Strafrecht overig
Medeplegen poging tot doodslag door meermalen met geschoeide voet tegen hoofd van ander te schoppen, terwijl…
Hoge Raad, 9 juni 2026
ECLI:NL:HR:2026:873 · Hoge Raad · 9 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-873
Zaakgegevens
Op 9 juni 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Datum publicatie
- 5 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/01759
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:873
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Medeplegen poging tot doodslag door meermalen met geschoeide voet tegen hoofd van ander te schoppen, terwijl die op de grond ligt, art. 287 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten ’s hofs oordeel dat verdachte het slachtoffer 2 keer tegen hoofd heeft geschopt en opzet op medeplegen.
HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Aan ‘s hofs oordeel dat verdachte het slachtoffer 2 keer tegen hoofd heeft geschopt heeft hof zijn waarnemingen o.b.v. camerabeelden en verklaring van getuige ten grondslag gelegd. Gezien (alleen al) inhoud van die bewijsmiddelen is dat oordeel niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. ‘s Hofs oordeel dat verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd heeft hof gemotiveerd met overweging dat “geweldshandelingen van verdachte en anderen deels gelijktijdig en deels zeer kort op elkaar volgend hebben plaatsgevonden, waarbij verdachte en zijn mededaders door anderen op slachtoffer uitgeoefend geweld hebben gezien en zij konden profiteren van elkaars geweldshandelingen”. Oordeel is gezien die onderbouwing niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 30 april 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:1217Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 mei 2026
ECLI:NL:PHR:2026:483Hoge Raad · 9 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:873
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01759
Datum 9 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 april 2024, nummer 23-000501-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Kuipers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring onder 1 primair.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.