is die verantwoordelijk is voor “wegmaken” van camera. In voor bewijs gebruikt p-v van bevindingen wordt gerelateerd dat melding van aangeefster is gedaan i.v.m. aanwezigheid van verdachte in tuin van aangeefster en vernieling van haar camera. Uit bewijsvoering blijkt niet dat verdachte de camera van zijn plaats heeft getrokken en daarmee heeft “weggemaakt”.
Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 januari 2026
ECLI:NL:PHR:2026:57Hoge Raad · 24 maart 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:382
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03817
Datum 24 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 oktober 2024, nummer 20-003417-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’sHertogenbosch opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over (de motivering van) de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde wegmaken van een camera.
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.4 en 2.11 tot en met 2.13.
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.