Belastingrecht
Belanghebbenden hebben in de jaren 2007 en 2008 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van…
ECLI:NL:PHR:2014:1862 · Parket bij de Hoge Raad · 26 september 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/ecli-nl-phr-2014-1862
Zaakgegevens
Op 26 september 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 september 2014
- Datum publicatie
- 22 oktober 2014
- Zaaknummer
- 13/05844, 13/05846 en 13/05848
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:1862
Samenvatting
Belanghebbenden hebben in de jaren 2007 en 2008 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van [apparaten] (hierna ook: de apparaten of de toestellen). [apparaten] zijn toestellen die van de computer afkomstige bestanden, waaronder video-, muziek- en fotobestanden, kunnen opslaan op hun harde schijf en (zonder aangesloten te zijn op een computer) kunnen doen weergeven op een televisie- of videomonitor.
Primair is in geschil de vraag of de [apparaten] moeten worden ingedeeld als geheugeneenheden voor harde schijven als bedoeld in tariefpostonderverdeling 8471 70 50 (0%) van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN), dan wel dat het apparaten zijn waarmee beelden kunnen worden opgenomen en/of weergegeven (tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN, 13,9%). Subsidiair is in geschil de vraag of [apparaten] op grond van de Overeenkomst inzake Informatietechnologie (hierna: de ITA) vrij van douanerechten in de Europese Unie (hierna: EU) kunnen worden ingevoerd.
Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) en Hof Amsterdam (hierna: het Hof) zijn van oordeel dat de apparaten voor videoweergave zijn die onder tariefpost 8521 van de GN moeten worden ingedeeld. Voorts zijn de Rechtbank en het Hof van oordeel dat belanghebbenden niet met succes een beroep kunnen doen op de ITA.
A-G Van Hilten bespreekt in deze conclusie de in deze procedure relevante indelingsregels, afdeling, hoofdstukken en tariefpost(onderverdelingen)en van het Geharmoniseerd Systeem (GS) c.q. de GN. De daarbij behorende aantekeningen en toelichtingen komen eveneens aan de orde.
Met betrekking tot de postonderverdeling 8471 70 50 van de GN merkt de A-G allereerst op dat met de in die postonderverdeling gehanteerde term ‘eenheden voor harde schijven’ - na vergelijking met andere taalversies - ‘hardeschijfeenheden’ bedoeld moet zijn. Vervolgens valt volgens de A-G uit aantekening 5C op hoofdstuk 84 af te leiden dat onder tariefpost 8471 van de GN ook schijvengeheugeneenheden kunnen worden gebracht, die niet uitsluitend of hoofdzakelijk worden gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem (de computer). Voorwaarde is dan wel dat deze schijvengeheugeneenheden op de centrale verwerkingseenheid kunnen worden aangesloten en in staat zijn om gegevens te ontvangen of te leveren in een vorm die bruikbaar is voor het systeem. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) lijkt de A-G op het eerste gezicht de conclusie gerechtvaardigd dat een toestel met een harde schijf zoals de [apparaten], waarvan vaststaat dat zij een harde schijf hebben, onder tariefpost 8471 van de GN valt. Aantekening 5E op hoofdstuk 84, welke aantekening bij de uitlegging van aantekening 5C in acht moet worden genomen, en de daarbij behorende GS-toelichtingen, schrijven echter voor dat apparaten met een automatische gegevensverwerkende machine of die daarmee in samenhang worden gebruikt en die een eigen functie hebben (anders dan automatische gegevensverwerking) buiten het bereik van tariefpost 8471 van de GN vallen. Voorts is het vaste rechtspraak van het HvJ dat aantekening 5E beoogt te verhinderen dat apparaten met een andere functie dan gegevensverwerking, worden ingedeeld in tariefpost 8471, enkel omdat zij in samenhang met een automatische gegevensverwerkende machine worden gebruikt. De A-G geeft aan dat de indeling van de [apparaten] in post 8471 van de GN staat of valt met het antwoord op de vraag of de apparaten - naast gegevensverwerking - een eigen functie hebben. Zij meent dat dit het geval is. Het komt de A-G voor dat de [apparaten] de functie hebben van een apparaat als bedoeld in tariefpost 8521 van de GN.
Ten aanzien van tariefpost 8521 van de GN, merkt de A-G op dat de in deze post bedoelde producten niet alleen apparaten omvat die kunnen opnemen én weergeven, maar dat zowel apparaten die kunnen opnemen als apparaten die kunnen weergeven (als apparaten die beide kunnen) onder deze tariefpost vallen. Voor toepasbaarheid van de post is haars inziens niet vereist dat een apparaat zowel opneemt als weergeeft. Zij leidt dit af uit de jurisprudentie van het HvJ, andere taalversies en de van toepassing zijnde GS-toelichtingen. Aangezien het in de onderhavige gevallen vaststaat dat de [apparaten] de objectieve eigenschappen en kenmerken hebben van een toestel waarmee beelden kunnen worden weergegeven, hebben de toestellen haars inziens buiten twijfel een eigen functie, andere dan gegevensverwerking. Hieruit vloeit volgens de A-G voort dat de [apparaten] - op grond van aantekening 5E bij hoofdstuk 84 - niet onder tariefpost 8471 van de GN (kunnen) vallen. Aan toepassing van aantekening 3 op afdeling XVI komt de A-G - anders dan het Hof - niet toe. Het eerste middel faalt. Het tweede en vierde middel waarin wordt geklaagd over ’s Hofs oordeel omtrent de hoofdfunctie van de [apparaten] behoeven geen behandeling.
Vervolgens bespreekt de A-G de ITA. De ITA behoort tot de overeenkomsten die in het kader van de World Trade Organization (hierna: WTO) door de EU zijn ondertekend. Bij de ITA verbonden de overeenkomstsluitende partijen zich om de douanerechten en andere rechten en heffingen op informatietechnologieproducten tegen het jaar 2000 af te schaffen. Bij de bespreking van de toepasbaarheid van de ITA spelen volgens de A-G twee aspecten een rol: in de eerste plaats is het de vraag of marktdeelnemers als belanghebbenden rechtstreeks een beroep op de ITA kunnen doen, en in de tweede plaats rijst de vraag of de [apparaten] onder het bereik van de ITA vallen en daarom vrij van rechten moeten (kunnen) worden ingevoerd. Het is vaste rechtspraak van het HvJ dat een ‘gemeenschapshandeling’ alleen aan WTO-overeenkomsten - waaronder de ITA - wordt getoetst wanneer de EU uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van WTO-overeenkomsten verwijst. Dat lijkt de A-G het geval waar het gaat om de in de ITA neergelegde afspraken omtrent het tot nihil terugbrengen van douanerechten op de onder de ITA vallende producten. Daarmee is volgens de A-G nog niet gezegd dat een particulier voor een rechterlijke instantie de ongeldigheid van een gemeenschapshandeling wegens strijdigheid met WTO-overeenkomsten kan inroepen. Een rechtstreeks beroep lijkt de A-G namelijk, gezien ook de rechtspraak van het HvJ, niet mogelijk. Dat neemt volgens haar echter niet weg dat het HvJ wel degelijk rekening houdt met WTO-overeenkomsten bij de uitlegging van Europees, afgeleid recht. Het lijkt de A-G dat de op verordeningen gebaseerde Europese regelgeving zoveel mogelijk conform de voorschriften van de ITA moet worden uitgelegd, ook waar het gaat om de onderhavige [apparaten]. Aangezien de [apparaten] volgens de A-G niet zijn in te delen in tariefpost 8471 van de GN betekent dat dat zij in ieder geval niet met (overeenkomstige toepassing van) bijlage A bij de ITA vrij van rechten zijn. Ook vallen de [apparaten] haars inziens niet onder bijlage B van de ITA. Gelet namelijk op de gedingstukken en hetgeen partijen hebben aangevoerd, acht de A-G het niet onbegrijpelijk, - en overigens verweven met vaststellingen van feitelijke aard -, dat het Hof en de Rechtbank hebben geoordeeld dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de [apparaten] onder bijlage B van de ITA kunnen worden gebracht. Het derde middel en voor zover het daarop betrekking heeft, het vierde middel, falen.
A-G Van Hilten adviseert de beroepen in cassatie van belanghebbenden ongegrond te verklaren.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 24 oktober 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:3905Uitspraak · 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:3904Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 september 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:1862
Hoge Raad · 6 februari 2015
ECLI:NL:HR:2015:221Hoge Raad · 18 november 2016
ECLI:NL:HR:2016:2625Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Hoge Raad · 18 november 2016
ECLI:NL:HR:2016:2626Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Inhoudsopgave
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. M.E. van Hilten
Advocaat-Generaal
Conclusie van 26 september 2014 inzake:
|
HR nrs. 13/05844, 13/05846 en 13/05848 |
[X2] B.V. |
|
Hof nrs. 12/00115 tot en met 12/00117 Rb nrs. AWB 11/1, 11/3858 en 11/3859 |
[X3] S.A. [X1] B.V. |
|
Derde Kamer A |
tegen |
|
Douanerechten 1 januari 2007 - 31 december 2008 |
staatssecretaris van Financiën |
1 Inleiding
[apparaten]. Dat zijn toestellen die van de computer afkomstige bestanden, waaronder video-, muziek- en fotobestanden, kunnen opslaan op hun harde schijf en (zonder aangesloten te zijn op een computer) kunnen doen weergeven op een televisie- of videomonitor. In deze procedures staan deze [apparaten] centraal.
De vraag is primair of deze toestellen moeten worden ingedeeld als geheugeneenheden voor harde schijven als bedoeld in tariefpostonderverdeling 8471 70 50 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN), dan wel dat het apparaten zijn waarmee beelden kunnen worden opgenomen en/of weergegeven (tariefpostonderverdeling 8521 90 00 van de GN).
Daarnaast is onderwerp van geschil de vraag of de [apparaten] op grond van de Overeenkomst inzake Informatietechnologie (beter bekend als de Information Technology Agreement, hierna: ITA) vrij van douanerechten in de Europese Unie (hierna: EU) kunnen worden ingevoerd.
Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) en Hof Amsterdam (hierna: het Hof) oordeelden dat de [apparaten] voor videoweergave zijn die onder tariefpost 8521 van de GN moeten worden ingedeeld. Voorts oordeelden de Rechtbank en het Hof dat belanghebbenden niet met succes een beroep kunnen doen op de ITA. In deze conclusie valt te lezen of ik de opvatting van Rechtbank en Hof deel.
Deze conclusie betreft drie procedures: één die is geïnitieerd namens [X2] B.V. (hierna: [X2]; HR nr. 13/05844), één ten name van [X3] S.A. (hierna: [X3]; HR nr. 13/05846) en één die namens [X1] B.V. (hierna: [X1]; HR nr. 13/05848) wordt gevoerd. Deze conclusie heeft te gelden als de in één geschrift vervatte conclusies in elk van de drie zaken. Ik meen met één geschrift te kunnen volstaan omdat (i) de geschilpunten in de drie procedures gelijk zijn, (ii) de uitnodigingen tot betaling (hierna: utb’s) die aan [X2] en [X1] zijn uitgereikt [apparaten] betreffen die zij in eigen naam en voor eigen rekening voor [X3] hebben ingevoerd, (iii) de tijdvakken van invoer in de drie procedures hetzelfde zijn, te weten 2007-2008, (iv) belanghebbenden vertegenwoordigd worden door dezelfde gemachtigde, waarbij (v) alle gedingstukken nagenoeg identiek zijn, terwijl (vi) de verschillende zaken bij de Rechtbank en bij het Hof gezamenlijk ter zitting zijn behandeld. Waar in het navolgende gewag wordt gemaakt van ‘belanghebbende’, wordt gedoeld op elk van de belanghebbenden in de respectievelijke drie procedures.
2 Feiten en procesverloop
In de jaren 2007 en 2008 heeft belanghebbende aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van [apparaten] (hierna ook: de apparaten of de toestellen). Het gaat – voor zover van belang – om [apparaten] met de volgende specificaties en omschrijvingen:
|
Technische specificatie |
Omschrijving product |
|
[apparaten] + Multimedia Drive.pdf |
HDD 3.5 Desktop [apparaten] Multimedia |
|
[apparaten] HD Multimedia Drive.pdf |
HDD 3.5 Desktop [apparaten] HD Multimedia |
|
[apparaten] Pro Multimedia Drive.pdf |
HDD 3.5 Desktop [apparaten] PRO Multimedia |
|
[apparaten] Pro HD Multimedia Drive.pdf |
HDD 3.5 Drive Desktop [apparaten] PRO HD Multimedia |
Belanghebbende heeft de [apparaten] aangegeven onder tariefpostonderverdeling 8471 70 50 van de GN. Goederen van deze post zijn vrij van rechten (0%).
De [apparaten] zijn toestellen voor het opslaan op hun harde schijf van bestanden afkomstig van de computer, waaronder video-, muziek- en fotobestanden in diverse gangbare formaten. De opslag op de harde schijf van de apparaten geschiedt met behulp van de op de toestellen aanwezige firewire- of USB-aansluiting. De video-, muziek- en fotobestanden (multimediabestanden) kunnen zonder tussenkomst van een computer door middel van een door de apparaten gegenereerd menu op een televisie- of videomonitor worden weergegeven. Hierbij worden met behulp van in/op de apparaten aanwezige hard- en software de gecodeerde mediabestanden gedecodeerd en geconverteerd naar een (pal/ntsc) signaal, dat via één van de uitgangen van de apparaten, bijvoorbeeld composiet, S-VHS, component of scart, aan de overeenkomstige ingang van de televisie- of videomonitor wordt aangesloten. De [apparaten] zijn voorzien van een HDMI-aansluiting. Bij sommige toestellen behoort een afstandsbediening.
Met toepassing van artikel 78, lid 2, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) is bij [X3] een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de in punt 2.1 bedoelde aangiften voor het vrije verkeer van [apparaten]. De bevindingen van de controle zijn opgenomen in een tot de gedingstukken behorend rapport van 21 april 2010 (hierna: het controlerapport).
In bijlage 2 bij het controlerapport wordt de door de controlerend ambtenaar voorgestane indeling van de [apparaten] als volgt gemotiveerd (vetgedrukte tekst conform origineel):
“Motivering indeling goederen onder de goederencode 8521 9000 90
(…)
Algemene toelichting:
De technische specificatie van alle 4 de apparaten is nagenoeg gelijk, alle 4 hebben ze een grote harde schijf, video ondersteuning in alle gangbare formaten, zoals MPEG-1, 2 en 4 DivX. Foto bestanden worden ook door alle 4 de apparaten ondersteund in de vorm van BMP, JPG en JPEG. Ook audio wordt ondersteund in diverse formaten zoals, Dolby, MP3 en WAV. Alle apparaten hebben (bij opname van gegevens van de computer) Windows of in 1 geval ook Macintosh) ondersteuning nodig. Alle apparaten hebben diverse video-uitgangen zoals S video, Composiet video-uitgangen, enkele hebben ook een scart aansluiting voor het overbrengen van videosignalen naar monitoren. De types met toevoeging HD hebben HDMI aansluitingen. Zelfs als de harde schijf nog niet ingebouwd is, omdat dit op een later tijdstip plaats zal vinden, ook dan is er al sprake van een niet compleet videoweergave apparaat. (…) In alle gevallen wordt het NTSC/PAL systeem ondersteund, hetgeen wil zeggen dat het video-opname- en weergave apparaten betreft. Dit alles lijdt er toe dat deze apparaten ingedeeld moeten worden als toestellen voor het weergeven van video.
(…)”
Voorts is in het controlerapport onder het kopje ‘motivering indeling onder GS-post 8521 in verslag van bespreking’ de volgende passage uit (de eerste bladzijde van) de handleiding van de [apparaten] opgenomen:
“Met de [X3] Multimedia-drive kunt u uw favoriete multimediabestanden op uw computer weergeven op uw tv. Kopieer gewoon films, foto’s en muziek van een pc of Mac-computer naar de [apparaten] Pro-drive via de USB- of FireWire-aansluiting. Daarna kunt u de films, diapresentaties van de foto’s en uw muziek op elk televisietoestel weergeven.”
(…)”
De bevindingen van de controle waren voor de Inspecteur aanleiding om de apparaten in te delen in tariefpostonderverdeling 8521 90 00 90 van de GN. Voor goederen van deze post geldt een tarief van 13,9%. Met dagtekening 17 februari 2010, 23 maart 2010 en 11 mei 2010 heeft de Inspecteur utb’s aan belanghebbende uitgereikt.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen en de utb’s gehandhaafd.
3 Geding voor de Rechtbank en het Hof
De Rechtbank
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld bij de Rechtbank.
Voor de Rechtbank was – voor zover in cassatie van belang – primair de indeling van de [apparaten] in de GN in geschil. Subsidiair was in geschil of de heffing en inning van douanerechten in strijd is met de ITA.
Ten aanzien van de indeling oordeelde de Rechtbank dat de hoofdfunctie van de [apparaten] moet worden gevonden in videoweergave en dat de [apparaten] dienovereenkomstig moeten worden ingedeeld (dat wil zeggen onder tariefpost 8521 van de GN). De Rechtbank overwoog daartoe:
“5.2.1. Gelet op de (…) objectieve kenmerken en eigenschappen van de producten kunnen deze worden aangesloten op een computer en kunnen er bestanden worden opgeslagen op de harde schijf van de producten. In zoverre zijn de producten eenheden voor harde schijven als bedoeld onder de GN-code 8471 70 50. Uit de objectieve kenmerken en eigenschappen blijkt tevens dat de producten video-, muziek- en fotobestanden in een voor een tv bestemd signaal (pal/ntsc) kunnen converteren en via de daarvoor geëigende aansluitingen aan een tv- of videomonitor voor weergave daarop, kunnen aanbieden. Hieruit volgt dat de producten ook videoweergaveapparaten zijn als bedoeld onder post 8521. Nu de producten combinaties van machines van verschillende soorten zijn, die bestemd zijn om gezamenlijk te functioneren en die één geheel vormen, dan wel machines met twee of meer verschillende (afwisselende of aanvullende) functies, moeten de producten gelet op aantekening 3 op afdeling XVI (die de hoofdstukken 84 en 85 omvat), worden ingedeeld naar de hoofdfunctie die kenmerkend is voor het complex. De rechtbank is van oordeel dat de hoofdfunctie die kenmerkend is voor het complex de functie van videoweergaveapparaat is. Dit blijkt uit de door eiseres niet bestreden weergave in het controlerapport van het geciteerde uit de handleiding van de producten. Blijkens dit citaat is het ondubbelzinnig de bedoeling van de producten dat deze worden gebruikt om de multimediabestanden op de harde schijf weer te geven op de tv. Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit gebruik (als videoweergaveapparaat) de hoofdfunctie.
De stelling van eiseres dat de producten in wezen “geavanceerde harde schijven” zijn, zowel als het gaat om hun functioneren als het gebruik, dan wel daarmee te vergelijken zijn en dat zij daarom moeten worden ingedeeld onder post 8471 70, volgt de rechtbank dan ook niet. Anders dan gewone losse harde schijven en opslageenheden als bedoeld onder post 8471 70 van de GS, beschikken de producten naast de harde schijf over hardware en software die de multimediabestanden decoderen en converteren naar een tv-signaal en beschikken zij over uitgebreide mogelijkheden voor aansluiting aan een tv- of videomonitor. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling geen productinformatie overgelegd, waaruit zou blijken dat de hoofdfunctie van de producten het gebruik als harde schijf zou zijn.”
De Rechtbank was voorts van oordeel dat een marktdeelnemer als belanghebbende geen beroep kan doen op de ITA, en dat bovendien heffing en inning van douanerechten in casu niet in strijd is met deze overeenkomst. Zij overwoog daartoe het volgende:
“5.4. (…) een marktdeelnemer [kan], gelet op de bijzondere kenmerken van het stelsel voor geschillenbeslechting binnen de WTO, dat een belangrijke plaats inruimt voor onderhandelingen tussen partijen, voor een rechterlijke instantie van een lidstaat niet (…) aanvoeren dat een regeling van de Unie onverenigbaar is met bepaalde WTO-regels (zie arrest van 1 maart 2005, Van Parys, C 377/02, Jurispr. blz. I 1465, punten 39 en 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De rechtbank is voorts van oordeel dat uitlegging van de GN zoveel mogelijk in overeenstemming met de ITA niet aan de orde is, omdat niet is gebleken dat de producten onder de werking van de ITA vallen. Eiseres heeft dit wel betoogd, maar niet aangetoond.”
Bij uitspraken van 22 december 2011, nr. AWB 11/1, ECLI:NL:RBHAA:2011:BV3711, nr. AWB 11/3858, ECLI:NL:RBHAA:2011:BV37108 en nr. AWB 11/3859, ECLI:NL:RBHAA:2011:BV37105, heeft de Rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.
Het Hof
Belanghebbende heeft tegen de haar betreffende uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ook voor het Hof was primair in geschil de indeling van de [apparaten] in de GN, en subsidiair de toepasbaarheid van de ITA.
Evenals de Rechtbank kwam het Hof tot het oordeel dat de onderhavige apparaten onder tariefpost 8521 van de GN moeten worden ingedeeld. Het Hof overwoog als volgt:
“7.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderwerpelijke apparaten alle zijn uitgerust met een harde schijf waarop digitale bestanden kunnen worden opgeslagen van externe bronnen. De apparaten kunnen daarom in beginsel als hardeschijfeenheden worden ingedeeld onder GN-onderverdeling 8471 7050. Het Hof merkt daarbij op dat voor “eenheden voor harde schijven” in de Nederlandse taalversie van genoemde postonderverdeling kennelijk dient te worden gelezen “hardeschijfeenheden”, dit gelet op de Engelse, Duitse en Franse taalversie van deze postonderverdeling (Hard disk drives, Festplattenspeichereinheiten, resp. Unités de mémoire à disques durs).
Belanghebbende heeft ter zitting betoogd dat zij van origine fabrikant is van geheugeneenheden en dat zij, om zich te onderscheiden van andere fabrikanten, bepaalde geheugeneenheden heeft voorzien van de mogelijkheid bestanden te versturen naar, en daarmee zichtbaar te maken op, een extern scherm, ook zonder dat deze apparaten zijn aangesloten op een computer. Deze functie komt ook tot uitdrukking in de handelsbenaming ‘[apparaten]’.
Naar ’s Hofs oordeel beschikken de apparaten daarmee over zodanige objectieve kenmerken en eigenschappen dat zij als videoweergaveapparaten vatbaar zijn voor indeling onder GN-post 8521 (Video-opname- en videoweergaveapparaten, ook indien met ingebouwde videotuner). In het midden kan daarom blijven of de apparaten tevens over een opnamefunctie beschikken.
Ingevolge aantekening 3 op afdeling XVI worden machines met twee of meer verschillende (afwisselende of aanvullende) functies ingedeeld naar de hoofdfunctie die kenmerkend is voor het complex. Nagegaan moet dus worden of de dataopslag (post 8471) dan wel de videoweergave (post 8521) de hoofdfunctie is.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 14 april 2011, C-288/09, British Sky, (r.o. 76 en 77) volgt dat voor het bepalen van de hoofd- en nevenfunctie als bedoeld in aantekening 3 op afdeling XVI acht dient te worden geslagen op de inherente bestemming van de goederen en dat daarbij rekening moet worden gehouden met wat voor de consument hoofd- en bijzaak is. Het Hof overweegt ter zake als volgt.
Blijkens de stukken van het geding worden de producten op de markt gebracht als mediaspelers, voor het afspelen van multimediabestanden op een televisie. Dat volgt ook uitdrukkelijk uit de onder de 2 geciteerde handleiding alsmede de door belanghebbende gebruikte handelsbenaming “[apparaten]”. Teneinde multimediabestanden te kunnen afspelen op een televisie, zonder verbinding met een computer, dienen de [apparaten] te beschikken over een geheugeneenheid voor de opslag van deze multimediabestanden. Deze geheugeneenheid kan ook worden gebruikt voor de opslag van andere data dan af te spelen multimediabestanden. Naar evenwel niet voor redelijke twijfel vatbaar is wordt een mediaspeler door de consument primair aangeschaft voor het afspelen van multimediabestanden en niet voor data-opslag. Voor data-opslag kan immers worden volstaan met de aanschaf van een (goedkopere) externe harde schijf.
Uit het voorgaande concludeert het Hof dat de weergavefunctie voor de consument de hoofdfunctie is en de dataopslag een bijkomende functie vormt.”
Het Hof beantwoordde de vraag of de [apparaten] op grond van de ITA onbelast moeten blijven - net als de Rechtbank - ontkennend:
“7.9. Met betrekking tot het beroep op de ITA overeenkomst overweegt het Hof dat volgens vaste rechtspraak bepalingen van overeenkomsten als deze voor particulieren geen rechten in het leven roepen waarop zij zich krachtens het Unierecht rechtstreeks kunnen beroepen. Het bestaande Unierecht dient wel voor zover mogelijk overeenkomstig de ITA te worden uitgelegd. Evenals de rechtbank komt het Hof tot het oordeel dat een uitlegging van de GN overeenkomstig de bepalingen van de ITA niet aan de orde is, reeds omdat niet is gebleken dat de [apparaten] onder bijlage B van de ITA vallen.
De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat de onderwerpelijke apparaten daar niet onder vallen, omdat zij niet zijn bestemd voor computers. Belanghebbende heeft die stelling niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken en uit de stukken van het geding valt evenmin af te leiden dat sprake is van een bestemming voor computers.”
Bij uitspraken van 24 oktober 2013, nr. 12/00115, niet gepubliceerd, nr. 12/00116, ECLI:NL:GHAMS:2013:3905, DR 2014/4, en nr. 12/00117, niet gepubliceerd, heeft het Hof de hoger beroepen van belanghebbenden ongegrond verklaard en de uitspraken van de Rechtbank bevestigd.
4 Het geding in cassatie
Belanghebbende heeft tijdig en op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Zij stelt vier cassatiemiddelen voor, waarin zij met rechts- en motiveringsklachten opkomt tegen (1) het oordeel van het Hof dat de [apparaten] moeten worden ingedeeld in tariefpost 8521 van de GN en (2) het oordeel van het Hof dat niet met succes een beroep op de ITA kan worden gedaan en de [apparaten] dientengevolge onderworpen zijn aan een douanerecht van 13,9%. De onderscheidenlijke cassatiemiddelen luiden als volgt.
Het eerste cassatiemiddel:
“Schending van het recht, te weten onjuiste toepassing en interpretatie van GN post 8521, met name als het gaat om het begrip “videoweergaveapparaten”, de toelichting op post 8521 en het “in het midden laten” of de [apparaten] over een opnamefunctie beschikken terwijl duidelijk is dat litigieuze producten niet kunnen opnemen.”
Het tweede cassatiemiddel:
“Schending van het recht, te weten onjuiste toepassing en interpretatie van aantekening 3 op afdeling XVI GN en jurisprudentie van het Hof van Justitie, met name wanneer het Gerechtshof Amsterdam concludeert dat vanwege het feit dat de [apparaten] door consumenten primair worden aangeschaft vanwege de weergavefunctie de [apparaten] worden ingedeeld in post 8521.”
Het derde cassatiemiddel:
“Schending van het recht, te weten onjuiste toepassing en interpretatie van het recht van de Wereldhandelsorganisatie (“WTO”) en dan met name de ITA overeenkomst, in het bijzonder het niet of althans onvoldoende in beschouwing nemen van de ITA overeenkomst in het kader van de toepassing van het toepasselijke Europese recht, de conclusie dat de litigieuze producten niet onder de ITA vallen en het niet overnemen van de conclusie dat de heffing en inning van een douanerecht van 13,9% strijdig is met de ITA overeenkomst en de verplichtingen die de EU in dit verband is aangegaan.”
Het vierde cassatiemiddel:
“Verzuim van vormen, in het bijzonder een gebrek aan motivering, een gebrek aan een begrijpelijke onderbouwing, c.q. het ontbreken van een motivering die de uiteindelijke conclusies van het vonnis door het Gerechtshof Amsterdam kan dragen.”
De staatssecretaris van Financiën (hierna: Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft (in één gezamenlijk geschrift met beide andere belanghebbenden) een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid conclusies van dupliek in te dienen.
5 De theorie van de indeling(sregels)
In deze procedure gaat het primair om de vraag of [apparaten] (geheugen)eenheden voor harde schijven zijn als bedoeld in de tariefpostonderverdeling 8471 70 50 van de GN, dan wel dat de apparaten als toestellen voor video-opname en videoweergave (andere dan werkend met magneetbanden) in postonderverdeling 8521 90 00 van de GN moeten worden ingedeeld.
Bij de beantwoording van die vraag zijn in beginsel de bewoordingen van de tariefpost(onderverdeling)en, alsmede de aantekeningen op de afdeling – in casu afdeling XVI – en de hoofdstukken – in casu hoofdstukken 84 en 85 – doorslaggevend. Dit volgt uit de zogenoemde algemene indelingsregels 1 en 6.
Algemene indelingsregel 1 luidt, met mijn cursivering:
“1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en - voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen - de navolgende regels.”
Algemene indelingsregel 6 bepaalt mutatis mutandis hetzelfde, maar dan op het niveau van de tariefpostonderverdelingen.
Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) dat, bij de beantwoording van de vraag of een goed ‘onder de bewoordingen’ van een tariefpost of tariefpostonderverdeling valt, de objectieve kenmerken en eigenschappen van het desbetreffende goed doorslaggevend zijn. Zo overwoog het HvJ – om een recent voorbeeld te nemen – in het arrest van 17 juli 2014, Sysmex Europe, C-480/13 (met mijn cursivering):
“29. Volgens vaste rechtspraak moet het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle in de regel worden gevonden in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken zijn omschreven (zie met name arrest Roeckl Sporthandschuhe, C-123/09, EU:C:2010:237, punt 27).”
Daarbij heeft te gelden dat ook een aan een product inherente bestemming een objectief indelingscriterium kan zijn (cursivering MvH):
“Voorts moet worden gepreciseerd dat de bestemming van het product een objectief indelingscriterium kan zijn wanneer die bestemming inherent is aan het product, waarbij de inherentie moet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product (…).”
Niet wettelijk bepalend, maar wel ‘belangrijke hulpmiddelen’ zijn de toelichtingen die op mondiaal niveau door de Werelddouaneorganisatie (hierna: WDO) worden gegeven op het Geharmoniseerd Systeem (GS) en op Europees niveau door de Europese Commissie (hierna: de Commissie) op de GN. Ook hiervoor kan verwezen worden naar een keur aan arresten van het HvJ. Ik citeer uit het arrest van het HvJ van 15 mei 2014, Data I/O, C-297/13 (met mijn cursivering):
“33. De toelichtingen van de Commissie op de GN en de toelichtingen van de WDO op het GS zijn, hoewel zij rechtens niet verbindend zijn, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten (zie met name arrest Delphi Deutschland, C-423/10, EU:C:2011:315, punt 24).”
Met deze gereedschappen kunnen vele goederen worden ingedeeld. Er zijn echter gevallen waarin indelingsregels 1 en 6 geen uitkomst bieden, bijvoorbeeld omdat een product onder (de bewoordingen van) twee tariefposten kan worden gerangschikt. Voor dergelijke gevallen geven algemene indelingsregels 2 tot en met 5 indelingsregels. Van deze regels zou in casu indelingsregel 3 een rol kunnen spelen. Deze regel ziet op goederen die ‘vatbaar zijn’ voor indeling onder twee of meer posten. Hij luidt als volgt:
“3. Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2 b) of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:
a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking.
Indien echter twee of meer posten elk afzonderlijk slechts betrekking hebben op een gedeelte van de stoffen of bestanddelen waaruit een mengsel of een goed is samengesteld of op een gedeelte van de artikelen, in het geval van goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, worden die posten, met betrekking tot bedoelde mengsels en goederen, aangemerkt als even specifiek, zelfs indien een van de andere posten daarvan een volledigere of nauwkeurigere omschrijving geeft;
b) mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a), worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald;
c) in de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3 a) en 3 b) niet mogelijk is, wordt van de verschillende in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.”
Met deze theorie kan, in onderdeel 6, de indeling van de [apparaten] te lijf worden gegaan.
6 Afdeling XVI, hoofdstukken 84 en 85 en tariefposten 8471 en 8521 van de GN
Zowel hoofdstuk 84 van de GN (waaronder de door belanghebbende voorgestane tariefpost 8471 valt) als hoofdstuk 85 (waaronder tariefpost 8521 valt), maken deel uit van afdeling XVI. Deze afdeling omvat blijkens haar opschrift “Machines, toestellen en elektrotechnisch materieel, alsmede delen daarvan; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, voor het opnemen of het weergeven van beelden en geluid voor televisie, alsmede delen en toebehoren van deze toestellen”.
Afdeling XVI is voorzien van (GS)-aantekeningen, waarvan aantekening 3 in casu van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag of de [apparaten] onder tariefpost 8471 dan wel onder tariefpost 8521 vallen. De aantekening luidt, met mijn cursivering:
“Voor zover niet anders is bepaald, worden combinaties van machines van verschillende soorten, die bestemd zijn om gezamenlijk te functioneren en die een geheel vormen, alsmede machines met twee of meer verschillende (afwisselende of aanvullende) functies, ingedeeld naar de hoofdfunctie die kenmerkend is voor het complex.”
Uit de GS-toelichting bij deze aantekening 3 op afdeling XVI kan vervolgens worden afgeleid dat aan een beroep op deze aantekening (in het Engels: ‘note’) niet wordt toegekomen wanneer het apparaat in kwestie onder een specifieke post valt. Ik citeer uit de authentieke Engelse tekst van de toelichting, waarbij de vette druk is overgenomen van het origineel:
“Note 3 to Section XVI need not be invoked when the composite machine is covered as such by a particular heading, for example, some types of air conditioning machines (heading 84.15).
(…)”
Ik leid hieruit af dat aan de vraag naar de hoofdfunctie van een (multifunctionele) machine alleen wordt toegekomen indien een machine in beginsel onder meer dan één tariefpost kan worden gebracht. Anders gezegd: indien voor een apparaat een ‘eigen’ post beschikbaar is, wordt niet toegekomen aan toetsing van de hoofdfunctie.
Ten aanzien van de [apparaten] moet derhalve eerst beoordeeld worden of zij onder één post indeelbaar zijn, dan wel of er twee posten in aanmerking (kunnen) komen. Dat brengt ons bij de in geding zijnde post(onderverdeling)en.
Tariefpost 8471 van de GN
Onder tariefpost 8471 van de GN, c.q. onderverdeling 8471 70 50 daarvan, waaronder de [apparaten] zijn aangegeven (zie punt 2.2 van deze conclusie) worden ingedeeld:
“8471 Automatische gegevensverwerkende machines en eenheden daarvoor; magnetische en optische lezers, machines voor het in gecodeerde vorm op dragers overzetten van gegevens en machines voor het verwerken van die gegevens, elders genoemd noch elders onder begrepen:
(…)
8471 70 - geheugeneenheden:
8471 70 20 -- geheugens van centrale eenheden
-- andere:
--- schijvengeheugeneenheden:
8471 70 30 ---- optische, magneto-optische daaronder begrepen
---- andere:
8471 70 50 ----- eenheden voor harde schijven
(…)”
De in postonderverdeling 8471 70 50 gehanteerde term ‘eenheden voor harde schijven’ kan de vraag oproepen of hiermee bedoeld zijn eenheden ten behoeve van harde schijven, of dat het gaat om de harde schijven zelf. Het Hof komt in punt 7.2 van zijn bestreden uitspraak aan de hand van een vergelijking van de Nederlandstalige postonderverdeling met die in andere taalversies tot de slotsom dat gedoeld moet zijn op ‘hardeschijfeenheden’, harde schijven dus. Ik deel die opvatting. Hoewel ik niet alle taalversies van de post heb gecheckt, laten de diverse taalversies waarnaar ik heb gekeken – Engels, Frans, Duits, Spaans, Italiaans en Zweeds (‘hard disk drives’, ‘unités de mémoire à disques durs’, ‘Festplattenspeichereinheiten’, ‘unidades de memoria de disco duro’; ‘unità di memoria a dischi rigidi’; ‘hårddiskenheter’) mijns inziens geen andere lezing toe.
Uit aantekening 5C op hoofdstuk 84 valt af te leiden dat onder tariefpost 8471 van de GN ook schijvengeheugeneenheden – waaronder ongetwijfeld hardeschijfeenheden vallen – kunnen worden gebracht, die niet uitsluitend of hoofdzakelijk worden gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem (de computer). Voorwaarde is dan wel dat deze schijvengeheugeneenheden op de centrale verwerkingseenheid kunnen worden aangesloten en in staat zijn om gegevens te ontvangen of te leveren in een vorm die bruikbaar is voor het systeem. Ik citeer de aantekening; de cursivering is van mijn hand:
“C. Met inachtneming van het bepaalde onder D en E hierna, wordt een eenheid als een deel van een compleet systeem aangemerkt, indien zij aan alle hierna omschreven voorwaarden voldoet, te weten:
1) zij moet van de soort zijn die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem;
2) zij moet, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenschakeling van een of meer andere eenheden, op de centrale verwerkingseenheid kunnen worden aangesloten, en
3) zij moet in staat zijn gegevens te ontvangen of te leveren in een vorm - codes of signalen - die bruikbaar is voor het systeem.
Afzonderlijk aangeboden eenheden van een automatische gegevensverwerkende machine worden onder post 8471 ingedeeld.
Toetsenborden, invoertoestellen met X-Y-coo¨rdinaten en schijvengeheugeneenheden die voldoen aan het bepaalde in onderdeel C, onder 2) en 3), hiervoor, zijn evenwel in alle gevallen in te delen als eenheden bedoeld bij post 8471.”
Gezien het voorgaande en in aanmerking nemende het arrest van 20 mei 2010, Data I/O, C-370/08, inzake de uitlegging van de in punt 3 van vorengeciteerde aantekening 5C bedoelde ‘gegevenslevering, en -ontvangst, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat een toestel met een harde schijf zoals de [apparaten], waarvan vaststaat dat zij een harde schijf hebben, onder tariefpost 8471 van de GN valt.
Lijkt gerechtvaardigd.
Aantekening 5E op hoofdstuk 84, welke aantekening bij de uitlegging van aantekening 5C in acht moet worden genomen, zou mijns inziens namelijk roet in het eten kunnen gooien. Die aantekening schrijft namelijk voor dat apparaten met een automatische gegevensverwerkende machine of die daarmee in samenhang worden gebruikt en die een eigen functie hebben (anders dan automatische gegevensverwerking) buiten het bereik van tariefpost 8471 van de GN vallen. Aantekening 5E luidt:
“E. Machines die een automatische gegevensverwerkende machine bevatten of daarmede in samenhang worden gebruikt en die een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking, vervullen, worden ingedeeld onder de post die overeenkomstig hun functie in aanmerking komt of, bij ontbreken daarvan, onder een sluitpost.”
Aantekening 5E is voorzien van een GS-toelichting, waarin het bepaalde in de aantekening als volgt wordt geadstrueerd (vetgedrukte tekst conform origineel, cursivering van mijn hand):
“(E) MACHINES INCORPORATING OR WORKING IN CONJUCTION WITH AN AUTOMATIC DATA PROCESSING MACHINE AND PERFORMING A SPECIFIC FUNCTION
(…)
In accordance with the provisions of Note 5(e) to Chapter 84, the following classification principles should be applied in the case of a machine incorporating or working in conjunction with an automatic data processing machine, and performing a specific function:
(1) A machine incorporating an automatic data processing machine and performing a specific function other than data processing is classifiable in the heading corresponding to the function of that machine or, in the absence of a specific heading, in a residual heading, and not in heading 84.71.
(…)”
Hetzelfde vinden we in de GS-toelichting op tariefpost 8471. Ik citeer de relevante passages uit deze toelichting in de authentieke Engelse taalversie. De vette druk is afkomstig uit het origineel, de cursivering is van mijn hand:
“(I) AUTOMATIC DATA PROCESSING MACHINES AND UNITS THEREOF
(…)
This heading also covers separately presented constituent units of automatic data processing systems described above.
However, the heading excludes machines, instruments or apparatus incorporating or working in conjunction with an automatic data processing machine and performing a specific function. Such machines, instruments or apparatus are classified in the headings appropriate to their respective functions or, failing that, in residual headings (…).
(…)
(B) SEPARATELY PRESENTED UNITS
Subject to the provisions of Notes 5 (D) and (E) to this Chapter, this heading also covers separately presented constituent units of automatic data processing systems. (…) Constituent units are those defined in Part (A) above and in the following paragraphs, as being parts of a complete system.
An apparatus can only be classified in this heading as a unit of an automatic data processing system if it:
(a) Performs a data processing function;
(b) Meets the following criteria set out in Note 5 (C) to this Chapter:
(i) It is of a kind solely or principally used in an automatic data processing system;
(ii) It is connectable to the central processing unit either directly or through one or more units; and
(iii) It is able to accept or deliver data in a form (codes or signals) which can be used by the system.
(c) It is not excluded by the provisions of Notes 5 (D) and (E) to this Chapter.
In accordance with the last paragraph of Note 5 (C) to this Chapter, keyboards, X-Y co-ordinate input devices and disc storage units which satisfy the conditions of items (b) (ii) and (iii) above, are in all cases to be classified as constituent units of data processing systems.
If the unit performs a specific function other than data processing, it is to be classified in the heading appropriate to that function or, failing that, in a residual heading (see Note 5 (E) to this Chapter). If an apparatus does not meet the criteria set out in Note 5 (C) to this Chapter, or is not performing a data processing function, it is to be classified according to its characteristics by application of General Interpretative Rule 1, if necessary in combination with General Interpretative Rule 3 (a).
(…)”
In verschillende arresten overwoog het HvJ dat met aantekening 5E is beoogd te verhinderen dat apparaten met een andere functie dan gegevensverwerking, worden ingedeeld in tariefpost 8471, enkel omdat zij in samenhang met een automatische gegevensverwerkende machine worden gebruikt. Ik citeer uit het arrest van arrest van 19 februari 2009, Kamino International Logistics, C-376/07 (hierna: het arrest Kamino):
“38. Bovendien blijkt uit de algemene opzet en het doel van aantekening 5, E, op hoofdstuk 84 dat de daarin vermelde woorden “worden ingedeeld onder de post die overeenkomstig hun functie in aanmerking komt” er niet toe strekken, aan een functie van het in te delen apparaat voorrang te verlenen boven andere functies, die onder gegevensverwerking vallen, maar beogen te verhinderen dat apparaten met een andere functie dan gegevensverwerking worden ingedeeld onder post 8471 om de enkele reden dat zij een automatische gegevensverwerkende machine bevatten of in samenhang daarmee worden gebruikt (arrest van 11 december 2008, Kip Europe e.a., C-362/07 en C-363/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33).”
Uit het voorgaande volgt dat de indeling van de [apparaten] in post 8471 van de GN staat of valt met het antwoord op de vraag of zij – naast gegevensverwerking – een eigen functie hebben. Ik meen dat dit het geval is. Het komt mij voor dat de [apparaten] de functie hebben van een apparaat als bedoeld in tariefpost 8521.
Tariefpost 8521 van de GN
Tariefpost 8521 van de GN c.q. onderverdeling 8521 90 00 daarvan betreft:
“8521 Video-opname- en videoweergaveapparaten, ook indien met ingebouwde videotuner:
8521 10 - werkend met magneetbanden:
(…)
8521 90 00 - andere”
Anders dan belanghebbende – als ik haar eerste middel goed lees – voorstaat, gaat het bij de hier bedoelde producten niet om apparaten die kunnen opnemen én weergeven, maar betreft de post zowel apparaten die kunnen opnemen als apparaten die kunnen weergeven (als apparaten die beide kunnen). Voor toepasbaarheid van de post is derhalve niet vereist dat een apparaat zowel opneemt als weergeeft.
Voor zover daarover twijfel mocht bestaan, wordt deze mijns inziens weggenomen door andere taalversies van de post. Ik citeer de Engelse, Franse en Duitse teksten: “video recording or reproducing apparatus”, “appareils d’enregistrement ou de reproduction vidéophoniques” en “Videogeräte zur Bild- und Tonaufzeichnung oder –wiedergabe”. Daarnaast valt te wijzen op de beschikking van het HvJ van 9 december 2010, KMB Europe, C-193/10, inzake de indeling van een MP3-speler:
“De tekst van GN-post 8521 verwijst naar video-opname- “of” videoweergaveapparaten. MP3-spelers als in het hoofdgeding kunnen dus niet worden geacht te zijn uitgesloten van de werkingssfeer van deze post alleen op grond dat zij video’s alleen kunnen weergeven en niet kunnen opnemen.”
Ook de GS-toelichting op hoofdstuk 85 - voor de onderhavige kwestie relevante aantekeningen zijn er niet - heeft het over ‘recorders or reproducers’:
“(4) Instruments and appliances for recording or reproducing sound; video recorders or reproducers; parts and accessories for such instruments and appliances (headings 85.19 to 85.22).”
De GS-toelichting op tariefpost 8521, ten slotte, kent een afzonderlijke paragraaf voor ‘reproducing apparatus’, dat ik hierna citeer (vetgedrukt origineel):
“(B) REPRODUCING APPARATUS
These apparatus are designed only to reproduce images and sound directly on a television receiver. The media to be used in these instruments are prerecorded mechanically, magnetically or optically on special recording equipment. The following are examples of such apparatus:
(1) Apparatus using discs in which the image and sound data are stored on the disc by various methods and picked up by a laser optical reading system, capacitive sensor, pressure sensor or magnetic head. Subject to Note 3 to Section XVI, apparatus which are capable of reproducing both video and audio recordings are to be classified in this heading.
(2) Apparatus that decodes and converts into a video signal image data recorded on a light sensitive film (the sound being recorded by a magnetic process on the same film).
(…)”
Het staat vast (zie punt 2.3 van deze conclusie) dat de [apparaten] de objectieve eigenschappen en kenmerken hebben van een toestel waarmee beelden kunnen worden weergegeven. De vaststaande feiten laten mijns inziens daaromtrent geen onduidelijkheid bestaan. De video-, muziek- en fotobestanden kunnen op een televisie- of videomonitor worden weergegeven. Daarmee hebben de [apparaten] mijns inziens buiten twijfel een eigen functie, andere dan gegevensverwerking. Hieruit vloeit voort dat de [apparaten] - op grond van aantekening 5E bij hoofdstuk 84 niet onder tariefpost 8471 van de GN (kunnen) vallen.
Aan toepassing van aantekening 3 op afdeling XVI, geciteerd in punt 6.2 van deze conclusie, kom ik – anders dan het Hof – derhalve niet toe.
De slotsom is dan dat het eerste middel faalt, terwijl het tweede en vierde middel waarin wordt geklaagd over ’s Hofs oordeel omtrent de hoofdfunctie van de [apparaten] geen behandeling behoeven.
Resteert nog het derde middel dat de toepasbaarheid van de ITA aan de orde stelt en - voor zover het op dit middel betrekking heeft - het vierde middel.
7 ITA
Bij de bespreking van de toepasbaarheid van de ITA – Information Technology Agreement – spelen twee aspecten een rol: in de eerste plaats is het de vraag of een marktdeelnemer als belanghebbende rechtstreeks een beroep op de ITA kan doen, en in de tweede plaats rijst de vraag of apparaten als de onderhavige onder het bereik van de ITA vallen en daarom vrij van rechten moeten (kunnen) worden ingevoerd. De voorvraag is echter wat de ITA is.
De WTO en de ITA
De ITA behoort tot de overeenkomsten die in het kader van de World Trade Organization (hierna: WTO) door de EU zijn ondertekend. De WTO, sinds 1 januari 1995 de ‘opvolger’ van de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT), is een intergouvernementele organisatie die erop is gericht om de internationale handel te stimuleren, het verlagen of afschaffen van invoerrechten en andere heffingen, handelsbarrières op te heffen en handelsconflicten te beslechten.
De ITA bestaat uit de ministeriële verklaring inzake de handel in informatietechnologieproducten en de bijlagen en aanhangsels daarbij. Zij is op 13 december 1996 in Singapore vastgesteld op de eerste conferentie van de WTO. De overeenkomstsluitende partijen, waaronder de EU en haar lidstaten (zie punt 7.2.5 hierna), verbonden zich bij de ITA om de douanerechten, en andere rechten en heffingen op informatietechnologieproducten tegen het jaar 2000 af te schaffen. Dit omwille van de liberalisering van de handel in informatietechnologieproducten. Aan voormelde ministeriële verklaring ontleen ik in dit verband het volgende:
“(…)
1. Each party’s trade regime should evolve in a manner that enhances market access opportunities for information technology products.
2. Pursuant to the modalities set forth in the Annex to this Declaration, each party shall bind and eliminate customs duties and other duties and charges of any kind, within the meaning of Article II:1(b) of the General Agreement on Tariffs and Trade 1994, with respect to the following:
(a) all products classified (or classifiable) with Harmonized System (1996) (“HS”) headings listed in Attachment A to the Annex to this Declaration; and
(b) all products specified in Attachment B to the Annex to this Declaration, whether or not they are included in Attachment A;
(…)”
In Attachment A, waarover in het hiervoor geciteerde onderdeel (a) wordt gesproken omvat een lijst van tariefposten van het GS (in de citaten hierna aangeduid als HS) c.q. goederen, die in het licht van de ITA als technologieproducten moeten worden aangemerkt en vrij van rechten zijn. Voor zover hier van belang zijn in deze lijst opgenomen (vetgedrukt conform origineel):
|
“HS 96 |
HS description |
|
|
(…) |
(…) |
(…) |
|
8471 |
Automatic data processing machines and units thereof; magnetic or optical readers, machines for transcribing data onto data media in coded form and machines for processing such data, not elsewhere specified or included: |
|
|
8471 |
10 |
Analogue or hybrid automatic data processing machines |
|
8471 |
30 |
Portable digital automatic data processing machines, weighing no more than 10 kg, consisting of at least a central processing unit, a keyboard and a display |
|
8471 |
41 |
Other digital automatic data processing machines comprising in the same housing at least a central processing unit and a input and output unit, whether or not combined |
|
8471 |
49 |
Other digital automatic data processing machines presented in the form of systems |
|
8471 |
50 |
Digital processing units other than those of subheading 8471 41 and 8471 49, whether or not in the same housing one or two of the following types of units: storage units, input units, output units |
|
8471 |
60 |
Input or output units, whether or not containing storage units in the same housing |
|
8471 |
70 |
Storage units, including central storage units, optical disk storage, hard disk drives and magnetic tape storage units |
|
8471 |
80 |
Other units of automatic data processing machines |
|
8471 |
90 |
Other |
|
(…) |
(…) |
(…)” |
Bijlage B bij de ITA bevat een lijst met producten ‘to be covered by this agreement [MvH: ITA] wherever they are classified in the HS’ waaronder, voor zover relevant (vetgedrukt origineel):
“(…)
Proprietary format storage devices including media therefore for automatic data processing machines, with or without removable media and whether magnetic, optical or other technology, including Bernoulli Box, Syquest, or Zipdrive cartridge storage units.
(…)”
Bij Besluit 97/359/EG van 24 maart 1997 betreffende afschaffing van de rechten op informatietechnologieproducten heeft de Raad de ITA namens de EU goedgekeurd. Overeenkomstig de ITA heeft de EU de rechten op informatietechnologieproducten gefaseerd afgeschaft, en wel op 1 juli 1997, 1 januari 1998, 1 januari 1999 en 1 januari 2000.
Het is vaste rechtspraak van het HvJ dat een ‘gemeenschapshandeling’ alleen aan WTO-overeenkomsten – waaronder de ITA – wordt getoetst wanneer de EU uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van WTO-overeenkomsten verwijst. Ik citeer uit het arrest van het HvJ van 1 maart 2005, Léon van Parys, C-377/02 (hierna: het arrest Van Parys) (dat overigens niet handelde over technologieproducten, maar over bananen) en de daarin genoemde arresten (mijn cursivering):
“39. In dit verband is het vaste rechtspraak dat de WTO-overeenkomsten, gelet op de aard en de opzet ervan, in beginsel niet behoren tot de normen waaraan het Hof de wettigheid van de handelingen van de gemeenschapsinstellingen toetst (arrest van 23 november 1999, Portugal/Raad, C-149/96, Jurispr. blz. I-8395, punt 47; beschikking van 2 mei 2001, OGT Fruchthandelsgesellschaft, C-307/99, Jurispr. blz. I -3159, punt 24; arresten van 12 maart 2002, Omega Air e.a., C-27/00 en C-122/00, Jurispr. blz. I-2569, punt 93; 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad, C-76/00 P, Jurispr. blz. I-79, punt 53, en 30 september 2003, Biret International/Raad, C-93/02 P, Jurispr. blz. I-10497, punt 52).
40. Slechts ingeval de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO-overeenkomsten verwijst, staat het aan het Hof de wettigheid van de betrokken gemeenschapshandeling aan de WTO-regels te toetsen (zie, wat de GATT 1947 betreft, arresten van 22 juni 1989, Fediol/Commissie, 70/87, Jurispr. blz. 1781, punten 19-22, en 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C-69/89, Jurispr. blz. I-2069, punt 31, en wat de WTO-overeenkomsten betreft, reeds aangehaalde arresten Portugal/Raad, punt 49, en Biret International/Raad, punt 53).”
Voor een recenter voorbeeld uit de rechtspraak van het HvJ zij nog gewezen op het arrest van 17 januari 2013, Hewlett-Packard, C-361/11 (hierna: arrest Hewlett-Packard) over de indeling van multifunctionele printers die zijn vervaardigd door samenvoeging van een laserprintmodule en een scanmodule. Het HvJ herhaalde daarin (met mijn cursivering):
“Volgens vaste rechtspraak van het Hof behoren de WTO-overeenkomsten, gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet tot de normen waaraan het Hof de wettigheid van handelingen van de instellingen van de Unie toetst. Slechts ingeval de Unie uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de handeling van de Unie uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO-overeenkomsten verwijst, dient het Hof de betrokken handeling aan de WTO-regels te toetsen teneinde de wettigheid ervan na te gaan (…).”
In de zaak Hewlett-Packard deed dit laatste zich voor en was het HvJ van oordeel dat de EU uitvoering heeft willen geven aan de door het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO (het Dispute Settlement Body, hierna: DSB) aangenomen verslagen van het WTO-panel. Aan daadwerkelijke toetsing aan de WTO kwam het HvJ overigens niet toe omdat de termijn waarbinnen de EU haar recht in overeenstemming moest brengen met de aanbevelingen of de beslissingen van het DSB nog niet was verstreken ten tijde van het doen van de aangiften (zie punt 58 tot en met 60 van het arrest Hewlett-Packard).
Zie ik het goed, dan geldt als uitgangspunt dat getoetst moet worden aan het WTO-recht wanneer duidelijk is dat de EU uitvoering heeft willen geven aan een WTO-verplichting. Het lijkt mij dat dit het geval is waar het gaat om de in de ITA neergelegde afspraken omtrent het tot nihil terugbrengen van douanerechten op de onder de ITA vallende producten. Daarmee is overigens niet gezegd dat een particulier voor een rechterlijke instantie de ongeldigheid van een gemeenschapshandeling wegens strijdigheid met WTO-overeenkomsten kan inroepen. In zijn arrest van 10 november 2011, X en X BV, in de gevoegde zaken C-319/10 en C-320/10 (bevroren en gezouten kippenvlees zonder been) overwoog het HvJ, na onder verwijzing naar het arrest Van Parys, te hebben herhaald dat hij alleen de wettigheid van een gemeenschapsregeling aan de WTO toetst indien de EU uitvoering heeft willen gegeven aan een in het kader van de WTO aangegane verplichting (punt 35 van het arrest) (met mijn cursivering):
“36. Het Hof heeft gepreciseerd dat een marktdeelnemer, gelet op de bijzondere kenmerken van het stelsel voor geschillenbeslechting binnen de WTO, dat een belangrijke plaats inruimt voor onderhandelingen tussen partijen, voor een rechterlijke instantie van een lidstaat niet kan aanvoeren dat een regeling van de Unie onverenigbaar is met bepaalde WTO-regels, ook al heeft het DSB verklaard dat deze regeling onverenigbaar is met deze regels en is de redelijke termijn verstreken die in het kader van het bij de WTO-overeenkomsten opgezette stelsel voor geschillenbeslechting aan de Unie is verleend om deze uitspraak na te leven (zie in die zin arrest Van Parys, reeds aangehaald, punt 54).
37. Een marktdeelnemer kan evenmin voor de Unierechter aanvoeren dat een regeling van de Unie onverenigbaar is met een uitspraak van het DSB. Er kan immers in beginsel geen fundamenteel onderscheid worden gemaakt tussen de aanbevelingen of uitspraken van het DSB waarbij wordt vastgesteld dat de regels van de WTO niet in acht zijn genomen, ongeacht de juridische draagwijdte ervan, en de materiële regels waarin uitdrukking wordt gegeven aan de door een lid in het kader van de WTO aangegane verplichtingen. Een aanbeveling of een uitspraak van het DSB waarbij is vastgesteld dat deze regels niet in acht zijn genomen, kan dus, althans buiten de in punt 35 van het onderhavige arrest bedoelde gevallen, evenmin als de materiële regels van de WTO-overeenkomsten voor de Unierechter worden aangevoerd om uit te maken of een regeling van de Unie onverenigbaar is met deze aanbeveling of uitspraak (zie naar analogie arrest van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C-120/06 P en C-121/06 P, Jurispr. blz. I-6513, punten 127-129).”
Een rechtstreeks beroep lijkt derhalve niet mogelijk. Dat neemt niet weg dat het HvJ – in een tweetal arresten waarin juist de ITA centraal stond – wel degelijk rekening houdt met WTO-overeenkomsten bij de uitlegging van Europees, afgeleid recht. Ik doel hier op de arresten van het HvJ van 14 april 2011, British Sky Broadcasting en Pace, in de gevoegde zaken C-288/09 en C-289/09 (hierna: arrest British Sky) en van 22 november 2012, Digitalnet OOD e.a., in de gevoegde zaken C-320/11, C-330/11, C-382/11 en C-383/11 (hierna: arrest Digitalnet).
7.2.10.1 In het arrest British Sky overwoog het HvJ in punt 83 (cursivering MvH):
“Voorts is het van belang eraan te herinneren dat volgens vaste rechtspraak, ook al roepen de bepalingen van een overeenkomst als ITA voor de particulieren geen rechten in het leven waarop zij zich krachtens het Unierecht rechtstreeks voor de rechter kunnen beroepen, wanneer een Unieregeling op een bepaald gebied bestaat, gebiedt de voorrang van door de Unie gesloten internationale overeenkomsten op teksten van afgeleid recht deze laatste voor zover mogelijk overeenkomstig deze overeenkomsten uit te leggen (zie in die zin arresten van 10 september 1996, Commissie/Duitsland, C-61/94, Jurispr. blz. I-3989, punt 52, en 6 juli 2010, Monsanto Technology, C-428/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 72).”
7.2.10.2 In dezelfde zin punt 39 van het arrest Digitalnet (cursivering MvH):
“Volgens (…) vaste rechtspraak geldt dat de voorrang van door de Unie gesloten internationale overeenkomsten op teksten van afgeleid recht gebiedt dat deze teksten voor zover mogelijk conform deze overeenkomsten worden uitgelegd, ook al roepen de bepalingen van een overeenkomst als de ITA voor particulieren geen rechten in het leven waarop zij zich krachtens het Unierecht rechtstreeks voor de rechter kunnen beroepen, wanneer een Unieregeling op het betrokken gebied bestaat (…).”
Met het oog op het voorgaande lijkt het mij dat de - voor de onderhavige jaren op Verordeningen (EG) nr. 1549/2006 en Verordening (EG) nr. 1214/2007 gebaseerde indelingen en indelingsregels - gebaseerde Europese regelgeving zoveel mogelijk conform de voorschriften van de ITA moet worden uitgelegd, ook waar het gaat om de onderhavige [apparaten]. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de [apparaten] vrij van rechten kunnen worden ingevoerd.
Naar ik betoogde in onderdeel 6 van deze conclusie, zijn de [apparaten] niet in te delen in tariefpost 8471. Dat betekent dat zij in ieder geval niet met (overeenkomstige toepassing van) bijlage A bij de ITA vrij van rechten zijn. Dan resteert nog de vraag of zij mogelijk onder bijlage B van de ITA kunnen worden gebracht. Van de in deze bijlage bedoelde goederen, die onder het bereik van de ITA vallen ongeacht hun indeling (zie punt 7.2.4 van deze conclusie) komt mogelijk in aanmerking de ‘Proprietary format storage devices (…) for automatic data processing machines’.
Rechtbank en Hof hebben geoordeeld dat de [apparaten] niet hieronder vallen omdat belanghebbende tegenover de betwisting daarvan door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de [apparaten] bestemd zijn voor ‘automatic data processing machines’.
Gelet op de gedingstukken en hetgeen partijen hebben aangevoerd, acht ik het niet onbegrijpelijk, - en overigens verweven met vaststellingen van feitelijke aard -, dat het Hof en de Rechtbank hebben geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de [apparaten] onder bijlage B van de ITA kunnen worden gebracht. Het derde middel en voor zover het daarop betrekking heeft, het vierde middel, falen mijns inziens.
8 Recapitulatie van de cassatiemiddelen
Uit hetgeen ik in onderdeel 6 heb betoogd, volgt dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden. Het Hof heeft – wat er zij van de door hem gebezigde gronden – mijns inziens terecht geoordeeld dat de [apparaten] moeten worden ingedeeld onder tariefpost 8521 90 00 van de GN.
Het derde middel en het vierde middel - voor zover het vierde middel betrekking heeft op de ITA - falen, gelet op hetgeen ik in onderdeel 7 heb betoogd, eveneens.
Het tweede en het vierde middel - voorzover het laatstgenoemde middel betrekking heeft op de toepassing van aantekening 3 op afdeling XVI - kunnen evenmin tot cassatie leiden. Mijns inziens wordt – anders dan het Hof heeft aangenomen, – niet toegekomen aan aantekening 3 op afdeling XVI, waartegen deze middelen opkomen.
9 Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
L 336, blz. 1: “Overwegende dat de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, met inbegrip van de bijlagen daarvan, niet van dien aard is dat men er zich rechtstreeks voor de rechterlijke instanties van de Gemeenschap of de Lid-Staten op kan beroepen (…)”. In de bijlagen was destijds (nog) niet de ITA vermeld. Zie ook P.J.G. Kapteyn in Kapteyn & VerLoren van Themaat, The Law of the European Union and the European Communities, Kluwer Law International, 2008, blz. 519-523. Rechtbank Haarlem had in haar verzoek om een prejudiciële beslissing overigens benadrukt dat Hewlett-Packard van mening is dat de ITA van toepassing was. Zie punt 33 van dat arrest. MvH: Door middel van verordening (EU) nr. 620/2011 van de Commissie van 24 juni 2011, PB L 166, blz. 16. Zie punt 59 van het Hewlett-Packard arrest. Opvalt dat dit arrest is gewezen vóór het eerder aangehaalde arrest X (kippenvlees).