Burgerlijk procesrecht
Aansprakelijkheidsrecht; procesrecht. Aansprakelijkheid voor nakoming nadien vernietigd kortgedingvonnis dat…
ECLI:NL:PHR:2026:811 · Parket bij de Hoge Raad · 28 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/ecli-nl-phr-2026-811
Zaakgegevens
Op 28 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 augustus 2026
- Datum publicatie
- 26 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/02111
- Rechtsgebied
- Civiel recht Burgerlijk procesrecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:811
Samenvatting
Aansprakelijkheidsrecht; procesrecht. Aansprakelijkheid voor nakoming nadien vernietigd kortgedingvonnis dat niet versterkt was met dwangsom. Vrijwillige nakoming of executiedwang?
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02111
Zitting 28 augustus 2026
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
1. Menzis Zorgverzekeraar N.V.
2. AnderZorg N.V.
eiseressen tot cassatie,
tegen
Goodlife Pharma B.V.,
verweerster in cassatie
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Menzis respectievelijk Goodlife.
Deze zaak gaat om de vraag of Goodlife onrechtmatig heeft gehandeld jegens Menzis in verband met het door Menzis nakomen van een kortgedingvonnis dat nadien is vernietigd. Daarin was Menzis op vordering van Goodlife een verbod opgelegd om per 1 januari 2019 een preferentiebeleid te gaan voeren voor vitamine D. Menzis vordert in deze bodemzaak een verklaring voor recht dat Goodlife jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door het kortgedingvonnis te betekenen en nakoming daarvan te verlangen en aansprakelijk is voor de daardoor door Menzis geleden schade. Dat is in twee instanties afgewezen. Volgens het hof was geen sprake van onrechtmatige dreiging met executie door Goodlife; in de betekening van het vonnis en het staan op nakoming ligt hier geen executiedreiging besloten, omdat de veroordeling in kort geding niet was versterkt met dwangsom en Goodlife ook geen andere dwangmiddelen ter beschikking had. Bovendien is Menzis op grond van een eigen afweging het vonnis nagekomen. In cassatie komt Menzis hier volgens mij tevergeefs tegen op.
1. Feiten
1.1 Tot 1 januari 2019 is Vitamine D (colecalciferol) in verschillende sterktes (800IE, 1.000IE, 5.600IE, 25.000IE, 30.000IE, 50.000IE en 100.000IE) als geregistreerd geneesmiddel opgenomen geweest in het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS). Vanaf 1 januari 2019 heeft de minister op advies van het Zorginstituut de sterktes 800IE en 1.000IE van Vitamine D uit het basispakket gehaald met als reden dat daarvoor een gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig (goedkoper) alternatief bestaat in de vrije verkoop (bijvoorbeeld bij de drogist). Vanaf 1 januari 2023 is Vitamine D volledig uit het verzekerde basispakket gehaald.
1.2 Goodlife heeft als leverancier vijf verschillende sterktes van Vitamine D in Nederland onder de merknaam Benferol op de markt gebracht, te weten 800IE, 5.600IE, 25.000IE, 50.000IE en 100.000IE.
1.3 Menzis Zorgverzekeraar N.V. en AnderZorg N.V. zijn zorgverzekeraars als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en mogen met toepassing van art. 2.8 lid 1 onder a en lid 3 Besluit zorgverzekering (Bzv) ten aanzien van bepaalde productcategorieën van geneesmiddelen een preferentiebeleid voeren.
1.4 Voor de inkoop van (extramurale) farmaceutische zorg sluit Menzis voor haar verzekerden overeenkomsten met apotheekhouders op de wijze zoals zij dat (voor het jaar 2019) heeft opgenomen in haar Zorginkoopbeleid 2019 Farmaceutische Zorg. Als onderdeel daarvan toetst Menzis in welke mate apotheekhouders het voorkeursbeleid naleven en verbindt zij daaraan bepaalde consequenties (hierna aan te duiden als: ‘preferentiecompliance’). Die consequenties variëren van het uitsluiten van apotheken bij een slechte preferentiecompliance tot (bij een preferentiecompliance van 85% en hoger) het aanbieden van een financieel gunstiger ‘BasisPluscontract’.
1.5 Voor de vergoeding van huisartsenzorg heeft Menzis in 2019 haar Zorginkoopbeleid 2018-2019 Huisartsenzorg en Multidisciplinaire zorg gehanteerd. In bijlage 5 van dit zorginkoopbeleid is een ‘resultaatsbeloning doelmatig voorschrijven van geneesmiddelen’ opgenomen. Dit komt erop neer dat huisartsen aanvullende financiën kunnen krijgen als zij ten opzichte van het totaal aantal eerste voorschriften een bepaald percentage behalen aan generieke voorschriften (geen merk en/of vermelding medische noodzaak).
1.6 Menzis heeft in haar Beleidsdocument 2019-2021 opgenomen dat zij vanaf 1 januari 2019 preferentiebeleid gaat voeren op Vitamine D in de sterkte 25.000IE of 30.000IE. Dit beleidsdocument heeft zij bij brief van 14 augustus 2018 aan (onder andere) Goodlife ter beschikking gesteld, waarbij zij leveranciers heeft uitgenodigd om een offerte uit te brengen voor het leveren van Vitamine D in de sterktes 25.000IE en 30.000IE. Goodlife heeft geen offerte uitgebracht, omdat zij het niet eens is met dit preferentiebeleid.
1.7 Goodlife heeft in kort geding onder meer een verbod gevorderd voor Menzis om per 1 januari 2019 het in het Beleidsdocument 2019-2021 omschreven preferentiebeleid ten aanzien van Vitamine D te voeren. De voorzieningenrechter heeft, voor zover hier van belang, als volgt overwogen en beslist:
“4.8. Al het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van Goodlife onder IV, strekkende tot een verbod voor Menzis om per 1 januari 2019 een preferentiebeleid ten aanzien van Vitamine D, zoals beschreven in het Beleidsdocument 2019-2021, te voeren, zal worden toegewezen, omdat het Menzis niet is toegestaan een preferentiebeleid te voeren dat in strijd is met de wet. In het kader van dit verbod mag Menzis ook geen uitvoering geven aan de daarop gebaseerde inkoopovereenkomsten met apothekers voor 2019 en dient zij haar Zorginkoopbeleid Farmaceutische Zorg 2019 aan te passen in die zin, dat voor het beoordelen van de preferentiecompliance van apothekers de afgeleverde Vitamine D buiten beschouwing wordt gelaten. Dit brengt met zich dat Menzis de informatievoorziening op haar website moet aanpassen aan het bepaalde in dit vonnis en behandelaars, apothekers, leveranciers en verzekerden daarvan adequaat dient te informeren. Ook de vorderingen onder V, VI en VIl zullen daarom worden toegewezen.
4.9. Voor het overige heeft te gelden dat reeds is geoordeeld dat Menzis het preferentiebeleid dat haar nu voor ogen staat niet mag voeren. Het is echter niet aan de voorzieningenrechter om Menzis in algemene zin te veroordelen een preferentiebeleid te voeren en ook niet een preferentiebeleid met een bepaalde inhoud. Indien Menzis een nieuw preferentiebeleid ontwikkelt met betrekking tot Colecalciferol, dient zij daarbij het bepaalde in dit vonnis in acht nemen, maar in deze procedure kan niet worden vooruitgelopen op de beantwoording van de vraag wat in dat verband wel of niet is toegestaan. De vorderingen strekkende daartoe zullen daarom worden afgewezen.
4.10. Aangezien Menzis te kennen heeft gegeven zich te zullen houden aan dit vonnis en de voorzieningenrechter geen reden heeft om daaraan te twijfelen, zullen de veroordelingen niet worden versterkt met een dwangsom.
(...)
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt Menzis per 1 januari 2019 een preferentiebeleid ter zake Vitamine D, zoals beschreven in haar Beleidsdocument 2019-2021, uit te voeren,
gebiedt Menzis binnen één week na betekening van dit vonnis de inkoopovereenkomsten met apothekers voor 2019 en het Zorginkoopbeleid Farmaceutische Zorg 2019 aan te passen in die zin dat voor het beoordelen van de preferentiecompliance van apothekers de afgeleverde Vitamine D buiten beschouwing wordt gelaten,
gebiedt Menzis binnen één week na betekening van dit vonnis de informatievoorziening op haar website ter zake het preferentiebeleid Vitamine D in overeenstemming te brengen met het bepaalde in dit vonnis,
gebiedt Menzis binnen één week na betekening van dit vonnis alle behandelaars, apothekers, leveranciers alsook verzekerden adequaat te informeren omtrent de in dit vonnis toegewezen voorzieningen ter zake het preferentiebeleid voor Vitamine D, met gelijktijdige verzending van een afschrift van deze mededeling(en) en de bijbehorende verzendlijst aan de advocaat van Goodlife,
(…)”
In een e-mailbericht van 6 november 2018 heeft Goodlife Menzis voor zover van belang als volgt bericht:
“Namens Menzis is tijdens de zitting in de bovenvermelde kwestie bevestigd dat zij zich zal houden aan de uitkomsten van een uitspraak van de Voorzieningenrechter. De Voorzieningenrechter heeft daarom de veroordelingen niet versterkt met een dwangsom. Kunt u ons in dat kader spoedig informeren op welke wijze Menzis invulling zal geven aan de uitspraak van de Voorzieningenrechter? Zekerheidshalve hebben wij het vonnis vandaag ook nog maar even laten betekenen, opdat geen discussie over termijnen kan ontstaan. (...)”
Hierop heeft Menzis op 7 november 2018 onder meer geantwoord:
“Zoals ter zitting door mij is aangegeven, zal Menzis inderdaad gevolg geven aan het vonnis van de voorzieningenrechter. Het preferentiebeleid zoals dat onderwerp was van de procedure, zal door Menzis niet worden gevoerd. De aanwijzing van geneesmiddelen, zoals bedoeld in artikel 2.8 van het Besluit en zoals door Menzis aanvankelijk voorgenomen, zal dan ook achterwege blijven.
Uiteraard zal het voorgenomen preferentiebeleid ook niet worden betrokken in de beoordeling van de preferentiecompliance van apothekers. Dit volgt uit het feit dat het voorgenomen preferentiebeleid niet gevoerd zal worden. Een aanpassing van het zorginkoopbeleid of de zorginkoopovereenkomsten is daarvoor niet nodig. Sterker nog: in de inkoopovereenkomsten en in het zorginkoopbeleid wordt met geen woord gerept over het voorgenomen preferentiebeleid. (...)
Tot slot zal Menzis uiteraard de proceskosten voldoen op de door u aangewezen bankrekening. Dit betekent overigens niet dat Menzis zich neerlegt bij het vonnis van de voorzieningenrechter. Menzis zal daarvan in hoger beroep komen. Het lijkt mij dan ook logisch dat de bodemprocedure gewoon wordt voortgezet. Menzis beraadt zich bovendien nog over de vraag of en zo ja in welke vorm in 2019 - uiteraard binnen de grenzen van het vonnis - toch enig preferentiebeleid op colecalciferol zal worden gevoerd.”
Op 9 november 2018 heeft Goodlife Menzis onder meer het volgende bericht:
"Het vonnis is deze week betekend. Dat betekent dat de termijn loopt om uitvoering te geven aan hetgeen de rechter in het vonnis heeft geoordeeld. (...) Wij verzoeken u derhalve spoedig te bevestigen dat Menzis gevolg zal geven aan de beslissing van de voorzieningenrechter als opgenomen in randnummer 5.4 van het vonnis. Indien een en ander binnen 1 week na de betekening van het vonnis niet geregeld blijkt te zijn, zijn wij helaas genoodzaakt de deurwaarder te verzoeken om het vonnis te executeren.” (Onderstreping A-G)
Hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 11 februari 2020 het in 1.7 bedoelde vonnis van de voorzieningenrechter in hoger beroep bekrachtigd en Goodlife niet ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen Coöperatie Menzis U.A. en Menzis N.V.
Menzis heeft cassatie ingesteld. Bij arrest van 9 juli 2021 is onder meer als volgt overwogen:
Art. 14 lid 1 Zvw bepaalt dan ook dat de vraag of een verzekerde behoefte heeft aan een bepaalde vorm van zorg of een bepaalde andere dienst, slechts op basis van zorginhoudelijke criteria wordt beantwoord. Een zorgverzekeraar kan slechts dan aan de verzekerde (de vergoeding van) een vorm van zorg of van een dienst waarop deze op grond van de Zvw aanspraak kan maken, onthouden in verband met de hoogte van de daaraan verbonden kosten, ingeval een andere vorm van zorg dan wel een andere dienst wordt verstrekt of vergoed die daarmee voldoende uitwisselbaar is (daaraan voldoende gelijkwaardig is). De zorgverzekeraar is immers gehouden tot het verlenen van dekking voor de wettelijk voorgeschreven zorg. (...)
(...)
Uit de tekst van art. 2.8 lid 3 Bzv blijkt dat de wetgever de aanwijzingsbevoegdheid van de zorgverzekeraar in die zin heeft gereguleerd dat van alle werkzame stoffen die voorkomen in de bij ministeriële regeling aangewezen geneesmiddelen ten minste een geneesmiddel voor de verzekerde beschikbaar moet zijn. De bepaling bevat geen regeling van de aanwijzingsbevoegdheid ten aanzien van dosering of sterkte. Hieruit volgt dat indien in de ministeriële regeling geneesmiddelen met verschillende sterktes van dezelfde werkzame stof voorkomen, de zorgverzekeraar de bevoegdheid heeft om een of meer geneesmiddelen met een of enkele van de verschillende sterktes van deze werkzame stof aan te wijzen. Het voorgaande vindt bevestiging in de parlementaire geschiedenis van (de voorganger van) deze bepaling. Daaruit kan worden afgeleid dat in het geval waarin een verzekerde een bij ministeriële regeling aangewezen geneesmiddel nodig heeft met een andere sterkte dan aangewezen door zijn zorgverzekeraar, hij daarop aanspraak heeft indien behandeling met het door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel voor de verzekerde medisch niet verantwoord is (thans art. 2.8 lid 4 Bzv).
Bij de toepassing van art. 2.8 lid 4 Bzv is van belang dat het de voorschrijvende arts is die bepaalt of behandeling met het door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel voor de verzekerde medisch niet verantwoord is. Dat geldt ook voor de sterkte en de dosering. Indien de voorschrijvende arts een (bij ministeriële regeling aangewezen maar) niet door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel voorschrijft onder vermelding dat hij van oordeel is dat behandeling met het door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel voor de verzekerde medisch niet verantwoord is, moet de apotheker de arts daarin volgen. Het hiervoor weergegeven stelsel biedt geen aanknopingspunt om te oordelen dat de zorgverzekeraar daarbij voorwaarden zou kunnen stellen die afbreuk doen aan de aanspraak van een verzekerde op een door de voorschrijvende arts noodzakelijk geacht geneesmiddel, bijvoorbeeld een voorwaarde die ertoe strekt dat de verzekerde, ondanks het oordeel van de voorschrijvende arts, eerst alleen het door de zorgverzekeraar aangewezen geneesmiddel ter hand gesteld krijgt. Aldus wordt gewaarborgd dat de verzekerde, binnen het stelsel van de Zvw, de farmaceutische zorg beschikbaar gesteld krijgt die hij op basis van zorginhoudelijke criteria nodig heeft.”
Die zaak werd verwezen naar het Bossche hof. Bij arrest van 10 mei 2022 is voor zover van belang als volgt overwogen:
“6.28 Het doel van het compliancebeleid is dus om zoveel mogelijk het voorkeursgeneesmiddel te laten voorschrijven en verstrekken. Waar het gebruik van het voorkeursgeneesmiddel medisch niet verantwoord is, heeft dit in beginsel geen effect. Daar zal de arts uit hoofde van zijn verantwoordelijkheid en deskundigheid een ander geneesmiddel voorschrijven. De beslissing ligt bij de arts. Zijn voorschrift is beslissend. De apotheker heeft niet de ruimte om daarvan af te wijken, al dan niet door eerst voorkeursgeneesmiddelen te laten uitproberen. Met de financiële prikkels worden dus op zichzelf geen voorwaarden gesteld die afbreuk doen aan de aanspraak van een verzekerde op geneesmiddel dat de voorschrijvende arts noodzakelijk acht.
Indien de financiële prikkels ertoe leiden dat artsen en apothekers vanwege de financiële gevolgen ook het voorkeursgeneesmiddel voorschrijven of verstrekken in het geval dit medisch niet verantwoord is, is denkbaar dat Menzis en Anderzorg het compliancebeleid niet ongewijzigd mogen voeren of voortzetten. Er mag echter - voorshands op basis van de gegevens in dit geding - tot uitgangspunt worden genomen dat artsen en apothekers handelen in overeenstemming met de voor hun beroepsgroep geldende regels en niet vanwege financiële gevolgen hun patiënten blootstellen aan de werking van medisch niet verantwoorde geneesmiddelen. Uit hetgeen Goodlife heeft aangevoerd, volgt niet dat (voorshands moet worden verwacht) dat artsen of apothekers vanwege de financiële prikkels het voorkeursgeneesmiddel voorschrijven of verstrekken, waar dat medisch niet verantwoord is. Menzis en Anderzorg hebben, zoals hiervoor al in 6.27 gememoreerd, bevestigd dat overleg mogelijk is over de preferentiecompliance en andere voorwaarden, kennelijk om op passende wijze rekening te houden met medisch noodzakelijke voorschriften bij de afrekening van de financiële prikkels, en dat apotheken in de praktijk geen behoefte hebben aan dat overleg. Vooralsnog is er daarom geen reden om te oordelen dat Menzis en Anderzorg het compliancebeleid, zoals dit in de praktijk wordt toegepast, niet ongewijzigd mogen voeren of voortzetten.
Anders dan Goodlife betoogt, volgt dit ook niet uit hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 6 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3241, VGZ/Nutricia). Dit arrest betrof dieetpreparaten en niet geneesmiddelen met een bepaalde werkzame stof. (...)
Het compliancebeleid hield volgens Goodlife ook de voorwaarde in dat de verzekerde eerst twee voorkeursgeneesmiddelen moest proberen, voordat de arts een geneesmiddel als medisch noodzakelijk kon voorschrijven. ‘Uw arts vermeldt die ‘medische noodzaak’ dan op het recept, maar uiteindelijk bepaalt de apotheek wat hiermee gebeurt’, aldus de tekst op de website van Menzis, waarnaar Goodlife heeft verwezen. De uitspraak van de Hoge Raad maakt duidelijk dat deze voorwaarde niet toelaatbaar is en dat niet de apotheker, maar de arts die voorschrijft, bepaalt wat er gebeurt. Uit de memorie na verwijzing valt op te maken dat Menzis en Anderzorg dit erkennen. In 6.29 van de memorie na verwijzing hebben zij immers vermeld dat de tekst op de website inmiddels in overeenstemming is gebracht met het oordeel van de Hoge Raad:
(…)”
2. Procesverloop
Goodlife heeft in deze bodemzaak diverse vorderingen ingesteld die betrekking hebben op het door Menzis voorgenomen preferentiebeleid voor vitamine D. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen.
In reconventie heeft Menzis een verklaring voor recht gevorderd dat Goodlife jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door naleving te verlangen van het kortgedingvonnis en dat Goodlife aansprakelijk is voor de schade die Menzis als gevolg daarvan heeft geleden. Dat is in eerste aanleg afgewezen.
Menzis is daarvan in hoger beroep gekomen. Het hof heeft de vordering van Menzis ook afgewezen, waartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende is overwogen:
“3.3. Volgens Menzis is sprake geweest van onrechtmatige dreiging met executie en is Goodlife aansprakelijk voor de schade die zij heeft geleden doordat in de jaren 2019 tot en met 2022 geen preferentiebeleid kon worden gevoerd.
Een vonnis werkt in beginsel van rechtswege en moet worden nageleefd. Betekening is daarvoor geen vereiste. Betekening is wel een vereiste voor de executie van een vonnis. In beginsel moet worden aangenomen dat de partij die door dreiging met executie van een [lees: uitvoerbaar, A-G] bij voorraad verklaard vonnis de veroordeelde heeft gedwongen tot nakoming van dat vonnis, voordat dit in kracht van gewijsde is gegaan, onrechtmatig heeft gehandeld en in verband daarmee schadeplichtig is, wanneer dit vonnis met de daarin begrepen veroordeling in hoger beroep wordt vernietigd. De betekening van het vonnis aan de wederpartij ter inleiding van de executie is in beginsel voldoende om aan te nemen dat sprake is van dreiging met executie in deze zin. Door die betekening geeft de executant immers te kennen nakoming van het vonnis te verlangen. Van dit geval is te onderscheiden het geval dat vrijwillig aan een vonnis wordt voldaan.
In de rechtspraak waarin deze uitgangspunten zijn geformuleerd, is steeds sprake van een situatie dat de eisende partij nakoming verlangt én beschikt over middelen om de uitspraak ten uitvoer te kunnen leggen. Deze uitgangspunten zien met andere woorden op de situatie dat de wederpartij in het geval van niet nakoming het risico loopt met een dwangmiddel te worden geconfronteerd. In dit geval is in het kortgedingvonnis bepaald dat het Menzis is verboden per januari 2019 een preferentiebeleid ter zake Vitamine D, zoals beschreven in haar Beleidsdocument 2019-2021, uit te voeren. Dit verbod is niet met een dwangsom versterkt. Ook anderszins stond Goodlife geen dwangmiddel ter beschikking. Een dergelijk verbod zonder dwangmiddel is niet ten uitvoer te leggen en is alleen zinvol als er geen twijfel over bestaat dat de veroordeelde aan de veroordeling zal voldoen, zoals bij veroordeling van overheidslichamen en instellingen met een maatschappelijke taak. Dat een dwangsom achterwege is gelaten, is hier dan ook ingegeven door de mededeling van Menzis dat zij zich zal houden aan het kortgedingvonnis. Het verbod werkte van rechtswege. Betekening was daarvoor geen vereiste. Betekening was wel nodig om voor beide partijen duidelijkheid te verkrijgen over de daarvan afhankelijk gestelde termijn voor nakoming van de verschillende geboden. Dat is door Goodlife ook uitdrukkelijk genoemd als de reden voor de door haar vooraf aangekondigde betekening. Ook deze geboden zijn niet met een dwangsom versterkt. Tegen deze bijzondere achtergrond is de betekening niet aan te merken als dreiging met executie en ging ook van het bericht van 6 november 2018 en het bericht van 9 november 2018 geen dreiging uit. Dat in dit laatste bericht wordt gesproken over het executeren van het kortgedingvonnis, maakt dit niet anders. Omdat naleving voor Goodlife op geen enkele manier afdwingbaar was, stond het nog altijd ter vrije bepaling van Menzis of zij uitvoering zou geven aan het vonnis. Aan de beslissing om daaraan uitvoering te geven – waarbij ook na het kortgedingvonnis de toenmalig raadsman van Menzis betrokken is geweest – heeft kennelijk een eigen afweging van Menzis ten grondslag gelegen omtrent de risico’s die waren verbonden aan het niet naleven van het kortgedingvonnis tegen de achtergrond van het voorgenomen hoger beroep en de te starten bodemprocedure. Van onrechtmatige dreiging met executie is geen sprake geweest. De vorderingen van Menzis moeten daarom ook in hoger beroep worden afgewezen.”
Menzis heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Goodlife heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna Menzis heeft gerepliceerd en Goodlife gedupliceerd.
3 Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bestaat uit een inleiding en acht onderdelen.
Onderdeel 1 klaagt dat het hof in rov. 3.5 een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de rechtspraak over aansprakelijkheid voor de betekening van een vonnis dat nog geen kracht van gewijsde heeft. Onjuist is dat deze aansprakelijkheid pas kan ontstaan als de eisende partij niet alleen nakoming verlangt, maar ook (op dat moment) beschikt over middelen om de uitspraak ten uitvoer te leggen. Onderdeel 2 richt motiveringsklachten tegen dit uitlegoordeel. Onderdeel 3 klaagt dat het hof heeft miskend dat bij de vraag wie de schade moet dragen van een nageleefde uitspraak die achteraf onjuist blijkt, beslissend is wat maatschappelijk meer gerechtvaardigd is. Onderdeel 4 bestrijdt het oordeel in rov. 3.5 dat geen sprake was van onrechtmatige dreiging met executie. Onderdeel 5 klaagt dat de door het hof aangevoerde omstandigheden geen uitzondering rechtvaardigen op de regel van (risico)aansprakelijkheid voor de betekening van een vonnis dat nog geen kracht van gewijsde heeft. Onderdelen 6 en 7 bestrijden het oordeel dat Menzis het kortgedingvonnis vrijwillig is nagekomen en onderdeel 8 is louter voortbouwend.
Aansprakelijkheid voor het afdwingen van nakoming door (dreiging met) tenuitvoerlegging van een nog niet onherroepelijk vonnis dat nadien wordt vernietigd
Het is vaste rechtspraak dat de partij die door dreiging met de executie van een nog niet onherroepelijk vonnis de wederpartij heeft gedwongen tot nakoming van dat vonnis, in beginsel onrechtmatig handelt en schadeplichtig is wanneer het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd. Hetzelfde geldt voor het dreigen met de tenuitvoerlegging van een kortgedingvonnis. In het standaardarrestCiba Geigy/[…] dat de aansprakelijkheid voor dreiging met executie van een kortgedingvonnis beheerst, is daaromtrent overwogen:
“3.4 (…)
Enerzijds dient de partij die door de rechter in k.g. is veroordeeld, zich aan het verbod te houden zolang dat van kracht is, in dier voege dat het andersluidend oordeel in het bodemgeschil er niet aan in de weg staat dat eenmaal verbeurde dwangsommen verschuldigd blijven.
Ander[..]zijds dient in beginsel te worden aangenomen dat degeen die door dreiging met executie zijn wederpartij heeft gedwongen zich naar een in k.g. gegeven verbod te gedragen, onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hij, naar achteraf blijkt uit de uitspraak in het bodemgeschil, niet het recht had van de wederpartij te vergen dat deze zich van de desbetreffende handelingen onthield. Voorts mag er, gegeven de aard van het k.g.-vonnis, van worden uitgegaan dat degeen die als voormeld met executie dreigde, wist althans behoorde te weten dat hij zijn handelen baseerde op - kort gezegd - een voorlopige maatregel, zodat de door zijn handelen veroorzaakte schade in beginsel als door zijn schuld veroorzaakt heeft te gelden. Deze oplossing is maatschappelijk meer gerechtvaardigd dan de omgekeerde oplossing, die daarop neerkomt dat de partij die zich onder dreiging met executie aan het verbod heeft gehouden, in beginsel de schade moet dragen, ook al blijkt achteraf het door de eiser in k.g. gepretendeerde recht niet te bestaan.”
In beginsel is het afdwingen van nakoming door middel van executiedreiging dus onrechtmatig en de daardoor veroorzaakte schade heeft in beginsel te gelden als veroorzaakt door de schuld van de partij die met executie heeft gedreigd, dat wil zeggen: behoudens bijzondere omstandigheden (rov. 3.3).
Uit X/[…], al aangehaald, waarin de regel van Ciba Geigy/[…] is herhaald, blijkt dat de omstandigheden i) dat de curator "slechts het [nadien vernietigde, A-G] uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 6 februari 2003 ten uitvoer heeft gelegd" en ii) dat de curator heeft gehandeld met de bedoeling de gepretendeerde rechten van de boedel zeker te stellen, onvoldoende waren om een uitzondering op de in beginsel aansprakelijkheid te rechtvaardigen (rov. 4.3-4.4). In Ciba Geigy/[…] bleek de onrechtmatigheid achteraf door de andersluidende uitspraak van de bodemrechter. Van Schaick heeft verdedigd dat vernietiging in kort geding in appel geen aanleiding geeft tot aansprakelijkheid, omdat ook in hoger beroep in kort geding de materiële rechtsverhouding tussen partijen niet definitief wordt vastgesteld. In X/[…] is evenwel geen onderscheid gemaakt tussen vernietiging in de bodemprocedure en vernietiging in hoger beroep in kort geding, zodat ervan uit moet worden gegaan dat in beide gevallen de executant in beginsel aansprakelijk is (in gelijke zin s.t. Goodlife 12). Voor cassatie zal hetzelfde gelden.
De aansprakelijkheid van de executant was in het onder BW (oud) gewezen Ciba Geigy/[…] gebaseerd op schuld, maar kan naar geldend recht worden gezien als toerekening naar verkeersopvattingen. De ratio van aansprakelijkheid van de met executie dreigende partij is in Ciba Geigy/[…] in de zojuist geciteerde rov. 3.4 geformuleerd: dit is maatschappelijk meer gerechtvaardigd dan de omgekeerde oplossing, die erop neerkomt dat de partij die zich onder dreiging met executie aan het verbod heeft gehouden in beginsel de schade moet dragen, ook al blijkt achteraf het gepretendeerde recht niet te bestaan. De schending van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm zit erin dat degene die nakoming afdwingt door (te dreigen) een voorlopig (kortgeding)vonnis te executeren, dat voor eigen risico doet, omdat een dergelijk vonnis naar zijn aard nog niet definitief is en in hoger beroep of in de bodemprocedure kan worden ‘overruled’. Het komt neer op in beginsel de facto risicoaansprakelijkheid, al is daar formeel geen sprake van, omdat voor ‘echte’ risicoaansprakelijkheid een wettelijke basis is vereist.
Van Rossum concludeert in haar proefschrift dat steeds de restrictie wordt gemaakt door de executant ‘in beginsel’ aansprakelijk te houden voor de door zijn wederpartij geleden schade, met ruimte voor uitzonderingen. Ook in gevallen waarin de uitspraak uiteindelijk wél wordt vernietigd, is niet automatisch sprake van onrechtmatigheid. Vernietiging van een kortgedingvonnis betekent niet per se dat dat vonnis ten tijde van de veroordeling niet terecht was. De situatie kan ten tijde van de vernietiging van dat kortgedingvonnis immers gewijzigd zijn (geen belang meer bijvoorbeeld). Castermans heeft verdedigd dat “een beslag dat is gelegd op basis van een onjuiste, maar door de beslagene zelf geschetste situatie”, niet voor risico van de beslaglegger behoort te komen. Hij heeft in het verlengde daarvan een uitzondering bepleit voor gevallen waarin een partij in strijd met art. 21 Rv “relevante stellingen aan de borst houdt” in de procedure die heeft geleid tot het te executeren vonnis. Dat is volgens hem aan te merken als een omstandigheid die kan worden toegerekend aan de benadeelde, als juist die feiten en omstandigheden hebben geleid tot de vernietiging van het vonnis in hoger beroep.
Wanneer is sprake van ‘executiedreiging’? In Oyster Pond, al aangehaald, rov. 3.5, is uitgemaakt dat betekening van een vonnis in beginsel voldoende is om onrechtmatige executiedwang aan te nemen. Door die betekening geeft de executant immers te kennen nakoming van het vonnis te verlangen. Maar wanneer is betekening niet voldoende voor executiedreiging en kan daarvan ook sprake zijn zonder betekening? Gaat het om het uiten van een verlangen van nakoming?
Voordat tot executie van een vonnis mag worden overgegaan dient het ter inleiding daarvan te worden betekend (art. 430 lid 3 Rv). Betekening is dus een voorwaarde voor de executie, maar is zelf geen daad van tenuitvoerlegging. De executie zelf behelst het inzetten van dwangmiddelen (dwangsom, reële executie, lijfsdwang) om de veroordeelde te dwingen na te komen waartoe hij is veroordeeld. De betekening is een kennisgeving: degene tegen wie dwangmiddelen worden toegepast heeft er recht op te weten op grond waarvan die dwangmiddelen toegepast zullen worden en moet bovendien in veel gevallen in de gelegenheid worden gesteld om alsnog vrijwillig datgene te doen, waartoe de executoriale titel hem verplicht. De betekening heeft nog een andere functie: daardoor laat eiser weten dat hij nakoming verlangt. Volgens Van Nispen kan de executant zelfs niet het vonnis betekenen zonder nakoming te verlangen, al kan hij het vonnis wel deels betekenen (en dus gedeeltelijk nakoming verlangen). Bij een verbod met dwangsom heeft de betekening verder het rechtsgevolg dat pas na de betekening dwangsommen worden verbeurd (art. 611a lid 3 Rv), zodat een dwangsom pas ‘effectief’ is na betekening. Het verbod gold al wel voorafgaand aan de betekening, maar de ‘pressie tot naleven’ begint met betekening. Betekening is volgens Van Nispen dan ook te karakteriseren als een ‘tweesnijdend zwaard’: enerzijds kan de veroordeelde partij pas na betekening dwangsommen verbeuren, anderzijds is de partij die betekent in beginsel aansprakelijk als de veroordeling in appel of cassatie of (wat het kort geding betreft) in een bodemprocedure niet overeind blijft en de executie achteraf onrechtmatig blijkt.
Betekening is niet altijd voldoende om executiedreiging aan te kunnen nemen (‘in beginsel’ wel, zo volgt uit Oyster Pond). Een voorbeeld is betekening die alleen tot doel heeft zekerheid te geven over wanneer bepaalde termijnen gaan lopen. Volgens Van Nispen moet ‘ter wille van de rechtszekerheid […] worden vastgehouden aan de regel dat de betekening absolute voorwaarde is voor ‘dreiging met executie’ en daarmee voor aansprakelijkheid’. Dat standpunt verdient naar ik meen bepaald navolging, alleen al ter voorkoming van onnodige executiegeschillen. Verschillende schrijvers menen dat ook zonder betekening sprake kan zijn van executiedreiging, zoals wanneer de eiser een brief schrijft met de mededeling dat hij veroordeelde aan het vonnis houdt, zo bepleit Van Rossum. Molkenboer ziet de rationale van aansprakelijkheid na Oyster Pond in termen van ‘het actief te kennen geven nakoming te verlangen’. Of een procespartij een schadevergoedingsaanspraak toekomt na nakoming van een nadien vernietigd vonnis hangt wat hem betreft niet af van het ‘tamelijk willekeurige gegeven’ of betekening al dan niet heeft plaatsgevonden. Of al dan geen sprake is van onrechtmatigheid is volgens hem afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Ook in geval van betekening teneinde zekerheid te krijgen over aanvang van termijnen, zoals in de onderhavige zaak acht hij ‘actief aansturen op nakoming (zonder de mogelijkheid die nakoming ook daadwerkelijk af te dwingen) mogelijk onrechtmatig’. Linssen verdedigt zelfs dat ook bij vrijwillige nakoming aansprakelijkheid kan volgen, maar dat is geen geldend recht. Linssens argumentatie, gebaseerd op het kritisch ontvangen arrest Gerritse q.q. e.a./Ontvanger en op Tepea/[…]overtuigt (mij) niet; het rekt de hier bedoelde aansprakelijkheid veel te ver op. In Gerritse q.q. e.a./Ontvanger werd achteraf (na vernietiging in de bodemzaak) onrechtmatig geacht de weigering om mee te werken aan de veiling van bepaalde goederen door de Ontvanger. In het kortgedingvonnis was de Ontvanger (zonder dwangsom) bevolen zich te onthouden van veiling, maar dat bleef uiteindelijk niet in stand.
Onverschuldigde betaling en vrijwillige nakoming
De executant legt een rechterlijke uitspraak ten uitvoer en zijn handelen heeft een daarin wortelende rechtsgrond zolang nog niet anders is beslist. Weliswaar kan die rechtsgrond achteraf wegvallen, maar ten tijde van de (dreiging met) tenuitvoerlegging was die rechtsgrond nog intact. Dat past in de visie dat de (on)rechtmatigheid van handelen moet worden beoordeeld op het tijdstip van het handelen zelf. In dat verband is wel verdedigd dat hier sprake zou zijn van aansprakelijkheid voor rechtmatige daad, die aanleiding geeft om de door geëxecuteerde geleden schade te vergoeden. Maar in Ciba Geigy/[…] is de lijn gevolgd dat het handelen achteraf, namelijk wanneer het vonnis wordt vernietigd, alsnog als onrechtmatig moet worden gezien. Dat is ook de hoofdlijn in de literatuur.
Bij vernietiging van een rechterlijke uitspraak komt de grondslag te ontvallen aan de tenuitvoerlegging van die uitspraak en komt art. 6:203 BW in beeld, onverschuldigde betaling.
Nakoming van een vonnis onder executiedreiging moet volgens de Hoge Raad worden onderscheiden van de vrijwillige nakoming van een vonnis. ‘Vrijwillige’ nakoming houdt in dit verband in: nakoming zonder executie(dreiging). Bij vrijwillige nakoming ontbreekt er causaal verband tussen de (in beginsel) onrechtmatige executiedreiging en het voldoen aan de uitspraak door de partij die uiteindelijk ten onrechte veroordeeld blijkt te zijn. De partij die heeft gepresteerd op grond van het later vernietigde vonnis komt als gezegd een vordering toe uit onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW). Voor het ontstaan van een vordering uit onverschuldigde betaling is onrechtmatigheid en toerekenbaarheid niet vereist, terwijl – als het een geldsom betreft – wettelijke rente is verschuldigd over het betaalde vanaf het moment van betaling.
Aansprakelijkheid aannemen bij vrijwillige nakoming (bepleit door Linssen, zo is hiervoor besproken) schuurt dicht aan tegen het (achteraf) onrechtmatig achten van het enkele feit van het uitlokken van een verbod of bevel in kort geding door een kort geding te starten. Die vergaande pure risicoaansprakelijkheid is verdedigd door Heemskerk. Degene die het kort geding wint is dan in alle gevallen (zowel bij vrijwillige als onvrijwillige nakoming) aansprakelijk als dat vonnis later terzijde wordt gesteld. Zoals Heemskerk evenwel zelf ook aangeeft, is de Hoge Raad rechtspraak (tot nu toe) nooit zo ver gegaan.
Tussenconclusie
De stand van het Nederlandse recht is een op jurisprudentie gebaseerd systeem van aansprakelijkheid voor onrechtmatige executiedreiging. Er is geen harde regel te geven voor de precieze scheidslijn tussen vrijwillige nakoming (geen aansprakelijkheid) en nakoming als gevolg van ‘executiedreiging’, of het ‘actief verlangen van nakoming’ (in beginsel wel onrechtmatig en aansprakelijkheidscheppend). Van Nispen bepleit als voorwaarde te stellen voor executiedreiging dat is betekend vanwege de rechtszekerheid, waar ik het graag mee eens ben, als gezegd; daar wordt in de literatuur ook anders over gedacht, zoals ook is besproken. De hoogste rechtspraak blijft voorzichtig met ‘in beginsels’; dat laat ruimte voor nuanceringen of zo men wil maatwerk in de feitenrechtspraak. De hoofdregel is duidelijk, de uitzonderingsgevallen niet steeds, maar de vraag is of dat bezwaarlijk is – ik denk het niet. De feitenrechter kan hiermee uit de voeten.
Als een veroordeelde uit eigener beweging nakomt, dan is er geen sprake van onder bedreiging van het inzetten van dwangmiddelen, meestal verbeurte van dwangsommen, gevolg geven aan een voorlopige uitspraak. Er is dan geen ‘executant’ die handelt, zodat ook achteraf bezien geen sprake kan zijn van onrechtmatig handelen in de vorm van dreigen met tenuitvoerlegging van een voorlopige uitspraak; geen aansprakelijkheid voor de executant bij vrijwillige nakoming als achteraf blijkt dat die voorlopig nagekomen uitspraak ten onrechte was. Komt de veroordeelde echter na nadat hij door de executant is bedreigd met het inzetten van dwangmiddelen (dwangsomverbeuring meestal) en blijkt dat achteraf gezien ten onrechte te zijn geweest, dan is de executant wel handelend opgetreden en is hij ‘in beginsel’ aansprakelijk voor zijn ‘in beginsel’ onrechtmatig gedrag. De aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis is dan een achteraf beziene fout in de vorm van executiedwang uitoefenen op basis van een voorlopige uitspraak, onrechtmatig geworden doordat die nadien onderuit is gegaan.
Mogelijk is er ruimte voor verdere nuancering door nader te onderscheiden tussen het ‘puur’ vrijwillig nakomen en gevallen waarin dat minder duidelijk ligt en de deur naar aansprakelijkheid kan open gaan. Het lijkt mij lastig om daar concrete regels voor te formuleren – en de rechtszekerheid zou ermee gediend zijn wanneer tenminste wordt verlangd dat is betekend wil er sprake kunnen zijn van executiedreiging. Wat is ‘vrijwillig’ in dit verband? Het spreekt bij eerste beschouwing mogelijk minder aan dat als een gedaagde ter zitting in kort geding aangeeft: ik zal een eventueel verbod/bevel vrijwillig nakomen/opvolgen, om welke reden de voorzieningenrechter afziet van dwangsomoplegging, er vervolgens geen sprake meer is van enige vorm van executiedwang als inderdaad wordt nagekomen. Blijkt de titel achteraf te ontvallen, dan staat zo’n ‘voorbeeldige’ gedaagde met lege handen. Een ‘normale’ gedaagde die in of buiten procedure helemaal niet toezegt vrijwillig te zullen nakomen en het op executie laat aankomen en/of onder dreiging van verbeurte van dwangsommen een voorlopige uitspraak nakomt, krijgt dan ‘in beginsel’ een betere uitgangspositie als de executant achteraf bezien ten onrechte heeft aangedrongen op deze manier. Toch is dat het vigerende stelsel waar de Hoge Raad aan vast heeft gehouden, zo is hiervoor besproken. Het is een keuze die te volgen is, al kan daar ook anders over gedacht worden, zoals ook is besproken. Het is als het ware het ‘schepje er boven op’ in de vorm van dreigen een voorlopige uitspraak met dwangmiddelen ten uitvoer te gaan leggen dat hier de kwade pier is: dat is in beginsel onrechtmatig en dat schept in beginsel aansprakelijkheid; minder niet. Scherpere regels zijn moeilijk in dit stelsel, waarin nu eenmaal niet voor radicale ‘risicoaansprakelijkheid’ wordt gekozen voor alle gevallen dat een voorlopige uitspraak achteraf niet terecht blijkt te zijn (zoals bepleit door Heemkerk en in wezen ook door Menzis in deze zaak, zoals we zullen zien bij de bespreking van de klachten).
Intussen zijn varianten denkbaar waarin het in beginsel heldere onderscheid tussen vrijwillige nakoming en executiedreiging diffuser is. Ik noem deze in de praktijk voorkomende tussensituaties: er is een verbod/bevel met dwangsom opgelegd in kort geding en de eiser vraagt of gedaagde vrijwillig wil nakomen of dat betekend moet worden (waarna de dwangsomverbeurtebedreiging concreet zou worden), waarna gedaagde vervolgens aangeeft dat betekening niet nodig is, omdat hij zal nakomen; dat kan hij ook eigener beweging aangeven als confraterneel overleg plaatsvindt over de tenuitvoerleggingsmodaliteiten/termijnen en dergelijke. Is dat nog onder de noemer ‘vrijwillig nakomen’ te brengen, of is hier al sprake van ‘executiedwang’/‘actief verlangen van nakoming’ (er ligt immers een verbod/bevel versterkt met dwangsom)? Als ‘gewoon’ wordt vastgehouden aan de regel dat betekening de ‘bodem’ is voor executiedreiging, dan is het antwoord duidelijk – maar besproken is dat er stromingen zijn die dat niet nodig vinden. Slaat dan de aanvankelijke ‘in beginsel’ onrechtmatigheid met ‘in beginsel’ aansprakelijkheid hier om, omdat uiteindelijk ‘vrijwillig’ wordt nagekomen? Of is dit een situatie die valt onder de gevolgen van de aanvankelijke dreiging met executie en is het ‘schepje er boven op’ hier al verricht? Waar liggen hier de afbakeningen? Is dat nader te concretiseren, of moeten we het blijven doen met het onderscheid executiedwang/vrijwillige nakoming en kunnen we uit de voeten met de meervoudige ‘in beginsels’? Het lijkt voor de onderhavige zaak niet nodig om daarvoor een nader kader te scheppen, dus ik laat het bij deze laatste overpeinzingen.
Andere jurisdicties
Een blik over de grens, want deze problematiek doet zich ook elders voor. Daaruit doemt naar Duits en Belgisch recht een vergelijkbaar beeld op: de executant is ook in die rechtsstelsels (in beginsel) ook aansprakelijk als hij een nog niet onherroepelijk en later vernietigd vonnis executeert, of dreigt te executeren. In die landen is dat echter gebaseerd op een procesrechtelijke wettelijke regeling voor dit soort gevallen en is de aansprakelijkheid van de executant dus niet, zoals bij ons, gebaseerd op de algemene bepaling over aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, zoals die nader is ingekleurd op dit terrein door de rechtspraak. Overigens is ook voor het Nederlandse recht voorgesteld om dit in het procesrecht te regelen, maar dat is op dit moment voor zover ik heb kunnen nagaan niet iets dat in de pijplijn zit.
Duits recht
§ 717 Zivilprozessordnung (hierna ‘ZPO’) heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van een ‘gewoon’ bij voorraad uitvoerbaar vonnis dat nadien wordt vernietigd of gewijzigd (bodemzaak). Op grond van het tweede lid is de eiser gehouden de schade te vergoeden die de veroordeelde heeft geleden door de executie van een dergelijk vonnis zelf, ofwel doordat hij heeft gepresteerd om executie te voorkomen, als het vonnis nadien wordt vernietigd of gewijzigd. Het gaat hier om ‘Risicohaftung’, ook wel ‘Gefährdungshaftung’, in de zin dat onrechtmatig handelen en schuld (verwijtbaarheid) van de eiser niet vereist zijn voor de vestiging van de aansprakelijkheid. Enige concrete pressie tot nakoming van het vonnis lijkt echter wel vereist; vrijwillige nakoming lijkt niet onder het bereik van deze bepaling te vallen. Ik citeer Götz uit het Münchener Kommentar op de ZPO, het Duitse standaardcommentaar:
“Weiterhin muss der Gläubiger aus dem vorläufig vollstreckbaren Urteil die Vollstreckung betrieben haben oder der Schuldner muss zur Abwendung der Vollstreckung geleistet haben. Letzteres setzt voraus, dass die Zwangsvollstreckung konkret droht, der Vollstreckungsschuldner sich also einem gegen ihn ausgeübten Vollstreckungsdruck beugt. Dazu reicht nicht schon das Vorliegen eines Titels aus; der Gläubiger muss vielmehr deutlich gemacht haben, dass er schon vor der Rechtskraft des Titels zur Vollstreckung schreitet, wenn nicht geleistet wird. Eine schriftliche oder mündliche Androhung genügt nicht, wenn offensichtlich ist, dass sie nicht alsbald in die Tat umgesetzt werden kann, weil es noch an einer Voraussetzung für die Vollstreckung fehlt, zB wenn noch keine Vollstreckungsklausel beantragt ist oder die Voraussetzungen des § 890 Abs. 2 nicht erfüllt sind. (…)”
Volgens een ander commentaar leidt het uitlokken zelf van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis niet tot aansprakelijkheid: de eiser moet van het vonnis vervolgens ook ‘gebruik gemaakt hebben’. De veroordeelde moet vanwege de concrete executiedreiging (‘konkreten Vollstreckungsdruck’) van de eiser zijn nagekomen; er moet bovendien serieus gedreigd zijn met executie, in de zin dat de eiser heeft aangegeven dat hij gaat executeren als de veroordeelde partij niet nakomt.
§ 945 ZPO bevat een met § 717 ZPO vergelijkbare regeling voor de ‘einstweilige Verfügung’, wat kan worden vertaald als ‘voorlopige voorziening’, een procedure die enigszins vergelijkbaar is met het Nederlandse kort geding. Deze bepaling lijkt dus voor onze zaak het meest relevant. Het BGH heeft voor § 945 ZPO, die een schadevergoedingsaanspraak geeft, onlangs nog bevestigd dat dit een ‘von Rechtswidrigkeit und Schuld unabhängigen Schadensersatzanspruch’ betreft, dus een schadevergoedingsrecht dat aan de geëxecuteerde toekomt onafhankelijk van de vraag of de executant onrechtmatig heeft gehandeld en los van schuld/toerekening. Over § 945 ZPO en § 717 ZPO beiden heeft het BGH overwogen dat daaraan ten grondslag ligt “dem allgemeinen Rechtsgedanken, dass die Vollstreckung aus einem noch nicht endgültigen Titel auf Gefahr des Gläubigers erfolgt (…)”.
Risicoaansprakelijkheid dus, maar ook hier is deze risicoaansprakelijkheid begrensd, in de zin dat alleen schade die is geleden door executie voor vergoeding in aanmerking komt (‘aus der Vollziehung der angeordneten Massregel’ volgens de wettekst), dan wel schade die is geleden doordat de veroordeelde zekerheid heeft gesteld om de executie af te wenden, of heeft gepresteerd om executie af te wenden. Executieschade wordt weliswaar ruim uitgelegd, in de zin dat er niet daadwerkelijk behoeft te zijn geëxecuteerd, maar er moet wel een begin zijn gemaakt met executie die tot enige ‘executiedreiging’ heeft geleid. In de woorden van het BGH:
“(…) Ein nach § 945 ZPO ersatzfähiger Vollziehungsschaden kann bereits eintreten, wenn der Verfügungskläger mit der Vollziehung lediglich begonnen hat. Bei Unterlassungsverfügungen leitet der Titelgläubiger die Vollstreckung durch die zur Wirksamkeit der Beschlussverfügung erforderliche Parteizustellung (§ 922 II ZPO) ein, wenn der zugestellte Titel – wie hier – die in § 890 I ZPO vorgesehenen Ordnungsmittel zugleich androht (BGHZ 131, 141 (143 f.) = NJW 1996, 198). In diesem Fall tritt die mögliche Schadensersatzansprüche auslösende Zwangswirkung unabhängig von einer Zuwiderhandlung des Verfügungsbeklagten ein. Der durch die Anordnung von Ordnungsmitteln durch den Verfügungskläger aufgebaute Vollstreckungsdruck stellt die innere Rechtfertigung für dessen scharfe, verschuldensunabhängige Haftung dar, wenn sich die einstweilige Verfügung als von Anfang an ungerechtfertigt erweist (BGHZ 131, 141 (144) = NJW 1996, 198; BGHZ 168, 352 Rn. 15 = NJW 2006, 2767).”
Een begin van executie is dus al voldoende om de schadevergoedingsaanspraak te activeren. In het geval van een voorlopige voorziening waarbij de gedaagde is veroordeeld iets na te laten (een ‘Unterlassungsverfügung’) wordt de executie ingeleid door een betekening (‘Parteizustellung’), als daarmee de dwangmiddelen van par. 890 lid 1 ZPO dreigen te worden ingezet (zoals hier het geval is, aldus het BGH). Er moet sprake zijn van ‘opgebouwde executiedreiging’ (‘aufgebaute Vollstreckungsdruck’) door middel van de ‘Anordnung von Ordnungsmitteln’. Pas in dat geval is de strikte, niet op schuld/toerekening gebaseerde aansprakelijkheid van § 945 ZPO gerechtvaardigd, aldus het BGH.
In het Münchener Kommentar stelt Drescher over het aanknooppunt voor deze risicoaansprakelijkheid het volgende:
“Dagegen kommt es nicht darauf an, ob die einstweilige Maßregel gegen den Schuldner vollstreckt worden ist. Das Tatbestandsmerkmal der „Vollziehung der angeordneten Maßregel“ iSd § 945 ist aufgrund der gebotenen weiten Auslegung auch dann gegeben, wenn der Schuldner zur Abwendung oder Aufhebung der Vollziehung Sicherheit geleistet oder den Anspruch erfüllt hat. Ebenso reicht es bei einer auf ein bestimmtes Handeln oder Unterlassen gerichteten einstweiligen Verfügung aus, wenn sich der Schuldner dem Gebot oder Verbot entsprechend verhält, ohne erst die Androhung eines Ordnungsgeldes abzuwarten. Nach der Rechtsprechung muss dagegen auch bei der Unterlassungsverfügung irgendeine Gläubigerhandlung vorliegen, die als Beginn einer zwangsweisen Durchführung der Verfügung angesehen werden kann und Vollstreckungsdruck aufbaue. Dazu genüge, wenn die Verfügung die Androhung von Ordnungsmitteln enthalte. Allein die Zustellung der Verfügung im Parteibetrieb ohne Ordnungsmittelandrohung reiche hingegen nicht aus. Der Schuldner muss und sollte sich aber an ein ihm durch Zustellung bekannt gegebenes gerichtliches Unterlassungsgebot auch ohne die Androhung der Bestrafung halten. An der Vollziehung fehlt es daher allein bei freiwilliger Unterwerfung. Das Tatbestandsmerkmal der Vollziehung ist auch erfüllt, wenn der Schuldner nach Erlass einer Leistungsverfügung an den Gläubiger geleistet hat, um die Vollziehung der Maßregel durch Erfüllung des Anspruchs abzuwenden, da die Vollstreckung der Leistungsverfügung nicht durch Sicherheitsleistung abgewendet werden kann.”
Ook naar Duits recht is voor aansprakelijkheid executiedruk nodig. Daartoe is voldoende dat de voorlopige voorziening in dwangmiddelen voorziet. De enkele betekening zonder dat er dwangmiddelen kunnen worden ingezet, voldoet daarentegen niet. Van executie in de zin van § 945 ZPO is geen sprake bij vrijwillige nakoming.
Belgisch recht
In het Belgische Gerechtelijk Wetboek is in art. 1398 bepaald dat de partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis ten uitvoer legt, dat voor eigen risico doet. Het betreft een ‘foutloze risicoaansprakelijkheid’, dat wil zeggen dat de partij die ten uitvoer heeft gelegd gehouden is tot restitutie en schadevergoeding wanneer na de tenuitvoerlegging het vonnis wordt vernietigd of (gedeeltelijk) gewijzigd, zonder dat de wederpartij (de partij tegen wie het vonnis ten uitvoer is gelegd) enige kwade trouw of fout van de executerende partij hoeft te stellen en bewijzen. Niet alleen moet dus het betaalde bedrag worden terugbetaald, maar ook rente over dat bedrag vanaf de dag van betaling tot aan de terugbetaling. Het aansprakelijkheidsregime is niet van toepassing als vrijwillig tot betaling wordt overgegaan. In de woorden van Dirix en Broeckx:
“Voor de toepassing van de uit artikel 1398, tweede lid Ger. W. [het huidige art. 1398 Gerechtelijk Wetboek, A-G] afgeleide risico-aansprakelijkheid volstaat het niet dat het later hervormde vonnis uitvoerbaar bij voorraad was, noch dat de daarbij veroordeelde tot betaling overging overeenkomstig dat vonnis. Essentieel is dat de begunstigde van het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis daarvan gebruikmaakte om de normale schorsende werking van het hoger beroep te doorbreken. (…) Indien daarentegen de veroordeelde partij vrijwillig, zonder daartoe door een uitvoeringsprocedure gedwongen te zijn, tot uitvoering overgaat, ondanks het door hem aangetekende hoger beroep, is er geen sprake van voorlopige tenuitvoerlegging in de zin van artikel 1398, tweede lid Ger. W. en kan er ook geen toepassing gemaakt worden van de risicoaansprakelijkheid (Rb. Leuven 28 november 1995, TBBR 1997, 223).”
Naar Belgisch recht heeft een vonnis ook direct bindende kracht; het moet meteen worden nageleefd.
Zekerheidstelling
Ik wijs aan het slot van deze inleiding nog op op art. 233 lid 3 Rv: de rechter kan zekerheidstelling gelasten bij uitvoerbaar bij voorraad verklaring, voor het geval het vonnis zou worden vernietigd na executie van of voldoening aan het vonnis.
Onderdelen 1 en 2: aansprakelijkheid voor de betekening van een vonnis dat nog geen kracht van gewijsde heeft
Onderdeel 1 is volgens Menzis haar centrale klacht (s.t. Menzis 4.1) en klaagt dat het hof in rov. 3.5 een onjuiste, want te beperkte uitleg geeft aan de cassatierechtspraak over de aansprakelijkheid voor de betekening van een vonnis dat nog geen kracht van gewijsde heeft. Het hof is (kennelijk) van oordeel dat deze aansprakelijkheid pas kan ontstaan indien en zodra de eisende partij nakoming heeft verlangd én (op dat moment) al beschikte over middelen om de uitspraak ten uitvoer te leggen (zie rov. 3.5). Deze laatste voorwaarde (het kunnen beschikken over dwangmiddelen) is echter niet vereist voor aansprakelijkheid. Doorslaggevend is dat de eisende partij nakoming heeft verlangd van een uitvoerbaar verklaard vonnis voordat dit in kracht van gewijsde was gegaan (bijvoorbeeld door het vonnis te laten betekenen aan de wederpartij). De aansprakelijkheid voor betekening knoopt daarmee aan bij het principiële moment waarop de eisende partij haar beschikkingsvrijheid heeft benut door aanspraak te maken op naleving van het (nog aantastbare) vonnis en zodoende de in het vonnis uitgesproken veroordeling(en) tegenover de veroordeelde heeft doen gelden. De vraag of het (nog aantastbare) vonnis zich op dat moment al voor executie leende, is dan ook irrelevant: de aansprakelijkheid ontstaat ongeacht de vraag of de partij die naleving verlangde (al) beschikte over middelen om de uitspraak ten uitvoer te leggen, en ongeacht de vraag of de wederpartij in het geval van niet nakoming (onmiddellijk) het risico liep om met een dwangmiddel te worden geconfronteerd. Het hof heeft het voorgaande miskend. Het hof heeft in rov. 3.5 verder – met miskenning van het voorgaande en toepassing van die onjuiste maatstaf – ten onrechte van (beslissend) gewicht geacht dat het verbod en de geboden uit het tegen Menzis gewezen, maar achteraf vernietigde kortgedingvonnis niet met dwangsommen waren versterkt, dat Goodlife ook anderszins geen dwangmiddelen ter beschikking stonden, en dat het kortgedingvonnis daarom (nog) niet ten uitvoer kon worden gelegd c.q. (nog) niet afdwingbaar was, en heeft op basis hiervan ten onrechte geconcludeerd dat het 'dus' nog altijd ter vrije bepaling van Menzis stond of zij uitvoering zou geven aan het vonnis. Anders dan het hof ten onrechte heeft geoordeeld, is ook niet relevant (althans niet doorslaggevend) dat het achterwege laten van een dwangsom in het algemeen alleen zinvol is als er geen twijfel over bestaat dat de veroordeelde aan de veroordeling zal voldoen, en in dit geval is ingegeven door de mededeling van Menzis dat zij zich zal houden aan het kortgedingvonnis. Evenmin is relevant (althans doorslaggevend) dat het verbod van rechtswege en dus zonder betekening werkte, maar betekening wel nodig was om duidelijkheid te verkrijgen over de daarvan afhankelijk gestelde termijn voor nakoming van de verschillende geboden. Deze omstandigheden zeggen niets over de vraag of, en zo ja, vanaf welk moment de eisende partij aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van de naleving van een later vernietigd vonnis. Voor deze laatste vraag is doorslaggevend dat de nakoming voortijdig (en achteraf gezien: voorbarig) is afgedwongen, bijvoorbeeld door middel van betekening van het vonnis waarmee de eisende partij het vonnis tegenover de veroordeelde heeft doen gelden. Het hof heeft (ook) het voorgaande miskend.
Ik bespreek drie lijnen waarlangs deze klachten in mijn optiek niet opgaan.
In de eerste plaats heeft het hof de schadevergoedingsvordering van Menzis beoordeeld in de sleutel van onrechtmatige executiedreiging (rov. 3.3). Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Het hof heeft vervolgens, na een uiteenzetting van de rechtspraak over aansprakelijkheid voor het afdwingen van nakoming door executiedreiging (rov. 3.4), gemotiveerd geoordeeld dat daarvan in dit geval geen sprake is (rov. 3.5). Kern van de motivering van het hof is dat Goodlife, anders dan de aansprakelijke partijen in genoemde executiedreigingsrechtspraak, niet over dwangmiddelen beschikte om de door haar gewenste nakoming af te dwingen. Dat Goodlife niet over dwangmiddelen beschikte wordt in cassatie niet bestreden. De klacht is in wezen dat het enkele staan op nakoming al voldoende is om de (risico)aansprakelijkheid van de eiser in werking te doen treden, ongeacht of er sprake is van het risico van (onmiddellijke) executie. Het principiële aanknopingspunt voor aansprakelijkheid zou het moment zijn waarop de eisende partij haar beschikkingsvrijheid heeft benut door aanspraak te maken op naleving van het vonnis en zodoende het vonnis tegenover de veroordeelde heeft doen gelden.
Dat het verlangen van nakoming van het vonnis de aanknoping vormt voor aansprakelijkheid van de eiser, is verdedigbaar op grond van Oyster Pond, waarin is overwogen dat betekening van het vonnis in beginsel executiedreiging behelst omdat de eiser daarmee te kennen geeft nakoming te verlangen. Besproken is ook in de inleiding dat wel wordt verdedigd dat het (actief) verlangen van nakoming onder omstandigheden aanleiding kan geven tot aansprakelijkheid. In Oyster Pond en in de in de PI in voetnoot 1 aangehaalde rechtspraak was de veroordeling echter wél versterkt met een dwangsom, zodat er in die zin door de betekening (waarna de dwangsommen pas verbeurd kunnen raken, zie art. 611a lid 3 Rv) ook reële, concrete executiedreiging was. In de onderhavige zaak liep Menzis niet (onmiddellijk) het risico om met een dwangmiddel te worden geconfronteerd. Molkenboer ziet in zijn annotatie van het bestreden arrest net als het hof Goodlife niet als ‘potentiële executant’ en dat onderscheidt ons geval volgens hem van Oyster Pond. Potentiële executant is Goodlife denk ik wel (bij niet-naleving door Menzis van het betekende vonnis kan Goodlife een executiegeschil entameren; zo ook s.t. Menzis 4.11), maar op het moment van betekening en de e-mailberichten van Goodlife aan Menzis (aangehaald in rov. 3.2) inderdaad nog niet. Goodlife kon haar dreigen met executie met andere woorden niet onmiddellijk omzetten in daden. Daarvoor was een nader dwangmiddel nodig. Zo bezien is Menzis hier niet onder executiedreiging nagekomen (er was geen pressie tot naleven), en is Goodlife niet aansprakelijk voor het naleven door Menzis van het uiteindelijk vernietigde vonnis. De klachten stuiten hierop af.
De tweede lijn vertrekt vanuit deze invalshoek. Het gaat uiteindelijk om de vraag wanneer het gerechtvaardigd is om het risico van de uitvoering van een voorlopige uitspraak in dit soort gevallen bij eiser of juist bij de veroordeelde partij te leggen. Die risicoverdelingsvraag is volgens mij wat achter het in (internationale) literatuur en rechtspraak breed geaccepteerde onderscheid zit tussen ‘vrijwillige’ nakoming en ‘onvrijwillige’ tenuitvoerlegging. Misschien is niet altijd eenvoudig uit te maken wanneer sprake is van vrijwillige nakoming of ‘gedwongen’ tenuitvoerlegging, maar de ratio van dit onderscheid lijkt mij dat door een verkregen uitvoerbaarheid bij voorraad de schuldeiser het recht in de vorm van een bevoegdheid heeft gekregen om zo’n uitspraak ten uitvoer te leggen en daarmee om de schorsende werking van een hogere voorziening te doorbreken. Die eiser hoeft van die bevoegdheid geen gebruik te maken. Zodra eiser echter gebruik maakt van de bevoegdheid om de nog niet definitieve uitspraak al ten uitvoer te doen leggen, is hij ‘in beginsel’ aansprakelijk voor eventuele schade die daardoor wordt geleden. Dat creëert een risicoverschuiving, omdat eiser dan – in de bewoordingen van Ciba Geigy/[…] – wist althans behoorde te weten dat hij handelde op basis van een voorlopige maatregel. Als eiser van zijn recht om voortijdig ten uitvoer te leggen geen gebruik maakt, dan draagt de veroordeelde partij die vrijwillig nakomt zelf het risico van het voldoen aan de uitspraak. De veroordeelde wordt dan namelijk niet door uitoefening van de bevoegdheid van eiser om tot executie over te gaan daartoe gedwongen. Dan verschuift het risico niet naar eiser. In dat geval heeft eiser zijn handelen immers niet gebaseerd op de voorlopige maatregel, maar is het juist de veroordeelde die ‘vrijwillig’ zijn handelen op een voorlopige maatregel heeft gebaseerd.
Het hangt af van de omstandigheden wanneer er sprake is van vrijwillige of onvrijwillige nakoming/tenuitvoerlegging. Ik denk dat voor de rechtszekerheid van het omslaan van het risico van de tenuitvoerlegging een in beginsel heldere lijn moet worden getrokken. Is het verlangen van nakoming of het betekenen van een vonnis dan voldoende om die aansprakelijkheid neer te leggen bij eiser? Dat hangt ervan af. Dat moet worden beoordeeld in het licht van de hiervoor uiteengezette ratio dat in ieder geval wel een begin van tenuitvoerlegging moet zijn gemaakt door eiser. In ons geval is daarvan geen sprake, want er waren geen dwangmiddelen voorhanden. Eiser kón dus niet executeren. Met andere woorden: eiser heeft geen gebruik gemaakt van zijn recht op voortijdige tenuitvoerlegging. In die constellatie is geen sprake van afgedwongen nakoming, zoals de klacht ingang wil doen vinden. Ook langs deze tweede lijn kan onderdeel 1 niet tot cassatie leiden.
Een derde lijn die in verwerping van de klachten van onderdeel 1 uitmondt, is deze. In zowel de besproken Nederlandse als buitenlandse rechtspraak en literatuur wordt vrijwillige nakoming van een vonnis onderscheiden van door executiedreiging afgedwongen nakoming van een vonnis. Vrijwillige nakoming doet geen schadevergoedingsaanspraak ontstaan, zo wordt algemeen aangenomen. Dat onderscheid speelt in deze zaak ook een rol, want het hof heeft in rov. 3.5 geoordeeld dat aan de uitvoering van het vonnis kennelijk een eigen afweging van Menzis ten grondslag heeft gelegen. Dat laat zich verstaan als: Menzis is om haar moverende redenen vrijwillig nagekomen, niet door executiedruk van de kant van Goodlife. Dat oordeel kan zelfstandig dragen dat Menzis geen schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van Goodlife toekomt. Er ontbreekt dan immers causaal (vestigings)verband tussen het handelen van Goodlife en de schade die Menzis heeft geleden. Anders gezegd: wat er ook zij van wat Goodlife heeft gedaan, Menzis is op grond van eigen overwegingen nagekomen door af te zien van haar voorgenomen preferentiebeleid voor vitamine D. Die Menzis moverende redenen zijn hier ook goed denkbaar: Menzis mocht op grond van het kortgedingvonnis dit preferentiebeleid niet voeren en door dat wel te doen zou zij (bij in stand blijven van het kortgedingvonnis) mogelijk niet alleen onrechtmatig hebben gehandeld jegens Goodlife, maar ook jegens andere partijen. Ook zo bezien kunnen de klachten van onderdeel 1 geen doel treffen.
De motiveringsklachten van onderdeel 2 laten zich als volgt samenvatten. Het hof stelt in rov. 2.1 vast dat Goodlife het kortgedingvonnis aan Menzis heeft laten betekenen en nakoming daarvan heeft verlangd en dat dat vonnis nadien is vernietigd en de vorderingen van Goodlife alsnog zijn afgewezen. Menzis heeft gevorderd voor recht te verklaren dat Goodlife jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door naleving te verlangen van het kortgedingvonnis en dat Goodlife aansprakelijk is voor de schade die Menzis als gevolg daarvan heeft geleden (rov. 2.3). In het licht van deze (vast)stellingen en overwegingen heeft het hof niet (zonder nadere, maar ontbrekende toelichting) kunnen oordelen dat Goodlife niet aansprakelijk is voor de schade die Menzis heeft geleden als gevolg van de gedwongen naleving van het later vernietigde kortgedingvonnis.
Deze klachten falen; het hofoordeel is goed te volgen. De klachten zijn gericht tegen rov. 2.1 en 2.3 die onder het kopje ‘De kern van de zaak’ staan en aan de beoordeling onder 3 voorafgaan. Een samenvatting derhalve. De klacht miskent ook dat de reden voor de betekening ondanks de toezegging van Menzis dat zij vrijwillig zou voldoen was om helder te krijgen wanneer termijnen gingen lopen. De klacht is verder gericht tegen het oordeel in rov. 3.5 dat Menzis vrijwillig, om haar moverende redenen, het kortgedingvonnis is nagekomen. Zoals uit de uitvoeriger bespreking van de rechtsklachten van onderdeel 1 blijkt, is dat oordeel ook goed te volgen en kan dat de afwijzing van de schadevergoedingsvordering van Menzis al zelfstandig dragen. Er ontbreekt dan immers causaal (vestigings)verband tussen het handelen van Menzis en dat van Goodlife. Ook daarop stuiten deze motiveringsklachten af.
Onderdeel 3 (maatschappelijke gerechtvaardigdheid)
Onderdeel 3 klaagt dat het hof verder of althans heeft miskend dat bij de vraag wie de schade moet dragen van een nageleefde uitspraak die achteraf onjuist blijkt, beslissend is wat maatschappelijk meer gerechtvaardigd is. Naar Menzis heeft aangevoerd, leidt de door het hof gevolgde benadering tot maatschappelijk onwenselijke en ongerechtvaardigde uitkomsten voor overheden, (semi)overheidsinstellingen en instellingen met een maatschappelijke taak (zoals Menzis). Dat heeft namelijk tot gevolg dat dergelijke partijen - aan wie (doorgaans) geen dwangsom wordt opgelegd, omdat de rechter niet hoeft te betwijfelen dat zij aan de veroordeling zullen voldoen (vgl. rov. 3.5) - iedere mogelijkheid verliezen om de schade vergoed te krijgen die is ontstaan door het naleven van een uitspraak die achteraf onjuist blijkt te zijn. Op hun beurt hoeven eisende partijen die (kortgeding)procedures beginnen tegen (semi)overheidslichamen en instellingen met een maatschappelijke taak bij deze benadering nooit, althans in beginsel niet, te vrezen voor aansprakelijkheid wanneer zij de naleving verlangen van een of meer veroordelingen voordat deze in kracht van gewijsde zijn gegaan. Dit zou tot het ongerijmde resultaat leiden dat de partij die zich met succes verweert tegen de gevorderde dwangsom en de haar opgelegde veroordeling(en) naleeft (zoals Menzis heeft gedaan) slechter af is dan de partij die door middel van een dwangsom tot nakoming moet worden bewogen. Dat is maatschappelijk niet gerechtvaardigd, althans (veel) minder gerechtvaardigd dan de omgekeerde oplossing, die erop neerkomt dat de partij die op naleving heeft gestaan in beginsel aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade als achteraf blijkt dat het door haar (in kort geding) gepretendeerde recht niet bestaat. Het onderhavige geval dwingt temeer, althans in elk geval, tot voorgaande conclusie aangezien (naar Menzis heeft gesteld):
(i) Goodlife niet alleen heeft gevorderd (en vervolgens afgedwongen) dat Menzis tegenover haar geen preferentiebeleid op vitamine D voert, maar een algemeen verbod op het voeren van preferentiebeleid op vitamine D heeft gevorderd (en afgedwongen); en/of
(ii) Menzis - een zorgverzekeraar zonder winstoogmerk, met een wettelijke taak om de zorgkosten te beheersen - als gevolg hiervan een aanzienlijke kostenbesparing niet heeft kunnen realiseren, terwijl Goodlife hiervan (rechtstreeks) heeft geprofiteerd, omdat zij haar eigen middelen tegen hoge prijzen kon blijven afzetten.
Als dit oordeel om genoemde redenen niet onjuist is, is sprake van een motiveringsgebrek, omdat het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang waarom deze uitkomst dan tóch maatschappelijk (meer) gerechtvaardigd is, en niet ingaat op de door Menzis aangevoerde essentiële stelling dat de door het hof gekozen benadering tot gevolg heeft dat een zorgverzekeraar als Menzis bij voorbaat haar aanspraak verliest op vergoeding van de schade die het gevolg is van de naleving van een later vernietigd vonnis.
De opvatting van onderdeel 3 gaat verder dan de besproken ratio voor de aansprakelijkheid van de executant uit Ciba Geigy/[…], rov. 3.4. Het staat in feite een systeem voor dat ook zonder ‘afdwingen’ van nakoming van een uitspraak in kort geding de schade vergoed moet worden door degene die het kort geding is gestart. Te betogen valt dat hetgeen maatschappelijk gerechtvaardigd is afhankelijk is van het handelen van de partij die een gunstige veroordeling in kort geding heeft verkregen dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard: heeft diegene gebruik gemaakt van de daarmee voor deze partij geschapen bevoegdheid om dat vonnis voortijdig ten uitvoer te doen leggen teneinde zo nakoming af te dwingen (door daadwerkelijk te executeren, of door executiedreiging)? Het is een keuze en dus een beslismoment in deze zaak, maar dat kan wat mij betreft als een maatschappelijk gerechtvaardigd stelsel worden gezien, afgezet tegen een soort ‘pure risicoaansprakelijkheid’ voor degene die een kort geding start en dat in eerste instantie wint, maar uiteindelijk zijn executoriale titel verliest. De ratio van het stelsel van Ciba Geigy/[…] berustte op het feit dat de executant willens en wetens overging tot executie van een voorlopige maatregel. Dat lijkt mij hier als besproken niet het geval te zijn. Het oordeel van het hof getuigt in die visie niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Daarbij is ook nog een gezichtspunt dat Menzis zekerheidstelling had kunnen vragen van Goodlife voor de schade die Menzis lijdt in het geval de (vrijwillig) door Menzis nageleefde veroordeling nadien weg zou vallen (hiervoor besproken in 3.28). In dat geval doet zich niet voor wat hier mogelijk wringt, namelijk dat Menzis vrijwillig het kortgedingvonnis is nagekomen en nu met de schade zit opgescheept. Menzis kwam overigens ook een vordering uit onverschuldigde betaling toe, zoals volgt uit het Kalverhormonenarrest, al aangehaald. Ook bij prestaties om te doen of niet te doen kan een vordering uit onverschuldigde betaling worden ingesteld. Weliswaar moet de waarde van het onverschuldigde betaalde (nakoming van het verbod in het kort geding) dan worden begroot/getaxeerd, maar dat is mogelijk bij een vordering uit onverschuldigde betaling. Dat is mogelijk complex, maar niet onmogelijk. Ook in die zin staan partijen als Menzis niet met lege handen. Daar ketst naar ik meen ook de motiveringsklacht op af.
Executiedreiging (onderdeel 4)
Onderdeel 4 klaagt dat verder/althans in rov. 3.5 is miskend dat hier wel degelijk sprake is geweest van onrechtmatige dreiging met executie in de vorm van de betekening van het vonnis en de daaraan voorafgaande en daarop volgende berichten van Goodlife (van 6 en 9 november 2018, zie rov. 3.5). Het hof heeft in het bijzonder vastgesteld dat Goodlife in het bericht van 9 november 2018 (daags na de betekening) sprak over het executeren door een deurwaarder van het kortgedingvonnis (rov. 3.5). Letterlijk schreef Goodlife het volgende (rov. 3.2): "Indien een en ander binnen 1 week na de betekening van het vonnis niet geregeld blijkt te zijn, zijn wij helaas genoodzaakt deurwaarder te verzoeken om het vonnis te executeren." Dat levert onrechtmatige dreiging met executie op. Dat het kortgedingvonnis op de genoemde momenten (nog) niet te executeren was, doet niet af aan de dreigende werking van de betekening en van de berichten van 6 en 9 november 2018 (zie ook onderdelen 1-2 hiervoor); in dit laatste bericht wordt (nota bene) executie door de deurwaarder in het vooruitzicht gesteld. Goodlife maakte met deze laatste actie dus andermaal duidelijk dat executie (in een later stadium) - hoe dan ook - zou volgen. Menzis heeft de dreiging zijdens Goodlife ook feitelijk zo ervaren. Is hier niet miskend dat deze omstandigheden - ieder voor zich en in samenhang beschouwd - onrechtmatige dreiging met executie opleveren, dan is in het licht van deze omstandigheden zonder nadere maar niet gegeven toelichting ontoereikend gemotiveerd waarom desondanks geen sprake is van onrechtmatige dreiging met executie. De enkele opmerking dat 'dit niet anders wordt' doordat in het bericht van 9 november 2018 wordt gesproken over het executeren van het kortgedingvonnis, is hier niet toereikend.
Uit Pond Oyster, eerder aangehaald, blijkt dat betekening in beginsel executiedreiging oplevert. Onder bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn. Dat is hier niet miskend, doordat is geoordeeld dat zich hier een uitzondering voordoet, zie rov. 3.5: ‘tegen deze bijzondere achtergrond’ is geen sprake van executiedreiging. Die bijzondere achtergrond is het gegeven dat Goodlife niet kon executeren, omdat het dictum niet was versterkt met dwangmiddelen. Anders dan de klacht bepleit lijkt het gegeven van het ontbreken van dwangmiddelen hier wel relevant. Ciba Geigy/[…] en Pond Oyster gaan uit van het nakomen onder pressie, onder druk van executie. Zoals besproken zit daar ook een heldere ratio achter. Van executiedreiging kan hier geen sprake zijn, omdat er nog geen executiemiddel was. Menzis heeft dan ook niet gepresteerd om executie af te wenden, maar uit eigen beweging (rov. 3.5). Dat hier ook anders over kan worden geoordeeld, heb ik hiervoor al aangegeven in voetnoot 85.
Het onderdeel klaagt verder nog dat duidelijk is dat Goodlife ‘uiteindelijk’ zou executeren, namelijk in een ‘later stadium’, en dat daarom sprake is van executiedreiging. Mogelijk wordt hier geduid op de eventualiteit dat Goodlife een executiegeschil zou kunnen beginnen en zo dwangmiddelen had kunnen verkrijgen. Maar de klacht licht niet toe aan waar Menzis die stelling in feitelijke instanties heeft ingenomen. Het hof heeft ook niet vastgesteld dat Goodlife op het punt stond dit te doen, of eventueel later zou gaan doen. Overigens is daarbij de vraag of dat wél voldoende zou zijn voor concrete, reële executiedreiging. Dat is uiteindelijk een feitelijke beoordeling, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het is goed te volgen dat in dit geval (geen dwangmiddelen en ook nog geen executiegeschil gestart om die te krijgen) het hof heeft geoordeeld dat géén sprake is van executiedreiging.
Bovendien is, als eerder besproken, geoordeeld dat Menzis het vonnis op grond van een eigen afweging is nagekomen (rov. 3.5). Daardoor ontbreekt causaal (vestigings)verband en belang bij deze klachten in cassatie. De klachten stuiten op het voorgaande af.
Onderdeel 5 (omstandigheden)
Onderdeel 5 klaagt dat het hof althans miskent dat de in rov. 3.5 genoemde en hierboven besproken omstandigheden noch ieder afzonderlijk noch in combinatie bijzondere omstandigheden vormen die een uitzondering rechtvaardigen op de regel dat degene die naleving verlangt van een vonnis dat nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, in beginsel onrechtmatig handelt en schadeplichtig is wanneer het vonnis in hoger beroep wordt vernietigd. De door het hof genoemde omstandigheden zijn geen bijzondere omstandigheden, omdat deze zich voordoen in iedere zaak waarin naleving wordt gevraagd van een veroordeling die niet is versterkt met een dwangsom, en dus in (vrijwel) iedere zaak tegen overheden, (semi)overheidsinstellingen en instellingen met een maatschappelijke taak; aan deze partijen worden in beginsel immers geen dwangsommen opgelegd (vgl. rov. 3.5), omdat van hen wordt verwacht dat zij rechterlijke uitspraken ook zonder dreiging met executie uitvoeren, als de eisende partij naleving verlangt. Deze omstandigheden leveren geen rechtvaardiging op voor het maken van een uitzondering (onder verwijzing naar onderdeel 3). Dat is miskend en zo niet, dan is niet toereikend gemotiveerd waarom in dit geval een uitzondering moet worden gemaakt op het beginsel van (risico)aansprakelijkheid voor de betekening van een vonnis dat nog geen kracht van gewijsde heeft. Dit geldt temeer, althans in elk geval, wanneer, zoals in deze zaak (naar Menzis heeft gesteld):
(iii) Goodlife driemaal heeft aangedrongen op naleving van het later vernietigde kortgedingvonnis (bij bericht van 6 november 2018, vervolgens door de betekening op 8 november 2018 en daarna nogmaals bij bericht van 9 november 2018 (met verwijzing naar executie door de deurwaarder), terwijl Goodlife bovendien sinds 7 november 2018 wist dat Menzis in appel zou gaan); en/of
(iv) Goodlife niet alleen heeft gevorderd (en vervolgens afgedwongen) dat Menzis tegenover haar geen preferentiebeleid op vitamine D voert, maar een algemeen verbod op het voeren van preferentiebeleid op vitamine D heeft gevorderd (en afgedwongen); en/of
(v) Menzis - een zorgverzekeraar zonder winstoogmerk, met een wettelijke taak om de zorgkosten te beheersen - als gevolg hiervan een aanzienlijke kostenbesparing niet heeft kunnen realiseren, terwijl Goodlife hiervan (rechtstreeks) heeft geprofiteerd, omdat zij haar eigen middelen tegen hoge prijzen kon blijven afzetten.
Deze omstandigheden pleiten immers vóór het vasthouden aan de hoofdregel en tégen het aannemen van een uitzondering daarop in dit specifieke geval: niet Menzis maar Goodlife heeft hier kennelijk een eigen afweging gemaakt omtrent de risico's die waren verbonden aan het aanspraak (blijven) maken op naleving van het kortgedingvonnis, tegen de achtergrond van het voorgenomen hoger beroep en de te starten bodemprocedure (vgl. rov. 3.5). Daarvan moet Goodlife het risico dragen.
Deze klachten zie ik ook niet slagen. Menzis heeft, zoals deze klachten ook tot uitgangspunt nemen, een algemeen verbod op het voeren van preferentiebeleid opgelegd gekregen. Dat maakt ook inzichtelijk waarom Menzis redenen kan hebben gehad om zich (eigener beweging) aan die uitspraak te houden, de eerder besproken ‘eigen afweging’ van Menzis uit rov. 3.5. Het zich niet houden aan dit verbod bracht voor Menzis immers het risico mee op aansprakelijkheid jegens niet alleen Menzis, maar ook derden voor het geval het kortgedingvonnis wél in stand zou zijn gebleven. Bovendien had Menzis zoals besproken een vordering uit onverschuldigde betaling kunnen instellen tegen Goodlife en/of zekerheidstelling kunnen verlangen van Goodlife. Menzis en andere vergelijkebare (semi)overheidspartijen staan in dit soort situaties in weerwil van wat de klachten suggereren dus niet met lege handen. Ook onderdeel 5 zie ik daarom niet tot cassatie leiden.
Onderdelen 6 en 7 (vrijwillige nakoming)
Onderdeel 6 richt een voortbouwende klacht tegen de meerbesproken kennelijke ‘eigen afweging’ van Menzis in rov. 3.5 over de risico's die waren verbonden aan het niet naleven van het kortgedingvonnis tegen de achtergrond van het voorgenomen hoger beroep en de te starten bodemprocedure. Deze oordelen bouwen volgens de klacht voort op het oordeel in rov. 3.1-3.5 dat geen sprake is geweest van onrechtmatige dreiging met executie en op de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Het hof overweegt in rov. 3.4 immers dat van het geval van onrechtmatige dreiging met executie moet worden onderscheiden het geval dat vrijwillig aan een vonnis wordt voldaan. De klachten in onderdelen 1-5 tasten daarom ook deze oordelen aan over de 'vrijwillige' nakoming door Menzis.
Dit mist naar ik meen feitelijke grondslag, omdat dit aangevallen oordeel mij niet lijkt voort te bouwen op de daaraan voorafgaande oordelen dat er geen sprake is van onrechtmatige executiedreiging. Daar ketst onderdeel 6 op af.
Onderdeel 7 vertrekt vanuit het volgens mij juiste uitgangspunt dat indien en voor zover het arrest anders moet worden gelezen (dan waar onderdeel 6 vanuit gaat) en de afwijzing van Goodlife’s aansprakelijkheid in rov. 3.1-3.5 is gebaseerd op het oordeel dat Menzis vrijwillig is nagekomen. Dan is dat onjuist of ontoereikend gemotiveerd. In de eerste plaats is dan miskend dat een partij (i) die tegen haar wil wordt veroordeeld, en (ii) wier wederpartij op naleving van de veroordeling staat, niet vrijwillig aan die veroordeling voldoet. Het oordeel dat vrijwillig is voldaan, valt althans niet te rijmen met die vaststellingen en is dus onbegrijpelijk. Aan een andersluidende conclusie moeten hoge eisen gesteld worden, temeer nu de enkele voldoening aan een uitspraak geen berusting oplevert en zelfs het niet instellen van hoger beroep respectievelijk het berusten in een uitspraak onvoldoende grond is om aan te nemen dat de veroordeelde vrijwillig voldoet. In de tweede plaats is dat oordeel rechtens onjuist omdat een veroordeelde "aanstonds gehouden [is] tot nakoming van het vonnis". Het stond dus helemaal niet ter vrije bepaling van Menzis of zij uitvoering zou geven aan het kortgedingvonnis. Dat is ook miskend. Indien en voor zover gewicht is toegekend aan de opmerking zijdens Menzis ter zitting dat zij zich zal houden aan het kortgedingvonnis, is dat onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd, omdat een partij die bevestigt zich te zullen houden aan wat het recht van haar eist, daarmee nog niet (i) vrijwillig nakomt, of (ii) afstand doet van haar recht op schadevergoeding als achteraf blijkt dat haar wederpartij niet het recht had nakoming van haar te verlangen. Het hof passeert dan bovendien ten onrechte - zonder enige motivering - de essentiële stellingen waarmee Menzis heeft toegelicht dat niet is voldaan aan de criteria voor het aannemen van vrijwillige nakoming c.q. afstand van recht.
Ik zie ook deze klachten niet slagen. Ook in de door de klachten geschetste situatie kan sprake zijn van ‘vrijwillige’ nakoming in de zin die daaraan wordt toegekend in rechtspraak en literatuur over aansprakelijkheid voor (dreiging met) executie van een voorlopige uitspraak. Menzis kan weliswaar tegen haar wil zijn veroordeeld, appel hebben ingesteld, een bodemzaak willen beginnen en dergelijke meer, maar dat neemt niet weg dat nog steeds sprake kan zijn van ‘vrijwillig’ voldoen aan het vonnis. Dat alles laat namelijk onverlet dat ondanks die omstandigheden uit eigener beweging de veroordeling is nagekomen; vrijwillige nakoming betekent, zoals is besproken, dat de veroordeelde partij niet door tenuitvoerlegging zelf of door dreiging daarmee is overgegaan tot naleving van het vonnis. Ik besprak hiervoor al dat voor risico-overgang een handelen nodig is van in dit geval Goodlife om te bewerkstelligen dat Menzis gaat nakomen. Of daarvan hier sprake was, behelst een in hoge mate feitelijk oordeel en het hof heeft hier anders geoordeeld. Dat lijkt mij als ook al eerder besproken niet onjuist en goed te volgen. Dat Menzis meteen gehouden was om het vonnis na te komen en er daarom dus geen sprake kan zijn van vrijwillige nakoming, zoals de klacht nog aanvoert, is niet in lijn met de besproken vaste rechtspraak hier en ook in onze buurlanden over het onderscheid tussen vrijwillige nakoming en afgedongen tenuitvoerlegging (of dreiging daarmee). Ook deze klachten kunnen in mijn optiek niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 8 (voortbouwklacht)
De loutere voortbouwklacht van onderdeel 8 behoeft geen afzonderlijke bespreking en deelt het lot van de voorafgaande klachten.
4 Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G