Strafrecht overig

(Medeplegen) brandstichting met gemeen gevaar voor goederen, meermalen gepleegd (art. 157.1 Sr) door in 2014…

Zaakgegevens

Op 9 juni 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 juni 2026
Datum publicatie
9 juni 2026
Zaaknummer
25/01431
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:906
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

(Medeplegen) brandstichting met gemeen gevaar voor goederen, meermalen gepleegd (art. 157.1 Sr) door in 2014 in Onderbanken en Brunssum als lid van vrijwillige brandweer brand te stichten in auto en 2 panden en vervolgens in zijn hoedanigheid van brandweerman 2 van de 3 branden zelf te blussen.

HR: art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 2 april 2025

    ECLI:NL:GHSHE:2025:903
  2. Hoge Raad · 9 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:906

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/01431

Datum 9 juni 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 april 2025, nummer 20-003201-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt, M.J. van Berlo en B.P.L. de Vries een schriftuur ingediend.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.