Strafrecht overig
Aanwezig hebben van XTC-pillen (art. 2.C Opiumwet) en verkoop en aankoop van XTC-pillen, meermalen gepleegd…
ECLI:NL:HR:2026:40 · Hoge Raad · 13 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-40
Zaakgegevens
Op 13 januari 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 januari 2026
- Datum publicatie
- 12 januari 2026
- Zaaknummer
- 23/04403
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:40
Samenvatting
Aanwezig hebben van XTC-pillen (art. 2.C Opiumwet) en verkoop en aankoop van XTC-pillen, meermalen gepleegd (art. 2.B Opiumwet). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht betrouwbaarheid verklaringen van getuige. 2. Bewijsklacht alternatief scenario. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat prijzen waarover in ontsleutelde chatberichten wordt gesproken maken dat geen sprake kan zijn van “echte” XTC-pillen, art. 359.2 Sv.
HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. en 2. Pleitnotities bevatten geen uos dat ertoe strekt enige verklaring van getuige van bewijs uit te sluiten. Hof heeft hetgeen door verdediging is aangevoerd kennelijk en bepaald niet onbegrijpelijk opgevat als tot vrijspraak strekkend verweer, waarbij alternatief scenario is ingeroepen en waarbij prijzen zijn aangehaald ter nadere motivering van dat verweer. In zijn bewijsoverwegingen heeft hof uitgebreid gemotiveerd waarom het aan dat verweer voorbijgaat. Van schending van de in art. 359.2 Sv neergelegde motiveringsplicht kan dan ook geen sprake zijn, in aanmerking genomen dat hof niet gehouden was om op elk detail van argumentatie in te gaan.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 30 oktober 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:3592Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 december 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1311Hoge Raad · 13 januari 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:40
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04403
Datum 13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 oktober 2023, nummer 20-002900-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.B.M. Bos bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het onder 1 bewezenverklaarde.
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.
3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.