Arbeidsrecht
Arbeidsovereenkomst. Uitleg van huishoudelijk reglement. Cao-norm.
ECLI:NL:PHR:2026:749 · Parket bij de Hoge Raad · 7 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/arbeidsrecht/ecli-nl-phr-2026-749
Zaakgegevens
Op 7 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 26/00123
- Rechtsgebied
- Civiel recht Arbeidsrecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:749
Samenvatting
Arbeidsovereenkomst. Uitleg van huishoudelijk reglement. Cao-norm.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00123
Zitting 7 augustus 2026
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[verzoeker]
tegen
Stichting Bospop
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [verzoeker] respectievelijk Stichting Bospop.
1 Inleiding en samenvatting
Deze zaak gaat over de uitleg van een huishoudelijk reglement. Stichting Bospop heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] , die zowel werknemer is als lid van het managementteam van de stichting. In het huishoudelijk reglement van Stichting Bospop staat dat leden van het managementteam onder meer kunnen worden ontslagen door een eenparig besluit van het managementteam in een daartoe bijeengeroepen vergadering waarin alle managementteam aanwezig zijn, met uitzondering van de leden wier ontslag ter discussie staat. Volgens datzelfde reglement kunnen leden van het managementteam ook worden ontslagen bij meerderheidsbesluit van een speciaal daartoe bijeengeroepen vergadering van alle bestuurs- en managementteamleden, met uitzondering van de managementteamleden wier ontslag ter discussie staat. Tussen partijen is in geschil of voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] een dergelijk besluit conform het huishoudelijk reglement vereist is, dan wel dat deze regeling alleen ziet op ontslag in de hoedanigheid van managementteamlid (en niet op ontslag als werknemer).
Het hof heeft op grond van een uitleg van het huishoudelijk reglement naar objectieve maatstaven geoordeeld dat de regeling in het huishoudelijk reglement uitsluitend betrekking heeft op ontslag in de hoedanigheid van managementteamlid en niet op ontslag als werknemer.
In cassatie richt [verzoeker] tegen de beschikking van het hof diverse klachten. Mijns inziens slagen die klachten niet en kan de zaak met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan.
2 Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
(i) Stichting Bospop is een stichting die als statutaire doelstelling heeft het organiseren van culturele activiteiten, met de nadruk op muzikale activiteiten. Stichting Bospop organiseert het jaarlijks terugkerende driedaagse festival ‘Bospop Weert’. Dit festival is in de jaren ‘80 voor het eerst georganiseerd door [bestuurslid 1] (hierna: [bestuurslid 1] ). Hij is een van de bestuursleden van Bospop en hij is tevens festivaldirecteur.
(ii) [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1981, is sinds medio 2000 als vrijwilliger actief geweest voor Stichting Bospop. Op 18 december 2021 is een schriftelijke vrijwilligersovereenkomst tot stand gekomen. Deze is bij addendum van 22 maart 2022 aangevuld. Stichting Bospop heeft deze vrijwilligersovereenkomst opgezegd bij brief van 5 september 2024 tegen 5 december 2024.
(iii) [verzoeker] is middellijk bestuurder en enig aandeelhouder van Slampaq Solutions B.V. (hierna: Slampaq). Deze vennootschap heeft op 15 maart 2017 een zogenaamde barter-/sponsorovereenkomst met Stichting Bospop gesloten. De samenwerking uit hoofde van deze overeenkomst heeft tot en met de festivaleditie van juli 2023 voortgeduurd. Stichting Bospop en Slampaq hebben onder andere een geschil over de door Slampaq geregistreerde domeinnaam [website] .
(iv) [verzoeker] is naast zijn activiteiten uit hoofde van de hiervoor genoemde overeenkomsten, op 1 juli 2022 voor acht uur per week op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Stichting Bospop in dienst getreden. De functie van [verzoeker] is Manager Marketing, Communicatie & IT. Hij ontvangt een salaris van € 840,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld en andere emolumenten. Artikel 1.5 van de arbeidsovereenkomst luidt:
‘1.5. Op deze overeenkomst is het BW alsmede het Huishoudelijk en Organisatie reglement van toepassing. Indien nu of in de toekomst in deze aanpassingen zijn, dan blijven zij onverkort van toepassing en is het een geïntegreerd en onverbrekelijk onderdeel van deze overeenkomst. Werknemer verklaart in te stemmen met het Huishoudelijk en Organisatie reglement en hiervan vooraf een kopie te hebben ontvangen.’
(v) [verzoeker] maakt deel uit van het managementteam van Stichting Bospop. Het managementteam bestaat, naast [verzoeker] , uit drie bestuursleden, [bestuurslid 1] , en een aantal andere personen. In artikel 1.5 van de arbeidsovereenkomst is het Huishoudelijk en Organisatie reglement van Stichting Bospop (hierna: het huishoudelijk reglement) van toepassing verklaard. De aanhef daarvan luidt:
‘DOEL, REIKWIJDTE EN VASTSTELLING HUISHOUDELIJK REGLEMENT
Door middel van dit huishoudelijk reglement wordt nadere invulling gegeven aan de taken, de verantwoordelijkheden en wijze van toezichthouden van de toezichthouder, het bestuur, het managementteam en de werkgroepen van de stichting Bospop. Dit reglement is opgesteld met in achtneming van de wettelijke bepalingen, de Governance-code cultuur 2019, alsmede de statutaire bepalingen van de stichting en beoogt hierop een aanvulling te zijn. Bij strijd tussen dit reglement en de statuten, prevaleren de statuten.’
Artikel 10 van het huishoudelijk reglement luidt, voor zover hier van belang:
‘Artikel 10.
1. Het managementteam:
(…)
- Het managementteam is, onder leiding van de festival directeur, verantwoordelijk voor de uitvoering van de evenementen van de stichting. Per evenement zal een apart managementteam gevormd worden;
(…)
- Nieuwe managementteamleden worden benoemd bij acclamatie door de voorzitter/toezichthouder dan wel zijn/haar plaatsvervanger, of na schriftelijke verkiezing, beide op een reguliere bestuursvergadering. (…)
- De leden van het managementteam kunnen in aanmerking komen voor een bezoldiging voor hun werkzaamheden. Zij hebben ook recht op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte kosten;
(…)
- Managementteam-leden kunnen worden ontslagen bij eenparig besluit van het bestuur in een speciaal daartoe bijeengeroepen vergadering, waarin alle bestuursleden tegenwoordig zijn;
- Managementteam-leden kunnen ook worden ontslagen bij eenparig besluit van het managementteam in een speciaal daartoe bijeengeroepen vergadering, waarin alle managementteam uitgezonderd de te ontslaan managementteam-leden tegenwoordig zijn.’
- Managementteam-leden kunnen ook worden ontslagen bij een besluit met volstrekte meerderheid van de bestuursleden en overige managementteam-leden in een speciaal daartoe bijeengeroepen vergadering, waarin alle bestuursleden en managementteamleden, uitgezonderd de te ontslaan managementteam-leden tegenwoordig zijn.’
(vi) Bij besluit van 13 maart 2021 heeft het bestuur van Stichting Bospop drie van haar acht bestuursleden, te weten [bestuurslid 2] , [bestuurslid 3] en [bestuurslid 4] , ontslagen. Bij vonnis van 30 november 2022 heeft de rechtbank Limburg dat besluit vernietigd. Bij arrest van 26 augustus 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dit vonnis vernietigd en, voor zover hier van belang, geoordeeld dat het besluit van 13 maart 2021 tot ontslag van [bestuurslid 2] , [bestuurslid 3] en [bestuurslid 4] als bestuurders van Stichting Bospop, rechtsgeldig is genomen.
(vii) Bij brief van 3 mei 2024 heeft Stichting Bospop aan [verzoeker] te kennen gegeven dat volgens een aantal bestuursleden sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. In deze brief heeft Stichting Bospop een voorstel gedaan voor een te volgen route om de relatie te herstellen, waarbij als eerste stap een mediationtraject is genoemd (waar [verzoeker] herhaaldelijk om heeft verzocht). Vervolgens heeft tussen [bestuurslid 1] en [verzoeker] een mediationtraject plaatsgevonden. Op 26 juli 2024 heeft de mediator formeel bericht dat de mediation is geëindigd.
(viii) Bij e-mail van 19 augustus 2024 zijn alle (acht) bestuursleden van Stichting Bospop uitgenodigd voor een bestuursvergadering op 28 augustus 2024, met als agendapunt onder andere: “Besluitvorming over ontbinding arbeidsovereenkomst en beëindiging vrijwilligersovereenkomst [verzoeker]”. In de notulen van die vergadering staat onder meer:
‘Genodigden van de Besloten bestuursvergadering.
- [bestuurslid 3]
- [bestuurslid 5]
- [bestuurslid 6]
- [bestuurslid 7]
- [bestuurslid 8]
- [bestuurslid 4]
- [bestuurslid 2]
- [bestuurslid 1]
(…)
Aanwezigen: Alle genodigde bestuursleden zijn aanwezig met uitzondering van voorzitter [bestuurslid 5] die zich bij de secretaris/penningmeester heeft afgemeld.
(…)
Punt 4: Besluitvorming over ontbinding arbeidsovereenkomst en beëindiging vrijwilligersovereenkomst [verzoeker]
‘Op 16 april hebben we in de bestuursvergadering een besluit genomen op [verzoeker] voorlopig op non-actief te stellen en een mediation traject te starten.
Mediation heeft plaatsgevonden bij Thuispartners in Heerlen op 9 en 26 juli op verzoek van [verzoeker] en helaas heeft dat geen resultaat gehad waardoor we nu moeten beslissen wat we met [verzoeker] gaan doen en voorstel is dat we opdracht gaan geven om een procedure te starten en om een verzoek in te dienen bij de rechtbank om tot ontbinding te komen van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] .
En om te besluiten tot opzegging van vrijwilligersovereenkomst.
[bestuurslid 2] : mediation heb jij die gedaan [bestuurslid 1] ? En?
[bestuurslid 1] : ik mag over de mediation niets vertellen. We komen er niet uit. Standpunten staan lijnrecht tegenover elkaar.
[bestuurslid 2] : ontbinden arbeidsovereenkomst op basis van welke grond. Volgens mij hoort daar iets aan ten grondslag.
[bestuurslid 1] : samenwerking is niet uit te voeren, in de vorige vergadering en ook in de notulen komt aan de orde waarom we [verzoeker] op non-actief stellen.
[bestuurslid 1] haalt nog een paar punten aan over de chantage en de situatie [verzoeker] .
[verzoeker] heeft al aangegeven dat hij een zaak zal gaan starten voor de imagoschade, hij eist excuses.
[bestuurslid 1] : ontslag zal ook wel een zaak worden. Ik denk dat je niet sterk staat. Rechter zal ook wel vragen wat heeft de stichting zelf gedaan.
[bestuurslid 2] : We hebben overleg met advocaat. VSO heeft hij geweigerd.
Wie is het er mee eens om procedure te starten? Stemmen?
[bestuurslid 2] : is het er niet mee eens om dat er geen dossier is.
Er wordt gestemd met handopsteken.
[bestuurslid 7] , [bestuurslid 8] , [bestuurslid 1] en [bestuurslid 6] : voor
[bestuurslid 3] , [bestuurslid 4] en [bestuurslid 2] : tegen om dat ze onvoldoende zijn geïnformeerd over de hele situatie
Bestuursbesluit met meerderheid van stemmen dat er een ontslagprocedure jegens [verzoeker] wordt gestart en een verzoekschrift zal worden ingediend bij de rechter om de arbeidsovereenkomst en de vrijwilligersovereenkomst te ontbinden
(…)’
Bij inleidend verzoekschrift van 5 september 2024 heeft Stichting Bospop verzocht om, kort gezegd, de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden. Bij eindbeschikking van 31 januari 2025 heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen.
In het door [verzoeker] ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij eindbeschikking van 16 oktober 2025 de beschikking van de kantonrechter vernietigd en onder meer beslist dat de arbeidsovereenkomst tussen Stichting Bospop en [verzoeker] eindigt met ingang van 1 december 2025 en dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding op grond van art. 7:673 BW.
De met het oog op het beroep in cassatie relevante dragende overwegingen van de beschikking van het hof kunnen als volgt worden samengevat:
a. Stichting Bospop klaagt met de grieven over het oordeel van de kantonrechter dat, voor het kunnen toewijzen van het ontbindingsverzoek, moet zijn voldaan aan de voorwaarden die artikel 10 van het huishoudelijk reglement aan ontslag van een lid van het managementteam stelt. Volgens Stichting Bospop ziet het bepaalde in artikel 10 lid 1 van het huishoudelijk reglement niet op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van managementteamleden zoals [verzoeker] , maar op de beëindiging van de functie als managementteamlid. (onder 3.6.1 en 3.6.2)
b. Stichting Bospop en [verzoeker] hebben in de arbeidsovereenkomst het huishoudelijk reglement daarop van toepassing verklaard. De tekst van het huishoudelijk reglement dient, gelet op de aard en strekking van het stuk, volgens de zogenoemde cao-norm te worden uitgelegd. (onder 3.6.3).
c. Uit de bewoordingen van de aanhef van het huishoudelijk reglement, in het licht van de gehele tekst, volgt dat het niet een personeelshandboek of arbeidsvoorwaardenreglement is, maar een nadere invulling van de taken en verantwoordelijkheden van het bestuur, de toezichthouder, het managementteam en de werkgroepen van Stichting Bospop. Stichting Bospop heeft onweersproken gesteld dat niet alle managementteamleden een arbeidsovereenkomst hebben. De bewoordingen ‘Managementteam-leden kunnen (ook) worden ontslagen (…)’ in artikel 10 lid 1 hebben in het licht van de gehele tekst van het huishoudelijk reglement naar het oordeel van het hof dan ook geen betrekking op besluiten tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een managementteamlid dat tevens werknemer is, maar uitsluitend op besluiten tot ontslag in hoedanigheid van managementteamlid – ongeacht of dat lid wel of niet ook werknemer is. Het systeem van ‘checks and balances’ wordt daarmee niet doorkruist. Dat het oordeel van het hof de mogelijkheid openlaat dat een werknemer wordt ontslagen als managementteamlid, maar daarna nog wel werknemer is, weegt minder zwaar. Daarvoor staat dan vervolgens de weg naar de kantonrechter open. Dat, zoals [verzoeker] betoogt, Stichting Bospop (kennelijk) aanvankelijk meende dat wel een besluit conform artikel 10 lid 1 was vereist, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat immers om uitleg naar objectieve maatstaven. (onder 3.6.4).
d. De conclusie is dat de grieven slagen en dat de kantonrechter ten onrechte het ontbindingsverzoek niet inhoudelijk heeft behandeld. (onder 3.6.6).
e. De devolutieve werking brengt mee dat het hof, nu het heeft geoordeeld dat de grieven 1-3 slagen en de kantonrechter ten onrechte niet aan inhoudelijke beoordeling van de zaak is toegekomen, het ontbindingsverzoek zal beoordelen. (onder 3.9).
f. Er is sprake van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. (onder 3.18-3.21).
Bij procesinleiding van 16 januari 2026 heeft [verzoeker] tijdig cassatieberoep ingesteld. Stichting Bospop heeft verweer gevoerd.
3 Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, waarvan het derde uitsluitend voortbouwklachten bevat.
Onderdeel 1 richt zich tegen de oordelen van het hof onder 3.6.3 en 3.6.4 van zijn beschikking:
‘3.6.3 Het hof oordeelt als volgt. Stichting Bospop en [verzoeker] hebben in de arbeidsovereenkomst het huishoudelijk reglement daarop van toepassing verklaard. Bij de uitleg van een schriftelijk contract zijn telkens alle omstandigheden van het concrete geval van beslissende betekenis, gewaardeerd naar wat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. De tekst van het huishoudelijk reglement dient, gelet op de aard en strekking van het stuk, volgens de zogenoemde cao-norm te worden uitgelegd – dat wil zeggen: naar objectieve maatstaven, dus de betekenis die volgt uit de bewoordingen van het stuk, in het licht van de gehele tekst. Ook kan acht worden geslagen op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden; vgl. HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687.
Uit de bewoordingen van de aanhef van het huishoudelijk reglement, in het licht van de gehele tekst, volgt dat het niet een personeelshandboek of arbeidsvoorwaardenreglement is, maar een nadere invulling van de taken en verantwoordelijkheden van het bestuur, de toezichthouder, het managementteam en de werkgroepen van Stichting Bospop. Zo komen begrippen als “arbeidsovereenkomst”, “werkgever” of “werknemer” in het huishoudelijk reglement (vrijwel) niet voor. Stichting Bospop heeft voorts onweersproken gesteld dat niet alle managementteamleden een arbeidsovereenkomst hebben. De bewoordingen “Managementteam-leden kunnen (ook) worden ontslagen (…)” in artikel 10 lid 1 hebben in het licht van de gehele tekst van het huishoudelijk reglement naar het oordeel van het hof dan ook geen betrekking op besluiten tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een managementteamlid dat tevens werknemer is, maar uitsluitend op besluiten tot ontslag in hoedanigheid van managementteamlid – ongeacht of dat lid wel of niet ook werknemer is. Het systeem van ‘checks and balances’ wordt daarmee niet doorkruist. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de door [verzoeker] voorgestane uitleg ertoe zou kunnen leiden dat in een vergadering waarin alle bestuursleden en managementteamleden aanwezig zijn (met uitzondering van het lid wiens ontslag is geagendeerd), door een meerderheid slechts bestaande uit managementteamleden die geen lid van het bestuur zijn, rechtsgeldig tot het arbeidsrechtelijke ontslag van een werknemer zou kunnen worden besloten (artikel 10 lid 1 laatste gedachtestreepje) – ook als het bestuur daar unaniem tegen zou stemmen. Dat rechtsgevolg is zodanig onaannemelijk dat het in de weg staat aan het volgen van de door [verzoeker] bepleite uitleg. Dat het oordeel van het hof de mogelijkheid openlaat dat een werknemer wordt ontslagen als managementteamlid, maar daarna nog wel werknemer is, weegt minder zwaar. Daarvoor staat dan vervolgens de weg naar de kantonrechter open. Dat, zoals [verzoeker] betoogt, Stichting Bospop (kennelijk) aanvankelijk meende dat wel een besluit conform artikel 10 lid 1 was vereist, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat immers om uitleg naar objectieve maatstaven. Anders dan [verzoeker] betoogt ligt in de grieven en de toelichting daarop besloten dat die zich mede richten tegen het oordeel van de kantonrechter dat [verzoeker] erop mocht vertrouwen dat Stichting Bospop “de in artikel 10 van het huishoudelijk reglement neergelegde route zou bewandelen”. Uit [verzoeker] betoog volgt ook dat hij dat zo heeft begrepen.’
Dat het huishoudelijk reglement aan de hand van de cao-norm moet worden uitgelegd, is ook volgens het middel juist. Volgens Subonderdeel 1.1 heeft het hof echter miskend dat gezien de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval een van die norm afwijkende uitleg moest worden toegepast.
Wat zijn die specifieke omstandigheden waarop [verzoeker] zich in feitelijke aanleg zou hebben beroepen? Het middel noemt er drie: (1) het huishoudelijk reglement is door (het bestuur van) Stichting Bospop zelf opgesteld; (2) drie bestuursleden van de Stichting Bospop hebben schriftelijk aangegeven dat het huishoudelijk reglement moet worden uitgelegd zoals de kantonrechter dit heeft gedaan; (3) Stichting Bospop heeft de door [verzoeker] verdedigde uitleg van artikel 10 lid 1 van het huishoudelijk reglement pas in hoger beroep betwist, waaruit volgt dat Stichting Bospop eerder ook zelf van die uitleg uitging.
Ik loop deze omstandigheden een voor een langs.
Als ik het goed zie is de klacht dat het hof heeft miskend dat gezien de omstandigheid dat het huishoudelijk reglement door (het bestuur van) Stichting Bospop zelf is opgesteld een van de cao-norm afwijkende uitleg moest worden toegepast, niet geheel in lijn met de inleiding die aan het subonderdeel voorafgaat. In die inleiding zegt de steller van het middel dat ook bij een uitleg waarin de cao-norm wordt toegepast contra proferentem als gezichtspunt mee mag wegen, dus de overweging dat een partij het uit te leggen geschrift heeft opgesteld zonder dat de andere partij invloed had op de in het geschrift gebruikte formuleringen. Hij voert aan dat in een arbeidsrechtelijke context dit bijzonder aanspreekt vanwege de hiërarchische ongelijkheid tussen werkgever en werknemer. Volgens de inleiding is het gezichtspunt contra proferentem dus een gezichtspunt dat past bij een uitleg naar objectieve maatstaven, terwijl volgens de klacht van het subonderdeel de omstandigheid dat het huishoudelijk reglement door (het bestuur van) Stichting Bospop zelf is opgesteld een van de cao-norm afwijkende uitleg rechtvaardigt.
Volgens de cao-norm worden niet-openbare stukken en andere voor derden niet-kenbare gegevens niet in aanmerking genomen, maar objectief kenbare feiten en omstandigheden wel. Zo vaak objectief kenbaar is wie de uit te leggen tekst heeft opgesteld, kan het gezichtspunt contra proferentem daarom mijns inziens binnen de cao-norm zelf toepassing vinden. Anders wordt het als niet objectief kenbaar is onder wiens verantwoordelijkheid de uit te leggen tekst tot stand is gekomen. Ik sympathiseer dus met de rechtsopvatting die de steller van het middel in de inleiding van het onderdeel verdedigt. Een welwillende lezing van subonderdeel 1.1 brengt mee dat ik daarin niet alleen de klacht lees dat het hof zou hebben miskend dat de omstandigheden dat het huishoudelijk reglement door (het bestuur van) Stichting Bospop zelf is opgesteld aanleiding kan zijn voor een van de cao-norm afwijkende uitleg, maar ook de klacht dat het hof heeft miskend dat die omstandigheid reeds bij een uitleg naar objectieve maatstaven gewicht in de schaal kan leggen.
Uitleg contra proferentem is intussen niet meer dan een gezichtspunt. Daarom valt niet vol te houden dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet de door [verzoeker] voorgestane uitleg te aanvaarden, ook als we ervan uitgaan dat [verzoeker] inderdaad in feitelijke aanleg er een beroep op heeft gedaan dat het huishoudelijk reglement door (het bestuur van) Stichting Bospop zelf is opgesteld (vergelijk hierna ?3.18 e.v.). Dat geldt zowel voor zover de strekking van de klacht is dat contra proferentem als gezichtspunt ook bij een uitleg naar objectieve maatstaven een rol kan spelen, als voor zover die strekking is dat de omstandigheid dat het huishoudelijk reglement door (het bestuur van) Stichting Bospop zelf is opgesteld een van de cao-norm afwijkende uitleg kan rechtvaardigen.
Dit laatste werk ik nog wat uit. De cao-norm houdt in dat als uitgangspunt alleen objectief kenbare feiten en omstandigheden bij de uitleg in aanmerking worden genomen. Op dat uitgangspunt kan in verband met de omstandigheden van het geval een uitzondering worden aanvaard. Tussen de cao-norm en uitleg volgens de Haviltex-maatstaf bestaat een vloeiende overgang. Het karakter van de uit te leggen rechtshandeling speelt in dit verband een rol. Op het uiterste van het spectrum bevindt zich de algemeen verbindend verklaarde cao. Een uitzondering op uitleg naar objectieve maatstaven laat zich ten aanzien van zo’n algemeen verbindend verklaarde cao nauwelijks denken, zomin als men zich kan voorstellen dat de wet anders dan volgens objectieve maatstaven wordt uitgelegd. Het huishoudelijk reglement van de Stichting Bospop bevindt zich zeker niet op datzelfde uiterste van het spectrum. Er bestaat dus zeker ruimte voor een uitzondering op het uitgangspunt van objectieve uitleg, maar dat wil vanzelfsprekend nog niet zeggen dat iedere potentieel relevante niet-objectieve omstandigheid die we kunnen bedenken ook tot een zodanige uitzondering dwingt. Zou dat zo zijn, dan was het uitgangspunt van objectieve uitleg niet langer uitgangspunt.
Het hof heeft zijn uitleg gebaseerd op in het bijzonder: (a) het karakter van het reglement (een nadere invulling van de taken en verantwoordelijkheden van het bestuur, de toezichthouder, het managementteam en de werkgroepen van Stichting Bospop), (b) het ontbreken in de tekst van begrippen als ‘arbeidsovereenkomst’, ‘werkgever’ of ‘werknemer’ en (c) de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de door [verzoeker] verdedigde tekstinterpretatie. Welnu, ook als we aannemen dat de omstandigheid dat een tekst door een van beide partijen is opgesteld en de andere partij op die tekst geen invloed heeft gehad, aanleiding kán geven tot een uitzondering op het uitgangspunt van uitleg naar objectieve uitleg, kon het hof zeer wel oordelen dat voor een zodanige aanleiding in concreto toch geen aanleiding bestond. De rechtsklacht van het subonderdeel stuit hierop af.
Ten aanzien van de andere omstandigheden waarop het subonderdeel een beroep doet (dat drie bestuursleden van de Stichting Bospop hebben verklaard dat het huishoudelijk reglement moet worden uitgelegd zoals de kantonrechter dit heeft gedaan en dat Stichting Bospop de door [verzoeker] verdedigde uitleg van artikel 10 lid 1 van het huishoudelijk reglement pas in hoger beroep heeft betwist), geldt geheel hetzelfde. Ook als we ervan uitgaan dat zulke omstandigheden onder omstandigheden een uitzondering op het uitgangspunt van uitleg naar objectieve maatstaven kúnnen rechtvaardigen, geldt dat het hof kon oordelen dat voor een zodanige uitzondering in concreto geen aanleiding bestond. Dat het hof zegt dat de omstandigheid dat, volgens [verzoeker] , Stichting Bospop (kennelijk) aanvankelijk meende dat wel een besluit conform artikel 10 lid 1 was vereist, niet tot een ander oordeel leidt, omdat het immers om uitleg naar objectieve maatstaven gaat (de op twee na laatste twee volzinnen van alinea 3.6.4), lees ik eenvoudig in die zin. Er bestaat mijns inziens geen aanleiding om daarin te lezen dat het hof ervan is uitgegaan dat een uitzondering op uitleg naar objectieve maatstaven categorisch niet mogelijk is.
Ten overvloede: de keuze voor een uitgangspunt van uitleg naar objectieve maatstaven brengt mee dat de niet-objectief kenbare feiten en omstandigheden die tot een uitzondering aanleiding geven wel een bijzonder gewicht moeten hebben. In abstracto laat dat ‘bijzonder gewicht’ zich moeilijk nader omschrijven, maar als ook zonder sprekende feiten van gewicht het uitgangspunt zou mogen worden verlaten, zouden we beter kunnen zeggen dat er niet een uitgangspunt van uitleg naar objectieve maatstaven geldt. In het arrest FNV/Condor somde uw Raad zes bijzondere feiten en omstandigheden op die in die zaak in onderlinge samenhang een uitzondering op het uitgangspunt van objectieve uitleg van het sociaal plan rechtvaardigden. Hiervoor heb ik welwillend willen zijn ten opzichte van [verzoeker] en zijn advocaat, maar als het erop aan zou komen, geloof ik niet dat ik de in het subonderdeel aangeduide omstandigheden als van enigszins vergelijkbaar gewicht zou kunnen achten dan bijvoorbeeld die in de zaak FNV/Condor.
In dit verband mag mijns inziens ook een rol spelen hoe eenduidig de uitkomst van een uitleg naar objectieve maatstaven is. Als die uitleg naar de waardering van de rechter kwestieus is, omdat alle objectief kenbare omstandigheden in aanmerking genomen meer dan één uitleg verdedigbaar is, eenvoudig omdat de tekst zo helder is als koffiedik, kan mijns inziens de drempel voor het bij uitzondering ook in aanmerking nemen van niet-objectief kenbare feiten en omstandigheden enigszins lager liggen, dan wanneer de objectief in aanmerking te nemen omstandigheden overtuigend tot een bepaalde uitleg leiden. Ik heb sterk de indruk dat naar de overtuiging van het hof dit laatste zich hier voordeed.
Het subonderdeel vermeldt nog de omstandigheid dat uitleg naar objectieve maatstaven hier ten nadele zou werken van de derde wiens belangen een uitleg naar objectieve maatstaven beoogt te beschermen (namelijk [verzoeker] ). Daarin ligt de suggestie dat sprake is van een ongerijmdheid. Die suggestie is echter niet juist. Dat uitleg naar objectieve maatstaven derden beschermt in verband met de omstandigheid dat zij bij de totstandkoming van de uit te leggen tekst niet betrokken waren en geen kennis dragen van de overwegingen zoals die bestonden bij degene(n) die die tekst opstelde(n), wil geenszins zeggen dat derden die een voor hen voordelige tekstinterpretatie verdedigen, altijd gelijk behoren te krijgen. Of zij gelijk hebben of niet hangt in plaats daarvan af van een objectieve waardering van de in aanmerking te nemen gegevens (gebruikte bewoordingen, samenhang, context, aannemelijkheid van rechtsgevolgen etc.).
Na de rechtsklachten van het subonderdeel presenteert de laatste alinea ons ook motiveringsklachten. Daarover het volgende.
Eerst de stelling dat het huishoudelijk reglement door (het bestuur van) Stichting Bospop zelf is opgesteld, wat de steller van het middel uitlegt in de zin van uitleg contra proferentem.
De rechter die over de feiten oordeelt zal het gezichtspunt contra proferentem eventueel ook zelfstandig, dus zonder dat er door een partij een beroep is gedaan, aan zijn uitlegoordeel ten grondslag mogen leggen, maar hij hoeft dat niet. Is inderdaad op dat gezichtspunt door partijen geen beroep gedaan en acht ook de rechter het voor de uitleg niet van overwegende betekenis omdat hij meent dat er andere, meer zwaarwegende argumenten voor de ene dan wel andere uitleg bestaan, dan is er voor deze rechter uiteraard geen aanleiding om over het (in concreto onbelangrijke) gezichtspunt in zijn motivering nog iets te zeggen. Is daarentegen op het gezichtspunt wél een beroep gedaan, dan ligt voor de hand dat de rechter daarop in zijn vonnis respondeert.
Heeft nu [verzoeker] in feitelijke aanleg op het gezichtspunt contra proferentem een beroep gedaan, zoals de motiveringsklacht veronderstelt? De stelling waarnaar de procesinleiding in cassatie verwijst is opgenomen in het verweerschrift in hoger beroep, en luidt als volgt:
‘Echter, ook dan blijft onbetwist vaststaan dat [verzoeker] erop mocht vertrouwen dat de route ex artikel 10 huishoudelijk reglement zo moest worden uitgelegd als [verzoeker] heeft betoogd en dat deze route zou moeten worden gevolgd, vóórdat een ontbindingsverzoek zou worden ingediend bij de kantonrechter: ook in de onverhoopte situatie dat met kennis achteraf, deze bepaling eventueel anders zou worden uitgelegd.
Vergelijk het vertrouwensbeginsel in het arbeidsrecht, meer specifiek dat naar vaste rechtspraak er zich allerlei situaties kunnen voordoen waarin een werknemer gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een toezegging namens een werkgever, ook indien achteraf zou blijken dat de toezegging is gedaan door een niet-bevoegde leidinggevende. Dat rechtsbeginsel is er – kort samengevat – dat de (on)bevoegdheid irrelevant is, daar waar de werkgever de schijn heeft gewekt dat de niet-bevoegde leidinggevende toch bevoegd was. Het vertrouwen dat werknemer heeft (gebaseerd op de door werkgever gewekte schijn) prevaleert dan boven de bevoegdheidsvraag. Dat beginsel geldt in deze casus natuurlijk des te zwaarder: [verzoeker] heeft niet zomaar op een mededeling van één persoon vertrouwd: zijn vertrouwen komt voort uit het bestaan van een huishoudelijk reglement, dat Bospop zelf is gemaakt en in de arbeidsovereenkomst van toepassing is verklaard. Indien Bospop achteraf zou willen betogen dat haar eigen huishoudelijk reglement niet geldig is of niet zo door haar is bedoeld – wat daar ook van zij – doet dat geen afbreuk aan het feit dat [verzoeker] heeft mogen vertrouwen op de inhoud ervan, op zijn minst omdat Bospop de schijn heeft gewekt dat de voorgeschreven route wél zou gelden.
Een en ander klemt des te meer, daar waar in deze procedure 3 bestuursleden van Bospop schriftelijk hebben aangegeven dat het huishoudelijk reglement zo moet worden uitgelegd, precies zoals dat de kantonrechter dat vervolgens heeft gedaan (KL02 en randnr. 12 veerweerschrift eerste aanleg).’
Het hof heeft deze passage niet opgevat als een beroep op het gezichtspunt contra proferentem, maar als een beroep op vertrouwen dat volgens [verzoeker] zou zijn gewekt door de proceshouding van de Stichting Bospop in eerste aanleg. Zie het begin van alinea 3.6.2 van de beschikking van het hof:
‘3.6.2. Volgens [verzoeker] staat voorop dat niet ter zake doet hoe het huishoudelijk reglement achteraf zou moeten worden uitgelegd. [verzoeker] mocht erop vertrouwen dat arbeidsrechtelijk ontslag onmogelijk zou zijn, zonder dat eerst een besluit in de zin van artikel 10 lid 1 van het huishoudelijk reglement zou zijn genomen. Daar waar Stichting Bospop er in eerste aanleg zelf óók nog van uitging dat artikel 10 lid 1 van het huishoudelijk reglement zo moest worden begrepen dat er eerst een dergelijk besluit nodig zou zijn alvorens arbeidsrechtelijk ontslag zou kunnen plaatsvinden, toont dat een uitleg naar Haviltex-leer (of naar CAO-norm-leer) tot de conclusie dient te leiden dat alle partijen hierin een arbeidsrechtelijke blokkade lazen.’
Naar aanleiding van het aldus verstane standpunt van [verzoeker] zegt het hof vervolgens in alinea 3.6.4:
‘Dat, zoals [verzoeker] betoogt, Stichting Bospop (kennelijk) aanvankelijk meende dat wel een besluit conform artikel 10 lid 1 was vereist, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat immers om uitleg naar objectieve maatstaven.’
Mijns inziens heeft [verzoeker] in feitelijke aanleg niet een duidelijk beroep op uitleg contra proferentem gedaan; de uitleg die het hof aan zijn stellingen heeft gegeven is niet onbegrijpelijk.
Zou dat al anders zijn, dan kunnen we de beschikking van het hof eventueel ook zo lezen dat de objectieve uitlegargumenten die het hof in alinea 3.6.4 van zijn beschikking opsomt, volgens het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof zo overtuigend zijn, dat het gezichtspunt dat Stichting Bospop het regelement heeft opgesteld daaraan niet kan afdoen. Ook zo begrepen faalt de motiveringsklacht.
Voor zover de motiveringsklachten van het subonderdeel aanknopen bij de stelling dat drie bestuursleden van de Stichting Bospop hebben schriftelijk aangegeven dat het huishoudelijk reglement moet worden uitgelegd zoals de kantonrechter dit heeft gedaan, geldt dat het hof daarop niet afzonderlijk behoefde in te gaan. De bedoelde verklaring is afgegeven door bestuursleden die zelf ook een geschil met de Stichting Bospop hadden en die eveneens zijn ontslagen (hiervoor ?2.1 onder vi). Volgens het kennelijke oordeel van het hof zegt daarom hun verklaring weinig, in ieder geval in vergelijking met de door het hof besproken objectieve uitlegargumenten. In dit verband herinner ik eraan dat in cassatie onbestreden is dat dat het huishoudelijk reglement volgens de cao-norm en dus in beginsel enkel naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd. Daarbij past slecht (in ieder geval in beginsel) dat een verklaring achteraf van drie bestuursleden ten behoeve van een individuele werknemer en managementteamlid (namelijk [verzoeker] ) tot een alternatieve uitleg zou moeten leiden.
De stelling dat Stichting Bospop de door [verzoeker] verdedigde uitleg van artikel 10 lid 1 van het huishoudelijk reglement pas in hoger beroep heeft betwist, heeft het hof uitdrukkelijk besproken (alinea 3.6.4 slot). Volgens het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof doet die omstandigheid niet af aan de overtuigingskracht van de door het hof besproken objectieve uitlegargumenten. Opnieuw geldt dat de bedoelde omstandigheden slecht passen bij een uitleg volgens objectieve maatstaven. Daarnaast kan ook een verband worden gelegd met de herkansingsfunctie van het hoger beroep, volgens welke het het goed recht is van een partij om in hoger beroep een ander standpunt in te nemen dan in eerste aanleg.
Subonderdeel 1.2 klaagt dat het hof ten onrechte geen (kenbare) betekenis heeft toegekend aan het contra proferentem gezichtspunt. Volgens het subonderdeel heeft de kantonrechter het in eerste aanleg van bijzondere betekenis gevonden dat Stichting Bospop het huishoudelijk reglement zelf heeft opgesteld. Het subonderdeel geeft verder aan dat [verzoeker] in hoger beroep erop heeft gewezen dat bijzondere betekenis zou moeten toekomen aan de omstandigheid dat Stichting Bospop het huishoudelijk reglement zelf heeft opgesteld. Het hof heeft deze omstandigheid in rechtsoverweging 3.6.4 niet kenbaar betrokken bij zijn uitleg van artikel 10 lid 1 huishoudelijk reglement. Dit is ten onrechte, omdat als algemeen gezichtspunt heeft te gelden dat bij de beoordeling door de feitenrechter van de uit te leggen overeenkomst naar gelang van de omstandigheden mag meewegen dat een eenzijdig door de werkgever opgesteld document in geval van twijfel over de uitleg daarvan in het nadeel van de werkgever en ten gunste van de werknemer moet worden uitgelegd.
Hiervoor ?3.18 bleek reeds dat [verzoeker] helemaal niet zo duidelijk een beroep heeft gedaan op uitleg contra proferentem. De door het hof aan zijn stellingen gegeven uitleg is niet onbegrijpelijk. Ik merk nog op dat de verwijzing naar het vonnis van de kantonrechter niet overtuigend is. Voor de kantonrechter was diens uitleg van het huishoudelijk reglement als mede ziende op het ontslag van [verzoeker] als werknemer onproblematisch. Vervolgens zegt de kantonrechter in het kader van redelijkheid en billijkheid en goed werkgeverschap (en dus niet in de context van uitleg) dat de Stichting Bospop zich diende te houden aan de bepaling die zij zelf had bedacht.
Ik verwijs verder naar de bespreking van subonderdeel 1.1.
Onderdeel 2 klaagt met Subonderdeel 2.1 over de motivering van de uitleg van artikel 10 lid 1 van het huishoudelijk reglement door het hof in alinea 3.6.4 van zijn beschikking, hiervoor ?3.2 reeds aangehaald. In het subonderdeel lees ik niets anders of meer dan redeneringen van [verzoeker] en diens cassatieadvocaat ten betoge dat een andere uitleg dan door het hof aanvaard evengoed mogelijk zou zijn en naar hun smaak aannemelijker en beter. Dat is echter niet waar het in cassatie om gaat. Het gaat erom of de door het hof aan het huishoudelijk reglement gegeven uitleg onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.
Ik citeer als voorbeeld twee alinea’s uit de procesinleiding in cassatie die illustreren dat het onderdeel van cassatie een derde feitelijke instantie probeert te maken (onderstrepingen van mij, A-G):
‘Onder 42: ‘De door het hof genoemde omstandigheden kunnen immers evengoed een objectieve aanwijzing vormen voor de door [verzoeker] voorgestane uitleg, dat een besluit als bedoeld in artikel 10 lid 1 Huishoudelijk Reglement ook vereist is als de arbeidsovereenkomst met een managementteamlid wordt beëindigd. Althans, de door het hof genoemde omstandigheden vormen naar objectieve maatstaven geen contra-indicatie voor de door [verzoeker] voorgestane uitleg.’
Onder 43: ‘Dat het Huishoudelijk Reglement geen personeelshandboek voor de door [verzoeker] voorgestane of arbeidsvoorwaardenreglement is, maar dat hierin een nadere invulling wordt gegeven aan de taken en verantwoordelijkheden van diverse organen binnen voorwaarden kunnen Stichting Bospop, maakt niet dat in een dergelijk reglement geen voorwaarden kunnen worden gesteld aan een besluit tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een lid van het managementteam. Sterker nog, zoals [verzoeker] in het verweerschrift in hoger beroep heeft betoogd, is goed mogelijk dat in een dergelijk reglement zulke voorwaarden worden opgenomen, met het oog op het creëren van een systeem van ‘checks and balances’.”
Het was aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt om alle feitelijke omstandigheden te wegen en tegen die weging kan niet in cassatie worden ingebracht dat door het hof gebezigde argumenten niet (volledig) dwingend zijn en dat ook een andere uitleg zeer wel verdedigbaar is. De klachten van het subonderdeel falen.
Naar aanleiding van Subonderdeel 2.2 het volgende. Met dat subonderdeel betoogt [verzoeker] , kort gezegd, dat wat het hof in alinea 3.6.4 een onaannemelijk rechtsgevolg van de door [verzoeker] voorgestane uitleg noemt – namelijk dat in die uitleg in een vergadering waarin alle bestuursleden en managementteamleden aanwezig zijn door een meerderheid slechts bestaande uit managementteamleden die geen bestuurslid zijn, zou kunnen worden besloten tot een arbeidsrechtelijk ontslag, ook als het bestuur unaniem tegen zou stemmen – niet werkelijk onaannemelijk is, omdat altijd nog een vertegenwoordigingshandeling van het bestuur nodig is om tot een daadwerkelijk beëindiging van de arbeidsovereenkomst te geraken.
Een en ander doet mijns inziens op geen enkele wijze afbreuk aan de begrijpelijkheid of juistheid van de overweging van het hof, maar illustreert juist dat het problematisch is dat de vergadering van bestuursleden en managementteamleden mede zou kunnen (en zelfs moeten) beslissen over een arbeidsverhouding waarover overigens alleen het bestuur gaat. Volgens het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof is dan beter dragelijk dat de bedoelde vergadering tegen de zin van het bestuur zou kunnen besluiten om een werknemer in diens hoedanigheid van managementteamlid te ontslaan. Voor de situatie die dan ontstaat – die feitelijk erop neerkomt dat de werknemer op non-actief is gesteld, althans voor zover hij zijn werkzaamheden binnen het managementteam verrichtte – staat volgens het hof de weg naar de kantonrechter open. Het hof heeft hier kennelijk het oog op het geval dat voor (en in gepast overleg met) de werknemer geen passende alternatieve taakopdracht kan worden bedacht, búíten het verband van het managementteam.
Ik merk nog op dat het hof nog andere argumenten voor zijn uitleg geeft, die mijns inziens zijn uitlegoordeel ook zelfstandig dragen, namelijk de bewoordingen van het reglement, het (vrijwel) ontbreken van begrippen als ‘arbeidsovereenkomst’, ‘werkgever’ of ‘werknemer’ en de omstandigheid dat niet alle managementteamleden een arbeidsovereenkomst hebben. Bij de klacht van het subonderdeel bestaat daarom mijns inziens ook niet werkelijk belang.
Subonderdeel 2.3 klaagt dat het hof bij de uitleg van artikel 10 lid 1 huishoudelijk reglement geen acht heeft geslagen op een door [verzoeker] opgeworpen onaannemelijk rechtsgevolg van de uitleg van Stichting Bospop, namelijk dat de arbeidsovereenkomst van een managementteamlid zou kunnen worden beëindigd, terwijl die persoon van het managementteam lid blijft.
Ik kan niet inzien waarom in alle gevallen ondenkbaar is dat een werknemer na diens ontslag als vrijwilliger aan de werkzaamheden van het managementteam blijft deelnemen. Of dat wenselijk en werkbaar is, zal onder meer van de redenen voor het ontslag afhangen. Verder veronderstelt het dat de ex-werknemer ondanks zijn ontslag als werknemer als vrijwilliger binnen het managementteam door wil gaan. Het door [verzoeker] bedoelde rechtsgevolg van de uitleg van Stichting Bospop is dus mijns inziens helemaal niet zo vanzelfsprekend onaannemelijk. Daarnaast geldt dat de bedoelde situatie in dit geding niet aan de orde is. Dat geding betreft enkel de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de Stichting Bospop met [verzoeker] . Het hof mocht zich in zijn motivering daartoe beperken.
Subonderdeel 2.4 ligt in het verlengde van het voorgaande subonderdeel en deelt in zijn lot.
De voortbouwklachten van Onderdeel 3 behoeven geen bespreking.
4 Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G