Strafrecht overig
Opzettelijk aanwezig hebben van 2.018,4 gram hennep in zwarte afvalcontainer bij woning van moeder van…
ECLI:NL:HR:2026:614 · Hoge Raad · 14 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-614
Zaakgegevens
Op 14 april 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 april 2026
- Datum publicatie
- 10 april 2026
- Zaaknummer
- 24/00245
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:614
Samenvatting
Opzettelijk aanwezig hebben van 2.018,4 gram hennep in zwarte afvalcontainer bij woning van moeder van verdachte, art. 3.C Opiumwet. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht opzet.
HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: O.g.v. de door hof in zijn nadere bewijsoverwegingen vastgestelde f&o en hoeveelheid hennep die in afvalcontainer is aangetroffen, heeft hof het “volstrekt onaannemelijk” geacht dat iemand anders dan verdachte de hennep in die container zou hebben gelegd. ’s Hofs oordeel dat verdachte aldus in totaal 2.018,4 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad, kan uit bewijsmiddelen worden afgeleid en is niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat verdachte niet (ook) heeft bekend dat in afvalcontainer aangetroffen hennep aan hem toebehoorde.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 24 januari 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:233Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 maart 2026
ECLI:NL:PHR:2026:259Hoge Raad · 14 april 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:614
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00245
Datum 14 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 januari 2024, nummer 20-002640-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het onder 1 bewezenverklaarde.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 6.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 9 en 10.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 95 uren beloopt, subsidiair 47 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.