Strafrecht overig
PGB-fraude. Medeplegen feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr)…
Hoge Raad, 19 mei 2026
ECLI:NL:HR:2026:760 · Hoge Raad · 19 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-760
Zaakgegevens
Op 19 mei 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 mei 2026
- Datum publicatie
- 13 mei 2026
- Zaaknummer
- 24/00562
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:760
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
PGB-fraude. Medeplegen feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr) en gewoontewitwassen van geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr). 1. Kan klacht dat hof niet heeft gerespondeerd op het in hoger beroep naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt “dat ander tlgd. papieren valselijk heeft opgemaakt”, worden aangemerkt als middel a.b.i. wet? 2. Redelijke termijn (inzendtermijn) in cassatie.
Ad 1. Als cassatierechter onderzoekt HR alleen middelen a.b.i. wet. Alleen stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak heeft gewezen kan als zo’n middel worden aangemerkt. Als cassatiemiddel I aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.
Ad 2. Schriftuur klaagt verder enkel over redelijke termijn in cassatie.
Art. 80a RO, verdachte n-o. Samenhang met 24/00563 P.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 maart 2026
ECLI:NL:PHR:2026:11Hoge Raad · 19 mei 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:760
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00562
Datum 19 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 februari 2024, nummer 21-004404-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo een schriftuur ingediend.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Alleen een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen kan als zo’n cassatiemiddel worden aangemerkt. De als cassatiemiddel I aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven. Nu de schriftuur verder enkel de klacht bevat dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.