Burgerlijk procesrecht
Procesrecht. Herstelbeschikking waarin het hof een nadere specificering heeft aangebracht in het dictum van…
ECLI:NL:PHR:2026:865 · Parket bij de Hoge Raad · 11 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/ecli-nl-phr-2026-865
Zaakgegevens
Op 11 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 september 2026
- Datum publicatie
- 10 september 2026
- Zaaknummer
- 25/04457
- Rechtsgebied
- Civiel recht Burgerlijk procesrecht
- Advocaat
- mr. R.R Oudijk, mr. M.W Scheltema, mr. R.M Andes
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:865
Samenvatting
Procesrecht. Herstelbeschikking waarin het hof een nadere specificering heeft aangebracht in het dictum van zijn oorspronkelijke beschikking. Ontvankelijkheid cassatieberoep; is doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv mogelijk in geval geen rechtsmiddel openstaat tegen de oorspronkelijke beschikking (in dit geval: een beschikking op de voet van art. 4 lid 5 Belemmeringenwet Privaatrecht (oud))? Is sprake van kennelijke fout als bedoeld in art. 31 Rv?
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04457
Zitting 11 september 2026
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
Stichting Twickel
advocaat: mr. R.R. Oudijk
tegen
1. De Staat der Nederlanden (de minister van Infrastructuur en Waterstaat)
advocaat: mr. M.W. Scheltema
2. TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT)
advocaat: mr. R.M. Andes
1 Inleiding en samenvatting
In deze zaak – een vernietigingsprocedure op de voet van art. 4 lid 1 van de inmiddels vervallen Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BP (oud)) – heeft het hof een herstelbeschikking gewezen waarin het twee verschrijvingen in zijn eerdere beschikking heeft verbeterd. Tegen die herstelbeschikking is door de Stichting Twickel (hierna: de Stichting) cassatieberoep ingesteld, onder meer op de grond dat het hof bij de rectificatie van één van deze verschrijvingen buiten het toepassingsgebied van art. 31 lid 1 Rv is getreden.
Een voorvraag die aan de orde komt is of de Stichting ontvankelijk is in haar cassatieberoep. Niet alleen omdat op grond van art. 31 lid 4 Rv een rechtsmiddelenverbod geldt voor een beslissing tot verbetering, maar óók omdat ingevolge art. 4 lid 5, tweede volzin, BP (oud) geen rechtsmiddel openstaat tegen de (oorspronkelijke) beschikking van het hof in de vernietigingsprocedure. Is het in zo’n geval wel mogelijk om onder aanvoering van doorbrekingsgronden een rechtsmiddel in te stellen tegen de herstelbeschikking? Deze vraag is – voor zover ik heb kunnen nagaan – nog niet eerder aan de Hoge Raad voorgelegd. M.i. dient de vraag bevestigend beantwoord te worden.
De tegen de herstelbeschikking gerichte klachten slagen m.i. niet. Het hof is niet buiten het toepassingsgebied van art. 31 lid 1 Rv getreden door het aanbrengen van een voor partijen en derden kenbare nadere specificatie in het dictum van zijn beschikking.
2 Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, ontleend aan de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 mei 2025.
De Stichting is eigenaar van diverse percelen grond in de gemeenten Ambt-Almelo, Ambt-Delden en Hengelo (Overijssel). Zij beheert daar een landgoed. De percelen grond worden gebruikt ten behoeve van de aanleg en instandhouding van natuur en/of ten behoeve van agrarische doeleinden.
TenneT is de beheerder van het landelijke hoogspanningsnet (Elektriciteitswet 1998). Eén van haar taken is het opsporen en voorkomen van knelpunten in het net en het met het oog daarop tijdig realiseren van nieuwe kabelverbindingen. TenneT moet ook de gerealiseerde verbindingen optimaal kunnen beheren, onderhouden en veilig houden, om te voldoen aan wettelijk vastgestelde verantwoordelijkheden. Omdat bleek dat in het elektriciteitsnet in de provincie Overijssel sprake is van diverse knelpunten, legt TenneT een nieuwe ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding aan tussen de hoogspanningsstations Hengelo-Weideweg en Almelo-Mosterdpot. De hoogspanningsverbinding heeft een lengte van 17,5 kilometer en loopt door de gemeenten Hengelo (Overijssel), Hof van Twente en Almelo. De ondergrondse verbinding wordt gedeeltelijk aangelegd door middel van een open ontgraving en gedeeltelijk door middel van een gestuurde boring. Een groot deel van de verbinding loopt over percelen grond die in eigendom zijn van de Stichting.
De gemeenten Hengelo (Overijssel), Hof van Twente en Almelo hebben de volgende bestemmingsplannen vastgesteld ten behoeve van de aanleg van de hoogspanningsverbinding:
- gemeente Hengelo (Overijssel): ‘Parapluplan ondergrondse 110 kV kabelverbinding Almelo Mosterdpot-Hengelo Weideweg’ vastgesteld op 8 juni 2022;
- gemeente Hof van Twente: het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hof van Twente, herziening hoogspanning tracé Almelo-Hengelo’ vastgesteld op 13 september 2022;
- gemeente Almelo: ‘Herziening ondergrondse 110kV kabelverbinding’ vastgesteld op 8 maart 2022.
De bestemmingsplannen zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de hierboven genoemde gemeenten.
In de bestemmingsplannen staat dat het verboden is om, in het gebied waarop het bestemmingsplan van toepassing is (het tracé van de hoogspanningsverbinding), zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden, de nader in die plannen aangeduide activiteiten, werken en/of werkzaamheden uit te voeren. Tot die activiteiten en werkzaamheden behoren:
- Het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplanting en bomen;
- Het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
- Het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
- Het aanleggen van opstallen;
- Het indrijven van voorwerpen in de bodem;
- Het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage;
- Het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
- Het permanent opslaan van goederen of materialen;
- Het tijdelijk opslaan van zwaar materiaal.
Verder staat in de bestemmingsplannen dat een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden kan worden verleend na voorafgaand schriftelijk advies van de betreffende leidingbeheerder (in dit geval: TenneT) en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de hoogspanningsverbinding.
De Stichting en TenneT hebben geprobeerd om afspraken te maken over de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding op het tracé Hengelo Weideweg-Almelo Mosterdpot, maar partijen bereikten geen overeenstemming.
TenneT heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: de minister) vervolgens op grond van art. 1 in samenhang met art. 2 lid 5 BP (oud) gevraagd om aan de Stichting een gedoogplicht op te leggen voor het gewenste tracé. De minister heeft die gedoogplicht in zijn beschikking van 28 maart 2024 (RWS-2024/10674) (hierna: de gedoogbeschikking) aan de Stichting opgelegd. De gedoogplicht houdt in dat de Stichting de aanleg en instandhouding door TenneT van de nieuwe ondergrondse 110 kV-hoogspanningsverbinding Hengelo-Weideweg en Almelo-Mosterdpot op haar percelen grond moet gedogen en recht heeft op vergoeding van eventuele schade.
Op pagina 10 en 11 van de gedoogbeschikking worden onder het opschrift “Permanente belemmering (instandhoudingsfase)” gebruiksbeperkingen beschreven, die gelden ter plaatse van de in die beschikking aangewezen belemmerde strook grond. Er staat in de gedoogbeschikking:
“Voor de ongestoorde ligging en veilige werking van de ondergrondse hoogspanningsverbindingen is het nodig dat op een strook grond (hierna: belemmerde strook) gebruiksbeperkingen gelden. Deze belemmerde strook is per perceel aangegeven op de situatietekeningen die als bijlagen bij deze beschikking horen.”
In bijlage 3 bij de gedoogbeschikking zijn kaarten opgenomen waarop (onder andere) de permanent belemmerde strook is ingetekend. De gedoogbeschikking vermeldt verder dat “de gebruiksbeperkingen in de belemmerde strook (...) identiek [zijn] aan de regels behorend bij de bestemmingsplannen”. Vervolgens is opgesomd om welke gebruiksbeperkingen het concreet gaat (zie de hiervoor in 2.4 opgenomen opsomming).
Op pagina 21 onder punt 4 van de gedoogbeschikking wordt beschreven dat de Stichting onder meer bezwaar heeft tegen het opnemen van de gebruiksbeperkingen in de gedoogbeschikking, omdat er al een aanlegvergunningenstelsel in de bestemmingsplannen is opgenomen. Volgens de Stichting is het dubbelop, rechtsonzeker en niet met voldoende waarborgen omkleed als die gebruiksbeperkingen óók als zelfstandige, gebruiksbeperkingen in de gedoogbeschikking worden opgenomen.
De minister heeft op pagina 33 van de gedoogbeschikking als volgt gereageerd op het hiervoor in 2.8 genoemde bezwaar van de Stichting:
“Met betrekking tot het door rechthebbende 1 [de Stichting] gestelde bezwaarpunt 4 dat het niet nodig is om gebruiksbeperkingen op te nemen in de gedoogbeschikking, omdat er al een aanlegvergunningenstelsel in de bestemmingsplannen zit, merk ik op dat ik dit standpunt deel. In mijn gedoogbeschikking verwijs ik daarom ook naar de gebruiksbeperkingen die zijn opgenomen in de bestemmingsplannen. De verwijzing naar deze gebruiksbeperkingen heeft slechts een informerend karakter en schept wat dit aangaat geen nieuwe beperkingen in het gebruik van de percelen.”
3 Procesverloop
Bij verzoekschrift, ingekomen op 29 mei 2024, heeft de Stichting het hof (tijdig) verzocht de gedoogbeschikking te vernietigen op de voet van art. 4 lid 1 BP (oud), dat volgens het overgangsrecht nog van toepassing is in dit geval.
De Stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat de inhoud van de gedoogbeschikking innerlijk tegenstrijdig is, nu uit de tekst op pagina 11 van de gedoogbeschikking (zie hiervoor in 2.7) volgt dat zelfstandig permanente belemmeringen (gebruiksbeperkingen) worden opgelegd terwijl uit de toelichting van de minister op pagina 33 van de gedoogbeschikking (zie hiervoor in 2.9) volgt dat niet beoogd is om gebruiksbeperkingen aan de Stichting op te leggen. Volgens de Stichting is het niet nodig om zelfstandig permanente belemmeringen in de gedoogbeschikking op te nemen, omdat in de ten behoeve van de aanleg vastgestelde bestemmingsplannen al is voorzien in een verbod dat is gekoppeld aan een aanlegvergunningenstelsel. Door met het opnemen van gebruiksbeperkingen toch zelfstandig permanente belemmeringen aan de Stichting op te leggen, wordt in het gebruik van de percelen meer belemmering gebracht dan redelijkerwijs nodig is. Als niet bedoeld is om zelfstandig permanente belemmeringen op te leggen in de gedoogbeschikking, dan moet dit in de tekst van de gedoogbeschikking worden hersteld, aldus (nog steeds) de Stichting.
De minister heeft een verweerschrift (in art. 4 lid 2 BP (oud) aangeduid als ‘vertoogschrift’) ingediend.
TenneT is als belanghebbende in de procedure verschenen en heeft tevens een verweerschrift ingediend.
Op 3 december 2024 heeft de mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.
Na de mondelinge behandeling hebben partijen tevergeefs geprobeerd tot een minnelijke oplossing te komen.
Bij beschikking van 13 mei 2025 heeft het hof de gedoogbeschikking gedeeltelijk vernietigd.
In rov. 4 van zijn beschikking heeft het hof zijn beslissing als volgt gemotiveerd (samengevat en voor zover in cassatie van belang):
- De toetsing van een gedoogbeschikking door het hof op grond van art. 4 lid 1 BP (oud) is beperkt tot de vragen (i) of de belangen van de rechthebbende geen onteigening van de percelen grond van de Stichting vorderen en (ii) of in het gebruik van de percelen grond van de Stichting niet meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijs voor de aanleg en instandhouding van het werk nodig is. Het door de Stichting ingediende verzoek betreft alleen de tweede vraag. De Stichting komt slechts op tegen de gedoogbeschikking voor zover die permanente belemmeringen meebrengt ten behoeve van de instandhouding van de hoogspanningsverbinding. De noodzaak van tijdelijke belemmeringen voor de aanleg staat niet ter discussie. (Rov. 4.1).
- Hoewel de minister en TenneT aanvoeren dat niet is beoogd met de gedoogbeschikking zelfstandig belemmerende beperkingen op te leggen, blijkt dat niet ondubbelzinnig uit de inhoud van de gedoogbeschikking. Het hof begrijpt dat het slechts de bedoeling van de minister is geweest om in de gedoogbeschikking onder de permanente belemmering informerend vast te leggen wat de gebruiksbeperkingen zijn waaraan de Stichting op grond van de inhoud van de van toepassing zijnde bestemmingsplannen gebonden is. De formulering van de permanente belemmering gaat wat betreft de gebruiksbeperkingen echter verder dan wat de minister voor ogen stond. Het rechtszekerheidsbeginsel staat eraan in de weg deze innerlijke tegenstrijdigheid met een welwillende interpretatie op te lossen. Voor alle betrokkenen (en derden) moet niet voor enige twijfel vatbaar zijn wat de gedoogbeschikking inhoudt. Omdat de minister het standpunt deelt dat het niet nodig is om de gebruiksbeperkingen in de gedoogbeschikking op te nemen, wordt met het opnemen van gebruiksbeperkingen die identiek zijn aan de regels behorend bij het bestemmingsplan in het gebruik van de percelen grond van de Stichting meer belemmering gebracht dan redelijkerwijs nodig is voor de instandhouding van het werk. (Rov. 4.6, tweede voorkomen).
- Het voorgaande neemt niet weg dat het hof onderkent dat het – vanwege het proportionaliteitsvereiste voorvloeiend uit artikel 1 BP (oud) – van belang is om in de gedoogbeschikking zelf concreet kenbaar te maken wat de gedoogplicht inhoudt. TenneT stelt terecht dat een gedoogbeschikking ook een permanente belemmering zonder gebruiksbeperkingen kan inhouden. Als de minister het van belang vindt dat in de gedoogbeschikking ook tot uitdrukking komt wat de gebruiksbeperkingen zijn die in de bestemmingsplannen van de betrokken gemeenten zijn opgenomen en waaraan de Stichting op grond van die bestemmingsplannen gebonden is, moet daarbij wel ondubbelzinnig tot uitdrukking komen dat met de gedoogplichtbeschikking zelf geen gebruiksbeperkingen worden opgelegd. (Rov. 4.7, tweede voorkomen).
- Het hof komt tot de conclusie dat de tekst van de gedoogbeschikking innerlijk tegenstrijdig is en niet in stand kan blijven. Nu de gedoogbeschikking enerzijds inhoudt dat de gebruiksbeperkingen in de belemmerde strook identiek zijn aan de regels behorend bij de bestemmingsplannen en de minister anderzijds zelf overweegt dat het niet nodig is om de gebruiksbeperkingen op te nemen in de gedoogbeschikking, wordt in het gebruik van de percelen grond van de Stichting meer belemmering gebracht dan redelijkerwijs nodig is voor de instandhouding van het werk. Daarom zal het hof de gedoogbeschikking vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de permanente gebruiksbeperkingen. (Rov. 4.8).
In rov. 2 van zijn beschikking heeft het hof zijn oordeel kernachtig weergegeven. Voor zover in cassatie relevant, staat daar:
“Het hof komt tot het oordeel dat de inhoud van de gedoogbeschikking - afgezet tegen dat wat partijen daarover hebben verklaard - voor tweeërlei uitleg vatbaar is. De formulering in de gedoogbeschikking is zodanig dat hierin is te lezen dat dat de gebruiksbeperkingen zelfstandig in de beschikking aan de Stichting worden opgelegd. Dat staat echter op gespannen voet met de uitleg die de minister aan de gedoogbeschikking geeft, namelijk dat deze gebruiksbeperkingen, die al uit de bestemmingsplannen volgen, uitsluitend informatief in de beschikking zijn opgenomen. De gedoogbeschikking dient echter duidelijkheid te scheppen over de verplichtingen die uit de gedoogbeschikking voortvloeien. Om die reden zal het hof de gedoogbeschikking vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de permanente belemmeringen.”
Bij brief van 11 augustus 2025 heeft TenneT het hof verzocht om twee kennelijke verschrijvingen in de beschikking te verbeteren. De eerste verzochte verbetering heeft betrekking op de verschrijving “Hengelo-Mosterdpot” in rov. 3.6 en het dictum (rov. 5.1) van de beslissing (die moet worden gewijzigd in “Almelo-Mosterdpot”). De tweede verzochte verbetering ziet op de woorden “permanente belemmeringen” in rov. 5.1 van het dictum.
Rov. 5.1 van het dictum luidt:
“Het hof:
vernietigt de beschikking van de minister ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht houdende oplegging van de plicht tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de nieuwe ondergrondse 110kV-hoogspanningsverbinding Hengelo-Weideweg en Hengelo-Mosterdpot van 28 maart 2024 (RWS-2024/10674) voor zover deze de Stichting betreft en voor zover deze betrekking heeft op de permanente belemmeringen). Voor het overige bekrachtigt het hof de beschikking; (…).”
TenneT stelt dat uit de overwegingen in de beschikking (rov. 4.7-4.8) volgt dat het hof met de woorden “permanente belemmeringen” in het dictum doelt op “permanente gebruiksbeperkingen”. Om misverstanden te voorkomen zou het dictum volgens TenneT daarom moeten worden aangepast door “permanente belemmeringen” te wijzigen in “permanente gebruiksbeperkingen”.
Het hof heeft de minister en de Stichting in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren.
Bij brief van 25 augustus 2025 heeft de advocaat van de minister namens laatstgenoemde verklaard geen bezwaar te hebben tegen inwilliging van het verzoek om verbetering.
De advocaat van de Stichting heeft bij brief van 9 september 2025 ingestemd met de verzochte verbetering van de verschrijving “Almelo-Mosterdpot” in “Hengelo-Mosterdpot”, maar bezwaar gemaakt tegen de verzochte verbetering van de woorden “permanente belemmeringen” in het dictum. Volgens de Stichting is op dat punt geen sprake van een fout, laat staan een kennelijke, voor partijen en derden direct duidelijke en niet voor redelijke twijfel vatbare, fout.
Het hof heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 (hierna: de herstelbeschikking) het verzoek tot het herstellen van beide verschrijvingen toegewezen.
Ten aanzien van de tweede verschrijving heeft het hof het volgende overwogen:
“Het dictum moet worden uitgelegd in het licht van de daaraan voorafgaande overwegingen. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de overwegingen voldoende duidelijk dat het gaat om de opgelegde gebruiksbeperkingen die als permanente belemmering zijn opgelegd. Dit had echter in het dictum duidelijker tot uitdrukking moeten komen. Daar had moeten staan: “permanente belemmeringen (gebruiksbeperkingen)”. Het hof stelt vast dat in rov. 5.1 het stukje “(gebruiksbeperkingen” (zonder haakje sluiten) ten onrechte is weggevallen en in plaats daarvan alleen “permanente belemmeringen)” (inclusief haakje sluiten) is opgenomen. Dit is een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent.
Het hof bepaalt dat waar in rov. 5.1 staat ‘en voor zover deze betrekking heeft op de permanente belemmeringen)’, dit wordt gewijzigd in ‘en voor zover deze betrekking heeft op de permanente belemmeringen (gebruiksbeperkingen)’.
Ook deze verbetering wordt aangebracht op de minuut.”
De Stichting heeft op 5 december 2025 cassatieberoep ingesteld tegen de herstelbeschikking. De minister heeft een verweerschrift ingediend strekkende tot verwerping van het cassatieberoep. TenneT heeft eveneens een verweerschrift ingediend, waarin zij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de Stichting in haar cassatieberoep en tot verwerping. De Stichting heeft bij verweerschrift gerespondeerd op het beroep van TenneT op niet-ontvankelijkheid.
4 Ontvankelijkheid cassatieberoep
Het hof heeft het verzoek van TenneT tot verbetering van de beschikking van 13 mei 2025 aangemerkt als een verzoek om verbetering op de voet van art. 31 Rv. Tegen een verbetering (of weigering daarvan) staat ingevolge art. 31 lid 4 Rv geen hogere voorziening open. De Stichting heeft echter aangevoerd dat dit rechtsmiddelenverbod wordt doorbroken op de grond dat het hof buiten het toepassingsgebied van art. 31 lid 1 Rv is getreden door ten onrechte aan te nemen dat sprake is van een kennelijke fout in de zin van die bepaling. Op grond van de parlementaire geschiedenis en vaste jurisprudentie kan een dergelijke klacht een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv rechtvaardigen.
Er is enige twijfel mogelijk over de vraag of art. 31 Rv van toepassing is op beschikkingen die zijn gedaan op grond van art. 4 BP (oud). De gewone bepalingen van Rv zijn – anders dan in art. 14 lid 2 BP (oud) wél is gebeurd voor de procedure bij de kantonrechter over schadevergoeding – niet uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing verklaard op de vernietigingsprocedure van art. 4 BP (oud). Een contra-indicatie voor de overeenkomstige toepasselijkheid van de gewone bepalingen uit Rv is dat in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 4 BP (oud) is opgemerkt dat de procedure – met het oog op de spoedeisende aard van de aangelegenheid en de omstandigheid dat aan het nemen van de aan het oordeel van het hof onderworpen beslissing reeds het nodige vooraf is gegaan – “van zeer eenvoudigen aard” kan zijn. Daartoe zijn in art. 4, leden 2 tot en met 5, BP (oud) bijzondere procedurele voorschriften opgenomen.
Nu de Stichting niet heeft geklaagd dat art. 31 Rv in dit geval in het geheel niet van toepassing is, ga ik in het navolgende uit van de toepasselijkheid van deze bepaling. Daar komt bij dat het voor de onderhavige beoordeling ook niet uitmaakt indien art. 31 Rv niet van overeenkomstige toepassing zou zijn op een beschikking op grond van art. 4 BP (oud). Dan zou immers worden teruggevallen op de oude rechtspraak van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat de eisen van proceseconomie en van een goede procesorde meebrengen dat een verzoek mogelijk is tot verbetering van een rechterlijke uitspraak waarin een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare verschrijving voorkomt, ook indien geen rechtsmiddel openstaat tegen de rechterlijke uitspraak. Ook op grond van die oude rechtspraak geldt dat geen hogere voorziening is toegelaten tegen een beslissing op een dergelijk verzoek, tenzij sprake is van een van de in de jurisprudentie ontwikkelde gronden voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod, waaronder – zoals in dit geval is aangevoerd – het buiten het toepassingsgebied treden van de regel dat een kennelijke verschrijving tot verbetering van een rechterlijke uitspraak moet kunnen leiden.
TenneT wijst er in haar verweerschrift op dat in deze zaak niet alleen het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv aan de orde is, maar ook het rechtsmiddelenverbod dat ingevolge art. 4 lid 5 BP (oud) geldt voor de oorspronkelijke beschikking van het hof op het verzoek tot vernietiging van de gedoogbeschikking.
Op grond van art. 4 lid 5, tweede volzin, BP (oud) staat “geenerlei voorziening” open tegen de beschikking van het hof. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van BP (oud) blijkt dat is gekozen voor het hof als eerste en hoogste bevoegde instantie, vanwege de spoedeisende aard van de aan het oordeel van de rechter onderworpen vragen.
Volgens TenneT heeft de Stichting slechts een grond gesteld voor de doorbreking van het eerste rechtsmiddelenverbod (art. 31 lid 4 Rv) en niet voor de doorbreking van het tweede rechtsmiddelenverbod (art. 4 lid 5 BP (oud)) en moet de Stichting daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar cassatieberoep. Dit ontvankelijkheidsverweer gaat m.i. niet op.
Als ik het goed zie, heeft de Hoge Raad zich nog niet eerder gebogen over de vraag of (en zo ja, wanneer) het voor een herstelbeslissing geldende rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv kan worden doorbroken indien óók voor de oorspronkelijke (verbeterde) uitspraak een algeheel rechtsmiddelenverbod geldt.
In de literatuur schrijven enkele auteurs dat een op een doorbrekingsgrond gegrond appel of cassatieberoep tegen een herstelbeslissing op de voet van art. 31 Rv niet mogelijk is indien geen rechtsmiddel openstond tegen de oorspronkelijke uitspraak.
Zo vermeldt Van Mierlo (bijna terloops) in zijn commentaar op art. 31 lid 4 Rv (mijn onderstr.):
“Tegen een verbetering of de weigering daarvan staat, ondanks het bepaalde in art. 31 lid 4, een rechtsmiddel open zo tegen de oorspronkelijke uitspraak een rechtsmiddel openstond, indien de rechter (…)”.
Ten Kate en Wesseling-van Gent stellen dat in het geval geen appel openstaat tegen een uitspraak (bijvoorbeeld vanwege een appelgrens of -verbod) óók geen op een doorbrekingsgrond gebaseerd appel kan worden ingesteld tegen de beslissing die deze uitspraak rectificeerde of weigerde te rectificeren. De onderbouwing die zij hiervoor geven is (kort samengevat) dat – bij het ontbreken van een afzonderlijke wettelijke regeling – ten aanzien van de geldende procedurele voorschriften voor het instellen van een rechtsmiddel tegen een herstelbeslissing de wettelijke regels moeten worden gevolgd die gelden ten aanzien van de oorspronkelijke uitspraak, omdat de oorspronkelijke uitspraak de inzet van de verbetering is. Zij schrijven:
“Vooropgesteld zij dat het enkele feit dat in een bepaald geval een doorbrekingsgrond van een bijzonder rechtsmiddelenverbod van toepassing is, uiteraard niet afdoet aan de overige vereisten waaraan het desbetreffende rechtsmiddel voor zijn ontvankelijkheid moet voldoen. Voorts zij bedacht dat voor de onderhavige procedure geen afzonderlijke regeling is getroffen, zodat tegen voormelde achtergrond te dien aanzien in beginsel de gewone wettelijke regels gevolgd en in acht genomen zullen moeten worden. In dit geval zijn dat de regels die gelden ten aanzien van de oorspronkelijke uitspraak. Deze is immers de inzet van de verbetering die daarvan onderdeel moet gaan uitmaken. Dit betekent bijvoorbeeld dat, indien van de oorspronkelijke uitspraak geen appel openstaat omdat een algemene appelgrens (of verbod) of een andere omstandigheid daaraan in de weg staat, appel gegrond op een van de doorbrekingsgronden van de hier besproken bijzondere uitsluiting van elke voorziening ook niet openstaat van de beslissing die rectificeerde of rectificatie weigerde. Voorts zal dezelfde beroepstermijn in acht moeten worden genomen en zal bijvoorbeeld art. 80 Wet RO van toepassing zijn als het gaat om een cassatieberoep tegen een uitspraak van een kantonrechter.
Op zichzelf ben ik het met Ten Kate en Wesseling-van Gent eens dat het voor de hand ligt om voor het procedurele regime dat geldt voor het instellen van een rechtsmiddel tegen een herstelbeslissing met een beroep op een doorbrekingsgrond, bij gebrek aan een wettelijke regeling, aan te sluiten bij het procedurele regime voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de oorspronkelijke uitspraak. Indien de oorspronkelijke uitspraak een beschikking is, gelden dan dus de voorschriften voor de verzoek(schrift)procedure voor het instellen van appel of cassatieberoep tegen de herstelbeslissing. En geldt in beginsel dezelfde termijn als voor het instellen van appel of cassatieberoep tegen de oorspronkelijke uitspraak. Dit lijkt ook te volgen uit rechtspraak van de Hoge Raad.
De gevolgtrekking dat geen op een doorbrekingsgrond gebaseerd beroep mogelijk is tegen een hersteluitspraak indien tegen de oorspronkelijke uitspraak geen rechtsmiddel openstond, lijkt mij echter niet juist.
Hoewel de oorspronkelijke uitspraak de inzet (of: het object) van de verbetering is en in die zin sprake is van een nauwe band, moet een beroep tegen de beslissing tot verbetering niet worden vereenzelvigd met een beroep tegen de (materiële) beslissing in de (oorspronkelijke) uitspraak. Het beroep tegen een hersteluitspraak ziet uitsluitend op de eerstgenoemde en niet op de laatstgenoemde beslissing. Bij de beoordeling van het beroep gaat het alleen om de wijze waarop de rechter gebruik heeft gemaakt van zijn ‘verbeteringsbevoegdheid’ op de voet van art. 31 Rv. Omdat de beslissing tot verbetering volledig los kan (en moet) worden getoetst van de (materiële) beslissing in de oorspronkelijke uitspraak, is niet in te zien waarom een rechtsmiddelenverbod ten aanzien van de laatstgenoemde beslissing in de weg zou staan aan doorbreking van het rechtsmiddelenverbod dat ingevolge art. 31 lid 4 Rv geldt voor de beslissing tot verbetering. Om dezelfde reden kan m.i. evenmin worden geëist, zoals TenneT suggereert, dat bij het instellen van een rechtsmiddel tegen de hersteluitspraak óók een grond wordt gesteld voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod tegen de oorspronkelijke uitspraak. Het stellen van een dergelijke eis zou m.i. ook onredelijk zijn, omdat in dat geval alleen een rechtsmiddel kan worden ingesteld tegen een beslissing tot verbetering indien de rechter niet alleen bij de toepassing van art. 31 Rv uit de bocht is gevlogen, maar ook bij het nemen van de materiële beslissing.
Op dit uitgangspunt zou nog een uitzondering kunnen worden gemaakt voor gevallen waarin op grond van rechtspraak van de Hoge Raad moet worden aangenomen dat de doorbrekingsjurisprudentie niet van toepassing is op de oorspronkelijke uitspraak. Dit kan zich voordoen vanwege de aard van de beslissing. Een rechtsmiddelenverbod kan niet worden doorbroken als het gaat om, bijvoorbeeld, beslissingen over het al dan niet toestaan van een eisvermeerdering of andere beslissingen ter instructie van de zaak. Factoren die hierbij een rol spelen lijken met name te zijn dat een partij (op een ander moment) nog rechtsmiddelen kan aanwenden, of dat de beslissing niet wezenlijk ingrijpt in de rechtspositie van een partij.
Dat zich een dergelijke uitzondering voordoet bij een beslissing op de voet van art. 4 lid 5 BP (oud) is echter niet in te zien, nu zo’n beslissing ziet op de vraag of een gedoogbeschikking meer dan nodig is ingrijpt in de uitoefening van een eigendomsrecht.
De bevoegdheid van de rechter om ingevolge art. 31 Rv kennelijke fouten in haar uitspraak te verbeteren geldt bovendien zowel in zaken waarin wel een rechtsmiddel openstaat tegen de uitspraak als in zaken waarin geen rechtsmiddel openstaat. M.i. ontstaat een niet te rechtvaardigen onderscheid, indien doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv in het eerstgenoemde type zaken wél mogelijk is en in het laatstgenoemde type zaken niet. In beide gevallen is rechtsbescherming wenselijk indien de rechter buiten het toepassingsbereik van art. 31 Rv om, of zonder toepassing van hoor en wederhoor, wijzigingen aanbrengt in haar uitspraak. In zaken waarin een rechtsmiddelenverbod geldt is die mogelijkheid van rechtsbescherming zo niet nog wenselijker, nu een controlemechanisme in de vorm van een hogere instantie ontbreekt.
Voor het uitsluiten van doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv kan m.i. niet redengevend zijn dat voor de ontvankelijkheid van het rechtsmiddel tegen de hersteluitspraak niet kan worden aangesloten bij de processuele voorschriften die gelden voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de oorspronkelijke uitspraak vanwege het daarvoor geldende rechtsmiddelenverbod. Inherent aan de mogelijkheid van doorbreking van een rechtsmiddelenverbod is immers dat de ontvankelijkheidsvereisten waaraan het beroep moet voldoen, waaronder de termijn waarbinnen het rechtsmiddel moet worden ingesteld, niet wettelijk geregeld zijn en door middel van rechtsvinding moeten worden bepaald. Het uitgangspunt van de Hoge Raad voor het bepalen van de rechtsmiddelentermijn is dat wordt uitgegaan van de termijn die voor het instellen van het rechtsmiddel zou gelden als het rechtsmiddelverbod zou ontbreken. Indien er grond is om uit te gaan van een andere termijn, bijvoorbeeld omdat dit beter aansluit bij de in de bijzondere wet geregelde termijnen, wordt evenwel van dit uitgangspunt afgeweken.
Het voorgaande roept de vraag op welke termijn in de onderhavige zaak geldt voor het instellen van cassatieberoep tegen de herstelbeschikking. Omdat rechtsmiddelentermijnen van openbare orde zijn dient ambtshalve te worden beoordeeld of de Stichting tijdig cassatieberoep heeft ingesteld.
De Stichting heeft op 5 december 2025 cassatieberoep ingesteld tegen de herstelbeschikking van 7 oktober 2025, dus binnen twee maanden. In voetnoot 2 van de procesinleiding heeft de Stichting gesteld dat de cassatietermijn in dit geval twee maanden is, omdat de ‘beroepstermijn’ bij het hof één maand bedroeg. Zij heeft in dat verband onder meer verwezen naar art. 426 lid 2 Rv en art. 4 lid 1 BP (oud).
Behalve de in art. 4 lid 1 genoemde termijn (van één maand na de terinzagelegging van het afschrift van gedoogbeschikking) voor het instellen van een verzoek bij het hof tot vernietiging van gedoogbeschikking, bevat de BP (oud) geen bijzondere voorschriften met betrekking tot rechtsmiddelentermijnen. Daarom kan aan de hand van de BP (oud) zelf niet goed worden bepaald welke termijn zonder het rechtsmiddelenverbod van art. 4 lid 5 BP (oud) zou gelden voor het instellen van cassatie tegen de oorspronkelijke beschikking, van waaruit zou kunnen worden afgeleid welke termijn geldt voor het instellen van cassatieberoep tegen een verbetering van een dergelijke beschikking. Er is ook geen eerdere rechtspraak van de Hoge Raad waaruit volgt of doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 4 lid 5 BP (oud) überhaupt mogelijk is en zo ja, welke termijn dan zou gelden voor het instellen van cassatieberoep tegen een beschikking van het hof in een vernietigingsprocedure. De enige eerdere uitspraak van de Hoge Raad over art. 4 BP (oud) betreft een vordering tot cassatie in het belang der wet.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de BP (oud) kan wél worden afgeleid dat de vernietigingsprocedure van art. 4 BP (oud) een spoedeisend karakter heeft (zie hiervoor onder 4.2 en 4.5). Gelet daarop vind ik er wel wat voor te zeggen om hier niet uit te gaan van de gebruikelijke cassatietermijn van drie maanden, maar, naar analogie van art. 426 lid 2 Rv in geval van kortere appeltermijnen in verzoekschriftprocedures, van een termijn die het dubbele bedraagt van de termijn die ingevolge art. 4 lid 1 BP (oud) geldt voor het instellen van een verzoek bij het hof tot vernietiging van een gedoogbeschikking. Dat zou neerkomen op een cassatietermijn van twee maanden. De Stichting heeft dus tijdig cassatieberoep ingesteld.
Op grond van het voorgaande concludeer ik dat de Stichting kan worden ontvangen in haar cassatieberoep tegen de herstelbeschikking.
5 Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel komt met één onderdeel op tegen de herstelbeschikking, voor zover deze ziet op verbetering van “permanente belemmeringen)” in het dictum van de oorspronkelijke beschikking in “permanente belemmeringen (gebruiksbeperkingen)”. Het onderdeel is onderverdeeld in drie subonderdelen.
Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof ten aanzien van bovengenoemde verbetering buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden dan wel dit artikel ten onrechte heeft toegepast. Kort samengevat voert het subonderdeel aan dat het hier niet gaat om een schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, omdat niet direct duidelijk is voor partijen en derden dat sprake is van een vergissing en het hof een uitleg van het dictum in het licht van de overwegingen in de beschikking en één enkel haakje sluiten in het dictum nodig heeft om te komen tot ’s hofs – achteraf kennelijk bedoelde – dictum. Door als maatstaf te nemen dat voor toepassing van art. 31 Rv een fout (slechts) “voldoende duidelijk” uit de overwegingen hoeft te blijken, heeft het hof miskend dat pas van een kennelijke fout sprake is als het buiten twijfel is wat de rechter tot uitdrukking heeft willen brengen, aldus subonderdeel 1.1.
Subonderdeel 1.2 bevat de klacht dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel een onbegrijpelijke motivering, voor zover daarin ligt besloten dat het dictum niet aansluit op de overwegingen in de beschikking en dit zou maken dat ondubbelzinnig sprake is van een schrijffout (of andere kennelijke fout). Een discrepantie tussen het dictum en de overwegingen betekent niet zonder meer dat altijd sprake is van een kennelijke fout. Het subonderdeel wijst erop dat het hof in rov. 2 expliciet heeft overwogen dat hij “de gedoogbeschikking [zal] vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de permanente belemmeringen” en in rov. 4.1 dat het verzoek van de Stichting zich richt op permanente belemmeringen. Volgens het subonderdeel sluiten deze overwegingen naadloos aan op het oordeel in het dictum van de beschikking dat de gedoogbeschikking wordt vernietigd voor zover deze ziet op permanente belemmeringen. Dit alleen al maakt dat niet voor partijen en derden direct duidelijk is dat sprake is van een fout, laat staan een kennelijke fout, aldus (nog steeds) subonderdeel 1.2.
Subonderdeel 1.3 klaagt dat het oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat het hof het dictum op andere wijze heeft aangepast dan TenneT had verzocht. Het subonderdeel voert aan dat van een kennelijke fout enkel sprake kan zijn als duidelijk dat sprake is van een fout én duidelijk is hoe de tekst dan had moeten luiden. Onder verwijzing naar het gemotiveerde verweer van de Stichting tegen het herstelverzoek, stelt het subonderdeel verder dat het niet voor eenieder met voldoende zekerheid duidelijk is wat het hof had bedoeld te beslissen ten aanzien van de vernietigde gedoogbeschikking en dat de Stichting zich niet op het onbegrijpelijke standpunt heeft gesteld dat juist rov. 4.8 berust op een kennelijke verschrijving in plaats van het dictum.
Ik begrijp het middel van de Stichting aldus dat zij aan elk van de subonderdelen ten grondslag legt dat het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv moet worden doorbroken, omdat het hof buiten het toepassingsgebied van art. 31 lid 1 Rv is getreden door ten onrechte aan te nemen dat sprake is van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel.
De subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling, waarbij het volgende voorop is te stellen.
Op grond van art. 31 lid 1 Rv verbetert de rechter te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis, arrest of beschikking een kennelijke reken- of schrijffout of een andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het criterium is dat voor partijen en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is; de fout moet niet voor redelijke twijfel vatbaar en voor derden op het eerste gezicht duidelijk zijn.Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient voor partijen en derden kenbaar te zijn waarin de fout is gelegen. Dit betekent dat redelijkerwijs uit de tekst van de uitspraak (de motivering en het dictum), tegen de achtergrond van de stellingen van partijen (zoals door de rechter begrepen), kan worden afgeleid – in die zin dat het ook voor derden duidelijk is – dat sprake is van een kennelijke fout en op welke wijze die fout in de uitspraak moet worden verbeterd.
In feite komt het in 5.7 opgenomen kader erop neer dat een hersteluitspraak op grond van art. 31 lid 1 Rv is toegestaan als hij niet nodig is, omdat partijen en derden ook zonder hersteluitspraak al hebben begrepen hoe de oorspronkelijke uitspraak verstaan moet worden.
M.i. is in de onderhavige zaak ook zonder herstelbeschikking buiten twijfel dat het hof met “permanente belemmeringen” in het dictum van de oorspronkelijke beschikking het oog had op gebruiksbeperkingen. De rechtsoverwegingen 2, 4.7 en 4.8 van de beschikking (zie hiervoor in 3.8-3.9) laten zich namelijk niet anders uitleggen dan dat het hof de bedoeling had om de gedoogbeschikking te vernietigen specifiek op het onderdeel van de gebruiksbeperkingen en niet voor zover de gedoogbeschikking ook permanente belemmeringen zonder gebruiksbeperkingen meebracht. Deze uitleg is ook evident in het licht van de stellingen die de Stichting zelf heeft ingenomen in de vernietigingsprocedure. De Stichting heeft immers – zoals blijkt uit rov. 4.5 van het beschikking van het hof, hiervoor verkort weergegeven in 3.2 – vernietiging van de gedoogbeschikking verzocht, omdat op grond van de tekst op pagina 11 van de gedoogbeschikking voor de Stichting onvoldoende duidelijk was of in de gedoogbeschikking al dan niet “zelfstandig permanente belemmeringen (gebruiksbeperkingen)” aan de Stichting zijn opgelegd. De door de herstelbeschikking aangebrachte verbetering van het dictum sluit dus geheel aan bij hetgeen (blijkens rov. 4.5) door de Stichting zelf is verzocht.
Dat een uitleg van de rechtsoverwegingen van het hof nodig is om te kunnen komen tot de conclusie dat sprake is van een fout in het dictum, betekent niet dat dan geen sprake meer kan zijn van een “kennelijke fout” in de zin van art. 31 lid 1 Rv. De veronderstelling in subonderdeel 1.1 dat een kennelijke fout geen uitleg behoeft omdat voor een ieder op het eerste gezicht duidelijk is wat er wordt bedoeld, berust op een misvatting. Vaak is het nodig om eerst de rechtsoverwegingen van de uitspraak te lezen en te begrijpen, om te kunnen zien dat een fout is gemaakt in het dictum. Neem alleen al het in de wetsgeschiedenis genoemde voorbeeld dat alle verweren van gedaagde tegen een vordering onjuist zijn bevonden en niettemin in het dictum de vorderingen worden afgewezen in plaats van toegewezen. Ook in dit geval kan – zoals HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1805, rov. 3.3 illustreert – uitleg nodig zijn om te kunnen zien dat het dictum niet aansluit op de overwegingen en sprake is van een kennelijke fout.
Iets anders is dat de uitspraak niet voor meerdere uitleg vatbaar mag zijn, zodat niet kenbaar is of de fout is gelegen in het dictum of de overwegingen. Dan is het in subonderdeel 1.2 genoemde geval aan de orde: een discrepantie tussen de overwegingen en het dictum, maar geen kennelijke fout in de zin van art. 31 lid 1 Rv. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.
Voor zover de subonderdelen 1.2 en 1.3 klagen dat überhaupt geen sprake is van een fout in het dictum, omdat het verzoek van de Stichting (zoals het hof in rov. 4.1 heeft vastgesteld) ook strekte tot vernietiging van de gedoogbeschikking voor zover deze permanente belemmeringen meebrengt en het dictum daarbij aansloot, gaan deze klachten niet op. De klachten laten immers onvermeld dat het verzoek van de Stichting zich specifiek richtte op de permanente belemmeringen in de vorm van gebruiksbeperkingen. De fout in het dictum van de oorspronkelijke uitspraak is erin gelegen dat daarin onvoldoende gespecificeerd is gesproken van “permanente belemmeringen”, terwijl slechts permanente belemmeringen in de vorm van gebruiksbeperkingen zijn beoogd. Het gaat hier met andere woorden om een in het dictum kennelijk vergeten nadere specificatie; ook dit kan een kennelijke fout opleveren in de zin van art. 31 lid 1 Rv.
Het in subonderdeel 1.3 genoemde argument dat de fout in het dictum alleen al niet ‘kennelijk’ was omdat het hof niet de door TenneT voorgestelde verbetering woordelijk heeft overgenomen, zoekt spijkers op laag water. Tussen de verbetering die het hof heeft aangebracht (“permanente belemmeringen (gebruiksbeperkingen)”) en de door TenneT voorgestelde verbetering (“permanente gebruiksbeperkingen”) bestaat geen enkel inhoudelijk verschil; daarmee wordt hetzelfde tot uitdrukking gebracht. De door het hof gekozen woordkeuze is logisch, omdat deze tekst kennelijk al was opgenomen in het dictum maar abusievelijk gedeeltelijk is weggevallen (waardoor alleen nog het ‘haakje sluiten’ is blijven staan).
De motiveringsklachten in de subonderdelen 1.2 en 1.3 stuiten af op het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv.
De slotsom is dat het hof niet buiten het toepassingsgebied van art. 31 lid 1 Rv is getreden en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
6 Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G