Strafrecht overig

Medeplegen aanwezig hebben van cocaïne en heroïne (art. 2.C Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen…

Hoge Raad, 20 januari 2026

Zaakgegevens

Op 20 januari 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20 januari 2026
Datum publicatie
19 januari 2026
Zaaknummer
23/02479
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:69
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen aanwezig hebben van cocaïne en heroïne (art. 2.C Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen t.a.v. productie van cocaïne en heroïne (art. 10a.1.3 Opiumwet) en medeplegen voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (art. 26.1 WWM) in pand in Rotterdam. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Heeft hof toereikend gemotiveerd op hetgeen namens verdachte “in e.a. en in hoger beroep” is aangevoerd over (on)betrouwbaarheid van de door getuige afgelegde verklaringen?

HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Verweren die ttz. in e.a. zijn gevoerd maar in h.b. niet zijn herhaald, behoeven door hof niet te worden besproken. Uit p-v van tz. in h.b. blijkt niet dat aldaar in e.a. gevoerde verweren zijn herhaald. Voorts is rechter niet verplicht te beslissen omtrent enig verweer of standpunt dat niet door of namens verdachte ttz. uitdrukkelijk is voorgedragen. Uit p-v van tz. in h.b. kan (afgezien van enkele opmerking van verdachte dat verklaring van zijn ex-vrouw niet klopt en dat zij zijn leven wil kapotmaken door leugens) niet worden afgeleid dat verdachte of zijn raadsvrouw m.b.t. betrouwbaarheid van die verklaringen enig verweer heeft gevoerd.

Volgt verwerping. Samenhang met 23/02613.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 11 november 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1220
  2. Hoge Raad · 20 januari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:69

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02479

Datum 20 januari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2023, nummer 22-000097-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 8.

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 31 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 28 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.