Strafrecht overig

Doodslag door in 2022 in Best n.a.v. ruzie voor cafetaria meermalen met scherp voorwerp in borst en romp van…

Zaakgegevens

Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 april 2026
Datum publicatie
16 april 2026
Zaaknummer
25/02250
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:667
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Doodslag door in 2022 in Best n.a.v. ruzie voor cafetaria meermalen met scherp voorwerp in borst en romp van ander te steken, art. 287 Sr.

HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Rechtbank Oost-Brabant · 4 december 2023

    ECLI:NL:RBOBR:2023:5597
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 11 juni 2025

    ECLI:NL:GHSHE:2025:1612

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 21 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:667

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/02250

Datum 21 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juni 2025, nummer 20-003391-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F. van Baarlen een schriftuur ingediend.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren R. Kuiper en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.