Strafrecht overig

Mishandeling (art. 300.1 Sr), rijden onder invloed (art. 8.4 jo. 8.3.a WVW 1994), diefstal (art. 310 Sr) en…

Hoge Raad, 16 juni 2026

Zaakgegevens

Op 16 juni 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 juni 2026
Datum publicatie
5 juni 2026
Zaaknummer
24/02472
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:876
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mishandeling (art. 300.1 Sr), rijden onder invloed (art. 8.4 jo. 8.3.a WVW 1994), diefstal (art. 310 Sr) en opzettelijk handelen in strijd met gedragsaanwijzing (art. 184a.1 Sr). Strafmotivering (gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, ontzegging van bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 6 maanden en contact- en locatieverbod). Kon hof bij strafoplegging betrekken dat verdachte op 13-9-2022 is veroordeeld voor overtreden van opgelegde gedragsaanwijzing en rijden onder invloed?

HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Uit uittreksel Justitiële Documentatie van 4-6-2024 volgt niet dat verdachte op 13-9-2022 is veroordeeld wegens overtreden van opgelegde gedragsaanwijzing en rijden onder invloed. In dossier bevinden zich 2 versies van Uittreksel Justitiële Documentatie, die dateren van 18-1-2023 en 4-6-2024. In beide uittreksels staan geen veroordelingen van verdachte t.a.v. deze misdrijven op 13-9-2022. Enige verwijzing naar 13-9-2022 is te vinden in Uittreksel Justitiële Documentatie van 18-1-2023 en betreft vervolgingsbeslissing (dagvaarding) van die datum t.a.v. overtreden van gedragsaanwijzing en rijden onder invloed in onderhavige zaak. Mogelijk is deze beslissing ten onrechte gelezen als veroordeling voor deze feiten. Strafoplegging vindt gelet op voorgaande onvoldoende steun in strafmotivering.

Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging (met uitzondering van locatie- en contactverbod en schadevergoedingsmaatregel).

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 17 juni 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:2946
  2. Conclusie A-G · 7 april 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:376
  3. Hoge Raad · 16 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:876

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02472

Datum 16 juni 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 juni 2024, nummer 22-000610-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, met uitzondering van het dadelijk uitvoerbaar verklaarde locatie- en contactverbod en de schadevergoedingsmaatregel, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de strafmotivering.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2, 2.3 en 2.5.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, met uitzondering van het opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde locatie- en contactverbod en de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2026.