Strafrecht overig
Poging tot doodslag door met auto op iemand in te rijden, art. 287 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg…
ECLI:NL:HR:2026:621 · Hoge Raad · 14 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-621
Zaakgegevens
Op 14 april 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 april 2026
- Datum publicatie
- 10 april 2026
- Zaaknummer
- 24/04455
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:621
Samenvatting
Poging tot doodslag door met auto op iemand in te rijden, art. 287 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over betrouwbaarheid van afgelegde (getuigen)verklaringen en geschetst alternatief scenario, art. 359.2 Sv.
HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Hof heeft voldoende gerespondeerd op standpunt over betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. ‘s Hofs op verklaring van aangever, getuigenverklaringen en camerabeelden gebaseerde oordeel dat verdachte doelbewust met aanmerkelijke snelheid in richting van aangever is gereden en is blijven rijden en hem heeft geraakt, vindt voldoende steun in bewijsmiddelen en is niet onbegrijpelijk. In nadere bewijsoverwegingen ligt besloten dat hof alternatief scenario dat door verdediging naar voren is gebracht (dat aanrijding is ontstaan doordat aangever richting auto sloeg/trapte en verdachte deze beweging niet meer kon ontwijken), niet aannemelijk acht. Alternatief scenario vindt ook geen verdere steun in dossier. Door verdediging ingenomen standpunt m.b.t. alternatief scenario vindt voldoende weerlegging in b.m. en bewijsoverweging.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 november 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:4199Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 maart 2026
ECLI:NL:PHR:2026:241Hoge Raad · 14 april 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:621
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04455
Datum 14 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 november 2024, nummer 20-002314-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.M.C.F. de Groen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het onder 1 primair bewezenverklaarde.
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.