Belastingrecht
Vereiste aangifte. Verzwijgen van een niet onaanzienlijk bedrag aan inkomsten. Behoren inkomsten verkregen…
ECLI:NL:PHR:1930:2 · Parket bij de Hoge Raad · 14 mei 1930
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/ecli-nl-phr-1930-2
Zaakgegevens
Op 14 mei 1930 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 mei 1930
- Datum publicatie
- 10 februari 2025
- Zaaknummer
- 4576
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1930:2
Samenvatting
Vereiste aangifte. Verzwijgen van een niet onaanzienlijk bedrag aan inkomsten. Behoren inkomsten verkregen door minderjarige kinderen tot het inkomen van belanghebbende te worden gerekend?
Procesgang
Hoge Raad · 14 mei 1930
ECLI:NL:HR:1930:350Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 mei 1930deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1930:2
Conclusie
No 4576.
Conclusie i/z .[X]
Edele Hoog Achtbare Heeren
Daar het geschil liep over de grootte van belanghebbende's geheele inkomen, kan de raad van Beroep m.i. de in het eerste middel bedoelde artikelen niet hebben geschonden door mede acht te slaan op feiten, welke partijen niet hebben aangevoerd.
Het derde middel schijnt mij ongegrond, omdat vaststaat, dat belanghebbende niet op de bij de wet voorgeschreven wijze aangifte van zijn inkomen had gedaan, zoodat de Raad van Beroep overeenkomstig artikel 80 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914 terecht heeft beslist, dat de aanslag moest worden gehandhaafd, tenzij belanghebbende aantoonde, dat en in hoever deze onjuist was, terwijl art. 81 der genoemde wet den Raad geenszins verplicht van de daarbij verleende bevoegdheid gebruik te maken. (H. R. 15 Jan. 1930 No 4441) .
Naar aanleiding van het tweede middel meen ik evenwel ambtshalve te moeten opmerken, dat de Raad bij zijne beslissing , dat belanghebbende niet heeft aangetoond, dat en in hoever de aanslag onjuist was, rekening heeft gehouden met de inkomsten der minderjarige kinderen van belanghebbende, zonder dat gebleken was, dat bedoelde kinderen die inkomsten niet verkrijgen door afzonderlijken arbeid en vlijt, zoodat niet zonder meer had mogen worden aangenomen, dat belanghebbende daarvan het vruchtgenot had. De beslissing is derhalve m.i. in zooverre niet behoorlijk met redenen omkleed, zoodat ik concludeer tot vernietiging der bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen I te Rotterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in voltallige vergadering met inachtneming van net door den Hoogen Raad te wijzen arrest 27 Maart 1930.
De Procureur Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden.