Burgerlijk procesrecht
Procesrecht. Onbegrijpelijke uitleg gedingstukken? Met art. 24 lid 1 Rv strijdige aanvulling van feitelijke…
Parket bij de Hoge Raad, 9 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:987 · Parket bij de Hoge Raad · 9 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/burgerlijk-procesrecht/ecli-nl-phr-2026-987
Zaakgegevens
Op 9 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over burgerlijk procesrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2026
- Datum publicatie
- 8 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/04027
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Burgerlijk procesrecht
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:987
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Procesrecht. Onbegrijpelijke uitleg gedingstukken? Met art. 24 lid 1 Rv strijdige aanvulling van feitelijke grondslag?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04027
Zitting 9 oktober 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
[eiseres] B.V. (hierna: [eiseres]),
tegen
1 Charleston Vastgoed Rotterdam B.V. (hierna: Charleston),
2. [verweerder 2] (hierna: [verweerder 2]),
3. [verweerder 3] (hierna: [verweerder 3]),
(tezamen hierna: Charleston c.s.).
Inleiding
Deze zaak gaat over de vraag of er causaal verband bestaat tussen enerzijds de mededelingen van Charleston c.s. in 2012-2014 dat zij niet in staat waren om het van [eiseres] geleende geld, met (boete)rente, terug te betalen en anderzijds het sluiten van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen ultimo 2014. Het hof was van oordeel dat dit causaal verband er niet was, kort gezegd omdat indertijd [eiseres] geen geloof hechtte aan die mededelingen van Charleston c.s. over hun betalingsonmacht. Hiertegen komt [eiseres] in cassatie op, m.i. met succes.
1 Feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten als vastgesteld in rov. 3.1 onder a) t/m pp) van het bestreden arrest van het gerechtshof Den Haag (hierna: het arrest respectievelijk het hof).
(i) [verweerder 2] en [verweerder 3] zijn ieder houder van de helft van de aandelen in Charleston. [verweerder 2] is ook zelfstandig bevoegd bestuurder van Charleston.
(ii) [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) is aandeelhouder en bestuurder van [eiseres] .
(iii) Charleston en [eiseres] houden zich beide bezig met de exploitatie/verhuur van onroerend goed. Zij waren zakenpartners.
(iv) Charleston, [eiseres] en een derde vennootschap, Yellow Sprint B.V. (hierna: Yellow Sprint), hielden tot 2010 ieder een derde van de aandelen in Centraal Traject B.V. (hierna: Centraal Traject) en Waalstede Vastgoed B.V. (hierna: Waalstede). Centraal Traject heeft in 2010 van NS Vastgoed een portefeuille verworven met een groot aantal losse stukken grond om en langs het spoor. De portefeuille had vanwege onderhoudsverplichtingen een negatieve waarde, zodat NS Vastgoed naast de portefeuille ook een vergoeding van enkele miljoenen betaalde.
(v) Daags voor de levering van de portefeuille van NS Vastgoed heeft [eiseres] haar aandelen in Centraal Traject en Waalstede verkocht aan Charleston en Yellow Sprint. [betrokkene 1] bleef wel - vanwege zijn bijzondere contacten met de NS-organisatie - door middel van een overeenkomst van opdracht/managementovereenkomst werkzaamheden verrichten voor Waalstede. De koopovereenkomst voorzag in een verplichting van [eiseres] en [betrokkene 1] om gedurende een zekere tijd bij alle voorgenomen transacties met onder meer NS Vastgoed, eerst Charleston en Yellow Sprint in de gelegenheid te stellen om die transactie te doen.
(vi) [eiseres] en Charleston hebben een overeenkomst van geldlening (hierna: de leningsovereenkomst) gesloten, die in een notariële akte van 13 oktober 2011 is vastgelegd. In de leningsovereenkomst is onder meer bepaald dat [eiseres] een bedrag van € 350.000,- te leen heeft gegeven aan Charleston, tegen een rente te berekenen naar één-maands-Euribor vermeerderd met een opslag van 3,15% per jaar. Verder is bepaald dat bij niet tijdige (rente)betaling een boeterente verschuldigd is. De lening dient te worden terugbetaald op uiterlijk 13 oktober 2012, tenzij [eiseres] instemt met een verzoek tot verlenging van maximaal 3 maanden. De akte is mede ondertekend door [verweerder 2] en [verweerder 3] in het kader van een persoonlijke borgstelling.
(vii) Charleston is tekortgeschoten in de nakoming van overeengekomen rentebetalingen en ook bij de terugbetaling van de hoofdsom. In dat kader hebben partijen veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd.
(viii) Bij e-mail van 5 juni 2012 berichtte [verweerder 2] aan [betrokkene 1] :
“(...), ik weet het echt niet meer, alles duurt te lang veeel te lang. had eerder inkomsten verwacht van Pro Rail, overeenkomst met hen bijna 1 jaar geleden getekend en daar is tot nu toe niet veel uit voort gekomen., (...) heb zelf al drie jaar geen inkomsten.
ik ben niet in staat om af te lossen, dit is geen keuze maar harde werkelijkheid..
Ik had niet verwacht dat het zover zou komen dat er ook tot nu toe niets zou lopen en er geen duidelijkheid is wanneer wel. Ben er elke dag mee bezig om nieuwe dingen te ondernemen en oude dingen vlot te trekken.”
(ix) In een brief van 20 september 2012 schreef [eiseres] aan Charleston:
“Bij deze wil ik je attent maken op het feit dat conform de akte van geldlening d.d. 13 oktober 2011 het geleende of niet-afgeloste deel daarvan met de eventueel daarover nog verschuldigde rente uiterlijk 13 oktober 2012 dient te worden terugbetaald.
Op dit moment bedraagt bovenvermelde schuld € 350.000,- exclusief eventueel vervallen rentetermijnen.
Hierbij verzoek ik je vriendelijk openstaand bedrag ad € 350.000,- uiterlijk 13 oktober 2012 te storten op rekeningnummer (...). Indien aflossing niet uiterlijk 13 oktober 2012 geschiedt zal ik gebruik maken van de aan mij verstrekte zekerheidstelling en volmacht voortvloeiend uit de akte van geldlening d.d. 13 oktober 2011.”
(x) Bij e-mail van 28 september 2012 berichtte [verweerder 3] aan [betrokkene 1] :
“Bij deze willen wij je uitnodigen voor een gesprek bij ons op kantoor inzake de geldlening. Er waren destijds bepaalde vooruitzichten die tot op heden nog niet verwezenlijkt zijn. (...).”
(xi) Nadat [betrokkene 1] liet weten niet op de uitnodiging in te gaan omdat de voorwaarden voor de lening klip en klaar waren, en dat voor hem daarom een onwerkbare situatie was ontstaan, zodat hij zijn werkzaamheden voor Waalstede per direct zou beëindigen, berichtte [verweerder 3] dezelfde dag:
“(…), ik schrik heel erg van je reactie (...) en begrijp het niet het is geen onwil maar niet kunnen. Dit omdat alles wat trager loopt dit is bij jou bekend. Het kan toch niet jou[w] bedoeling zijn om ons kapot te maken. (...).”
(xii) [betrokkene 1] reageerde nog dezelfde dag:
“Dit heeft niets met mij te maken of jullie kapot maken ! Als het er om gaat heb je de laatste lening al onder valse voorwenselen gekregen want zowel [betrokkene 2] als ook de accountant bevestigen dat jullie het geïnvesteerde geld in waalstede vastgoed bv allang terug hebben. Ik ben voor jullie verplichtingen aangegaan en die ga ik nakomen, nogmaals ik heb de notaris destijds expl[i]ciet laten opnoemen dat het na een jaar terug moest komen ik heb vandaag nog geverifieerd of dat ook zo is doorgegeven en deze heeft dat bevestigd. Ondanks deze strikte voorwaarde ben je hiermee akkoord gegaan en nu moet het dus terug. (…).”
(xiii) In een e-mail van 3 oktober 2012 berichtte [betrokkene 1] aan [verweerder 2] en [verweerder 3] , voor zover van belang:
“Inmiddels heb je een aangetekende brief ontvangen over wat er met het openstaande saldo zal gaan gebeuren, indien jullie de schuld niet op de afgesproken datum aflossen en de bank niet bereid is om de lening termijn te herzien, dan wel een nieuwe lening voor het gelijke bedrag wil aangaan.
Wat ik nodig heb voor vrijdag is het volgende, welke zekerheden kun je verstrekken t.b.v. het nog openstaande saldo van K400.
(...)
Ook heb ik [ [verweerder 2] ] gevraagd om met een bedrag te komen wat wel kan worden afgelost zodat ik dan i.i.g. iets heb, K50 is dan het minimale bedrag.
Als de bank al akkoord gaat zal ik voor het openstaande saldo dus harde zekerheden moeten hebben (…).”
(xiv) [verweerder 2] reageerde per e-mail van 4 oktober 2012 naar [betrokkene 1] :
“Wij zijn de lening aangegaan om de periode, tot de verwachte zaken ( Pro-rail , MS, Veenendaal etc. ) doorgang vinden, te overbruggen.
Deze zaken duren langer, zoals je weet, dan verwacht en gehoopt maar we zijn er bijna !
De lopende zaken gener[er]en nog geen genoeg opbrengsten, de opbouw hiervan kost veel tijd en geld, e.e.a. anders dan door mijn verwacht.
Al mijn tijd en geld heb ik in deze ondernem(…)ing gestopt.
Om toch aan onze verplichtingen te kunnen voldoen hebben we al onze woningen in verkoop staan en de boel gesaneerd, ook dit kost op dit moment veel tijd om e.e.a. te realiseren. De bank “roomt” op dit moment de opbrengsten af, zodat de overwaarde in de laatste woningen zit, waardoor e.e.a. nog langer duurt.
Ik verzoek je, om met de bank, de leningtermijn te willen herzien daar ik op dit moment geen mogelijkheid heb om de lening af te lossen.
Dit is geen onwil maar onmacht, je kan mij goed genoeg dat dit ook echt zo is. (…).”
(xv) Nog dezelfde dag reageerde [betrokkene 1] naar [verweerder 2] :
“Ik heb je mail gelezen maar kan er heel weinig mee, wat me steekt is dat je opnieuw zegt dat al je geld in deze onderneming zit, maar dat is pertinent onwaar.
Dit wordt zowel door [betrokkene 2] als ook door de boekhouder bevestigd aan wie ik het op jou verzoek heb nagevraagd. Jouw geld zit niet in Waalstede vastgoed b.v. of aan Waalstede vastgoed b.v. gelieerde bv’s, maar in Maus b.v., Vbm, landgoed Carnewil, [A] , etc ik hoef ze verder niet allemaal op te noemen.
Ik kan er niet mee leven dat je behoudens de toon zoals je die in onze gesprekken en mails gebruikt altijd maar gericht zijn op het feit dat je geld in Waalstede zit wat dus niet zo is. Inmiddels vind (...) ik het veel weg hebben van emotionele chantage en daar ga ik niet in mee.
Ik wil gewoon van jullie harde zekerheden pas dan kan ik iets beteken[en]. Dus hypothecaire inschrijvingen op panden, verpanding van aandelen of enig ander onderpand.
Het spijt mij heel erg dat ik slachtoffer [word] gemaakt van jullie problemen. Problemen die dus totaal niet voortkomen uit Waalstede vastgoed b.v. maar uit beslissingen die je privé hebt gemaakt en binnen andere bij jullie in bezit zijnde vennootschappen. (...).”
(xvi) Op 5 oktober 2012 mailde [verweerder 2] aan [betrokkene 1] :
“Uiteraard wil ik mee werken aan het stellen van zekerheden;
De aandelen in Waalstede c.s. die ik en [ [verweerder 3] ] hebben kunnen we aan je verpanden.
Voor hypothecaire zekerheden heb je tegenwoordig de toestemming van de bank nodig.
Voor enig ander onderpand graag overleg, daar dit van alles kan zijn, waarvan we samen wat en de mogelijkheden kunnen bespreken.”
(xvii) Op 10 oktober 2012 schreef [verweerder 2] aan [betrokkene 1] :
“Jij weet ook dat dat de middelen uit de lopende zaken met de NS (portefeuille II) of Veenendaal moeten komen.
Ik heb niets meer om te verkopen wat geld oplevert om de lening terug te betalen anders dan de zaken van Waalstede welke nu nog onvoldoende middelen genereren en dit langer duurt dan verwacht.”
(xviii) [betrokkene 1] reageerde in zijn e-mailbericht van 10 oktober 2012:
“(...) Jouw verhaal blijkt ook op geen enkele manier uit de cijfers. (...)
De bank werkt nergens aan mee. Ik moet eur 161.000 terug storten aan de bank. Maandag heb ik een afspraak bij de notaris en vrijdag bij de deurwaarder. Ik heb geen zin meer in overleg met je. Je kunt voor maandag zekerheden aanleveren die voor mij acceptabel zijn en voor vrijdag of uiterlijk vrijdag iig het bedrag wat ik moet terug storten aan de bank. Ik ben er klaar mee.”
(xix) Op 12 oktober 2012 schreef [verweerder 2] aan [betrokkene 1] , voor zover van belang:
“Als ik de mogelijkheid had om de lening te betalen dan was dat allang gebeur[d], dat weet je.”
(xx) Bij e-mail van 1 november 2012 berichtte [betrokkene 1] aan [verweerder 2] :
“ik heb [betrokkene 3] opdracht gegeven om de lening te verlengen tot en met 31 maart 2013 met daarin opgenomen de door hem voorgestelde zekerheden. Ik kan je nu al zeggen dat ik de lening na deze datum met geen dag meer zal verlengen. (...)
Verder zitten we met de kosten en de rente. Overeengekomen is dat er maandelijks 1 % boete rente zal worden berekend waarbij een halve maand als hele zal worden berekend. Dit beteken[t] dat ik je een nota ga sturen voor de maand oktober en volgend tot de maand maart 2013 voor de afgesproken financieringskosten van Eur 1313,96 en daar bij dus de reeds overeengekomen 1 % boete rente ad Eur 4000,- p/m.
De nota voor de maand oktober en november is reeds naar je verstuur[d]. Ik hoop dat je hiermee geholpen bent en het mag duidelijk zijn dat ik mijn geld liever vandaag als morgen terug heb.”
(xxi) [verweerder 2] reageerde op 4 november 2012 als volgt:
“lk kan je NU niet betalen. dat kan ik als portefeuille II komt, wanneer dit is weten we allebei niet, maar volgens ons beide verwachtingen op korte termijn.
De gevraagde “boete” rente kan ik niet per maand betalen, dit geld heb ik gewoonweg niet. lk heb op het moment geen inkomsten.
De voorgestelde akte kan ik niet tekenen, dat is euthanasie.
Ik kan niet iets aangaan waarvan ik van tevoren weet dat ik het niet na kan komen, en we direct tegenover elkaar komen te staan. iets wat we beide niet moeten willen.
(...)
Gaarne een aangepaste akte waaraan ik redelijke[r]wijs kan voldoen en kan nakomen.”
(xxii) Bij notariële akte van 21 december 2012 (hierna: de pandakte) heeft Charleston als zekerheid voor de voldoening van “de schuld (...) uit hoofde van de notariële akte van geldlening groot vier honderd duizend euro (...) met zekerheidstelling (...) verleden (...) op dertien oktober tweeduizend elf” ten behoeve van [eiseres] een eerste pandrecht op haar aandelen in Centraal Traject gevestigd. De pandakte vermeldt verder, voor zover van belang:
“Voldoening Verzekerde Verplichtingen
Artikel 5.
1. De Pandgever verplicht zich voor één en dertig januari tweeduizend veertien de Verzekerde Verplichtingen te voldoen. Indien hij vóór of op die datum alles geheel of gedeeltelijk aflost is hij over het afgeloste bedrag alleen de nog lopende of uitgestelde rente naast de hoofdsom verschuldigd doch nimmer boeterente over de voortijdige aflossing.
2. De Pandgever zal zich inspannen om voor één april tweeduizend dertien een gedeelte (...) (EUR 160.000,00) van de Verzekerde Verplichting te voldoen.”
(xxiii) Charleston heeft ook na deze zekerheidsstelling niet afgelost op de lening van [eiseres] .
(xxiv) Op 10 juni 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam aan [eiseres] verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag op de aandelen van [verweerder 2] en [verweerder 3] in aan hen gelieerde vennootschappen.
(xxv) Bij brief van 10 maart 2014 sommeerde [eiseres] Charleston tot betaling, uiterlijk op 24 maart 2014, van de openstaande vordering van € 415.661,15 per 31 januari 2014, vermeerderd met (boete)rente. [eiseres] heeft daarbij aangezegd bij gebreke van tijdige betaling over te gaan tot executieverkoop van de aan haar verpande aandelen.
(xxvi) In een e-mail van 10 oktober 2014 berichtte [verweerder 2] aan [betrokkene 1] :
“Morge, het ziet er naar uit dat ze toch nog binnen 3 - 4 weken gaan afnemen. (...).”
(xxvii) [betrokkene 1] reageerde dezelfde dag als volgt:
“Oke afwachten maar, heb er over nagedacht en wil je een eenmalig voorstel doen omdat ik er vanaf wil!
Maar als je me voor eind van de maand ƒ 210.000 betaal[t] zal ik je voor het restant finale kwijting geven.”
(xxviii) Op 20 oktober 2014 reageerde [verweerder 2] :
“(...) Ik heb geen € 210.000,-, hoe graag ik het ook wil voor finale kwijting. ik ben zoals je weet afhankelijk van NS en Prorail, Prorail geeft aan dat alle lichten op groen staan ! verwachting binnen 10 tot 14 dagen.
Zoals eerder met je besproken kan ik je dan min. € 50.000,- betalen. dit daags na levering Prorail.”
(xxix) Op 31 december 2014 hebben [eiseres] en Charleston bij notariële akte een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) gesloten, waarin, voor zover van belang, het volgende is bepaald:
“Artikel 1
Volledige terugbetaling geldlening; kwijting en decharge
[eiseres] en Charleston stellen vast dat op zes november tweeduizend veertien de schuld van Charleston aan [eiseres] in totaal (inclusief openstaande rente) vierhonderd dertigduizend zevenhonderd drieënnegentig euro en vierendertig cent (€ 430.793,34) bedroeg.
[eiseres] en Charleston zijn nader overeengekomen dat, indien Charleston op zes november tweeduizend veertien een bedrag van eenhonderd tachtigduizend euro (€ 180.000,00) zou voldoen aan [eiseres] door storting daarvan op rekeningnummer (...), Charleston daarmee voldaan zou hebben aan haar verplichtingen tot aflossing van de geldlening.
[eiseres] verklaart op zes november tweeduizend veertien het bedrag van (...) € 180.000,00 (...) te hebben ontvangen op gemeld rekeningnummer.
In verband hiermee constateren [eiseres] en Charleston dat Charleston heeft voldaan aan de nader overeengekomen verplichtingen en dat Charleston daarmee de geldlening volledig heeft afgelost.
In verband hiermee komen [eiseres] en Charleston overeen:
- [eiseres] verleent bij dezen finale kwijting aan Charleston voor de betaling van al hetgeen Charleston schuldig is uit hoofde van de geldleningsovereenkomst;
- dat zij geen rechten meer aan de geldleningsovereenkomst kunnen ontlenen en mitsdien tot geen enkele verplichting uit hoofde van de geldleningsovereenkomst gehouden zijn of kunnen worden;
- dat zij ter zake van de geldleningsovereenkomst niets meer van elkaar te vorderen hebben en ook geen vorderingen over en weer zullen instellen;
- elkaar bij dezen over en weer volledig en finaal kwijting en decharge ter zake van de geldleningsovereenkomst te verlenen.”
(xxx) In 2014 heeft NS Vastgoed een tweede groenportefeuille in de markt gezet onder de naam GreeNS en via een zogenoemde tenderprocedure te koop aangeboden. In december 2014 werd de grond geleverd aan [B] . [B] is een loonwerkersbedrijf dat werkzaam was voor Waalstede. Enige tijd later is gebleken dat [betrokkene 1] daags na de vastgoedtransactie een bedrag van € 3.600.000,- van [B] heeft ontvangen.
(xxxi) Charleston, Waalstede en Yellow Sprint hebben [betrokkene 1] en [eiseres] (tezamen hierna: [eiseres en betrokkene 1]) gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, omdat zij van mening waren dat [betrokkene 1] de koopovereenkomst had geschonden, onder meer door [B] te helpen bij de verwerving van de GreeNS. Dit heeft geleid tot een vonnis van 15 juni 2016 van de rechtbank Rotterdam, waarbij [eiseres en betrokkene 1] werden veroordeeld tot schadevergoeding. [eiseres en betrokkene 1] zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
(xxxii) Bij arrest van 13 november 2018 heeft het hof - na getuigenverhoren - het vonnis van de rechtbank vernietigd en de inleidende vorderingen afgewezen. Het hof overwoog daartoe onder meer dat op grond van de getuigenverhoren was komen vast te staan dat [B] de GreeNS zelfstandig had verworven en dat [betrokkene 1] eerst in het najaar 2014 met [B] in gesprek is gekomen over de vastgoedtransactie.
(xxxiii) Waalstede heeft in het kader van voornoemde aanbesteding en betaling van het bedrag van [B] aan [betrokkene 1] strafrechtelijke aangifte gedaan tegen [betrokkene 1] wegens niet-ambtelijke omkoping als bedoeld in art. 328ter Sr.
(xxxiv) Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens strafrechtelijk onderzoek gedaan naar de gang van zaken bij de aanbesteding van de GreeNS portefeuille, waarin [eiseres en betrokkene 1] als verdachten zijn aangemerkt. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn ook [verweerder 2] en [betrokkene 2] , eigenaar van Yellow Sprint, intensief verhoord als getuigen. [eiseres en betrokkene 1] zijn uiteindelijk vrijgesproken.
(xxxv) In het proces-verbaal van verhoor getuige van 16 februari 2021 in voornoemde stafzaak bij de rechtbank Overijssel is, voor zover van belang, de volgende verklaring van [verweerder 2] opgenomen:
“U vraagt mij of ik in 2012/2013/2014 financiële problemen had. Ik niet, maar er was een vastgoedcrisis aan de gang. U vraagt mij of mijn vennootschappen in deze periode financiële problemen hadden. Dat weet ik niet, dan moet ik de cijfers nakijken. Het zou wel kunnen dat er liquiditeitsbehoefte was. U, officier van justitie, vraagt mij wat ik daarmee bedoel. Dat je meer financiële ruimte hebt. U vraagt mij waarom ik dan aan [betrokkene 1] meerdere malen heb gemaild dat ik de lening aan [eiseres] niet kon terug betalen. Je wil de liquiditeitspositie binnen de vennootschap in stand houden.
De lening was aangegaan wegens versterking van de liquiditeitspositie. (...).
U vraagt mij waarom het volledige bedrag niet is terugbetaald als de liquiditeitspositie van de vennootschap voldoende was. Dat was omdat [betrokkene 1] kwam met een afbetalingsvoorstel.”
(xxxvi) In het proces-verbaal van de voortzetting van het hiervoor bedoelde getuigenverhoor op 12 april 2021 is, voor zover van belang, vermeld:
“5. Vraag a t/m d:
a. Waarom heeft u de hoofdsom van de lening van [eiseres] / [eiseres] niet (tijdig) conform de overeenkomst terugbetaald?
In overleg met [eiseres] zijn we op finale kwijting gekomen. U houdt mij voor dat de lening een bepaalde looptijd heeft en vraagt mij waarom niet de volledige hoofdsom is terugbetaald. Het is gegaan zoals het is gegaan. U rc vraagt mij waarom er een lager bedrag is terugbetaald, terwijl [betrokkene 1] recht had op € 350.00[0]. Het was zijn voorstel. In 2014 heb ik de lening afbetaald. De afspraken van de lening zijn een paar keer verlengd. U vraagt mij of dat op mijn verzoek was. Daar is met elkaar over gesproken en over onderhandeld. U vraagt mij waarom erover onderhandeld moest worden en waarom het verlengd moest worden. Dat kwam de betreffende vennootschap beter uit; om de liquiditeitspositie van de vennootschap op voldoende niveau te houden.
b. Beschikte u op dat moment over voldoende liquide middelen?
De vennootschap was in staat geweest om te kunnen betalen maar het geld stond niet op de betaalrekening op dat moment. U, officier van justitie vraagt mij wat het eigen vermogen was van de vennootschap op dat moment. Dat weet ik niet, dat zou ik moeten opzoeken. Er was wel voldoende vermogen binnen de vennootschap om de lening terug te betalen.
c. Wilde u de lening niet terugbetalen of kwam het u beter uit om het niet binnen de looptijd terug te betalen?
Het kwam beter uit, anders wordt het niet verlengd.
(…)
6. Had u of hadden uw bedrijven in de jaren 2012/2013/2014 voldoende liquiditeiten om de volledige hoofdsom van [eiseres] / [eiseres] terug te betalen?
Ja.
U houdt mij voor dat dit de lening van € 350.000 (DOC-280) betreft, die door rentes is opgelopen tot € 420.000.
(...) Ja, de hoofdsom van de lening en de rente konden ze terug betalen. Dat was de berekening van [betrokkene 1] , maar die discussie is nooit gevoerd. Met die discussie bedoel ik dan de discussie over de boeterente. Ik ken de exacte bedragen niet. U rc vraagt mij of ze ook in staat waren de rent[e] te betalen. Ja.
(...)
12. (...)
a. Kon u in 2012/2013/2014 aan de terugbetalingsverplichtingen van de lening voldoen zonder dat u gelden kreeg van de NS en/of Prorail?
Ja, dat is gebeurd. De lening is terugbetaald.
b. Let wel, de vraag is niet of de lening uiteindelijk is terugbetaald, maar of u in deze jaren in staat was de volledige hoofdsom van de lening terug te betalen aan [eiseres] / [eiseres] zonder gelden van NS en Pro[r]ail?
Ja, dat heb ik gedaan. Ik denk wel dat de lening volledig terugbetaald had kunnen worden zonder NS of Prorail. U vraagt mij met welke gelden ik uiteindelijk de finale kwijting heb betaald. Dat weet ik niet. Het is in ieder geval niet betaald met een nieuwe lening.
c. Waarom zegt u dan geen financiële problemen te hebben, terwijl u niet aan de leningsverplichtingen hebt voldaan en de hoofdsom van de lening niet volledig heeft terugbetaald?
Omdat [betrokkene 1] kwam met een voorstel voor finale kwijting. Er zijn afspraken gemaakt om de lening te verlengen. De lening is steeds verlengd om de liquiditeit binnen de vennootschap vast te houden. Ik heb diverse keren met [betrokkene 1] hierover gesproken en hier afspraken over gemaakt. U vraagt mij of ik de twee jaren voorafgaand aan de finale betaling de lening niet wilde terugbetalen. Wij hebben opnieuw afspraken gemaakt over de terugbetaling van de lening. Het was op dat moment beter voor de zaak om de lening te verlengen. Het verzoek tot verlenging kwam van mij, de vennootschap vandaan.
(...).”
(xxxvii) Van het onder (xxxii) hiervoor genoemde arrest van 13 november 2018 is herroeping gevraagd.
(xxxviii) [eiseres en betrokkene 1] hebben op 4 juni 2021 met verlof van de voorzieningenrechter, conservatoir beslag gelegd voor ruim € 10.000.000,- ten laste van (onder meer) Waalstede, [verweerder 2] , Charleston en Yellow Sprint. De grondslag hiervan is door [eiseres en betrokkene 1] gesteld onrechtmatig handelen door beslagenen, bestaande uit het doen van valse aangifte tegen [eiseres en betrokkene 1] en het onjuist informeren van de belastingdienst en de NS over [eiseres en betrokkene 1]
(xxxix) Per brief van 27 augustus 2021 van haar advocaat heeft [eiseres] - onder verwijzing naar de tijdens de getuigenverhoren afgelegde verklaringen - de op 31 december 2014 gesloten vaststellingovereenkomst vernietigd op grond van primair bedrog en subsidiair dwaling en Charleston gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 537.923,24 (+ pm). Aan [verweerder 2] en [verweerder 3] is aangekondigd dat zij bij het uitblijven van betaling als borg zouden worden aangesproken. Iedere betaling is daarna uitgebleven.
(xl) Bij arrest van 3 mei 2022 in de onder (xxxvii) hiervoor genoemde herroepingsprocedure heeft het hof het geding in de hoofdzaak heropend ten aanzien van de eerste grondslag van de vordering van (onder meer) Waalstede.
(xli) Bij arrest na heropening van 30 juli 2024 heeft het hof zijn arrest van 13 november 2018 herroepen en opnieuw rechtdoende het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2016 bekrachtigd, met veroordeling van [eiseres en betrokkene 1] in de kosten.
2 Procesverloop
In eerste aanleg
Bij dagvaarding van 22 oktober 2021 (hierna: de dagvaarding) heeft [eiseres] Charleston c.s. en [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]), de echtgenote van [verweerder 2] , in rechte betrokken bij de rechtbank Gelderland. Zij vordert, samengevat, dat de rechtbank (i) voor recht verklaart dat de vaststellingsovereenkomst is vernietigd, althans de vaststellingsovereenkomst vernietigt op grond van bedrog dan wel dwaling, en (ii) Charleston c.s. en [betrokkene 4] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 540.379,74 p.m., althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, (iii) met veroordeling van Charleston c.s. en [betrokkene 4] in de proces-, beslag-, na- en buitengerechtelijke kosten; een en ander te vermeerderen met wettelijke rente.
Op 10 november 2021 hebben Charleston c.s. een incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid ingediend, waarin zij verzoeken dat de rechtbank Gelderland zich onbevoegd verklaart en het geding, in de staat waarin het zich bevindt, doorverwijst naar de rechtbank Rotterdam.
Op 24 november 2021 heeft [eiseres] een conclusie van antwoord in het incident ingediend, waarin zij zich niet verzet tegen de incidentele vordering van Charleston c.s., maar wel verzoekt dat ook de zaak tegen [betrokkene 4] wordt verwezen naar de rechtbank Rotterdam.
Op 24 november 2021 heeft [betrokkene 4] een akte ingediend, waarin zij verzoekt dat wegens verknochtheid de zaak ook ten aanzien van haar wordt verwezen.
Bij incidenteel vonnis van 5 januari 2022 heeft de rechtbank Gelderland zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank).
Op 9 maart 2022 hebben Charleston c.s. en [betrokkene 4] een conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie (hierna: de CvA) ingediend, waarin zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] en ten aanzien van [betrokkene 4] opheffing van conservatoir beslag vorderen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten.
Op 7 september 2022 heeft [eiseres] een conclusie van antwoord in reconventie ingediend, waarin zij concludeert tot afwijzing van [betrokkene 4] ’ vordering in reconventie, met veroordeling van [betrokkene 4] in de kosten in reconventie.
Op 7 september 2022 heeft [eiseres] een akte wijziging eis ingediend. [eiseres] trekt de onder 2.1 achter (i) hiervoor weergegeven eis in. De vorderingen achter (ii) en (iii) blijven. [eiseres] voegt daaraan toe (iv) dat de rechtsgrond tot betaling van de hoofdsom en kosten primair zal zijn schade uit onrechtmatige daad en subsidiair bedrog en/of dwaling, voor welke subsidiaire rechtsgrond(en) de vaststellingsovereenkomst dient te worden vernietigd.
Op 7 september 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v eerste aanleg).
Op 14 september 2022 heeft [eiseres] (opnieuw) een akte wijziging eis ingediend, waarin zij niet langer wettelijke rente vordert en de onder 2.8 achter (iv) hiervoor weergegeven vordering weer intrekt. Wat resteert zijn de vorderingen tot betaling van de hoofdsom van € 540.379,74 p.m., althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, en tot betaling van de proces-, beslag-, na- en buitengerechtelijke kosten.
Op 21 december 2022 heeft de rechtbank vonnis (hierna: het tussenvonnis) gewezen, waarin zij, samengevat, overweegt dat Charleston c.s. aansprakelijk zijn jegens [eiseres] en de aansprakelijkheid van [betrokkene 4] afwijst. Ten behoeve van de schadebegroting verwijst de rechtbank de zaak naar de rol voor het nemen van een akte en antwoordakte door [eiseres] respectievelijk Charleston c.s.
Op 18 januari 2023 heeft [eiseres] een akte na tussenvonnis genomen, waarin zij tevens de rechtbank verzoekt terug te komen van een bindende eindbeslissing.
Op 15 februari 2023 hebben Charleston c.s. en [betrokkene 4] een akte na tussenvonnis ingediend, waarin zij tevens verzoeken tussentijds hoger beroep open te stellen en de rechtbank verzoeken terug te komen van het tussenvonnis.
Op 15 maart 2023 heeft [eiseres] een akte uitlating producties ingediend.
Op 26 april 2023 heeft de rechtbank vonnis (hierna: het eindvonnis) gewezen, waarin zij, samengevat, in conventie Charleston c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 220.686,04 aan schadevergoeding, de beslagkosten, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. In reconventie veroordeelt de rechtbank [eiseres] tot opheffing van het ten laste van [betrokkene 4] gelegde conservatoire beslag, met dwangsom, en tot betaling van de proceskosten. De veroordelingen verklaart de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad.
In hoger beroep
Bij appeldagvaarding van 17 juli 2023 zijn Charleston c.s. in hoger beroep gegaan van het tussenvonnis en het eindvonnis.
Op 19 januari 2024 heeft een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden bij het hof. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.
Op 5 maart 2024 hebben Charleston c.s. een memorie van grieven (hierna: de MvG) ingediend. Zij vorderen, samengevat, (i) vernietiging van het tussenvonnis en het eindvonnis, (ii) afwijzing van de vorderingen van [eiseres] en (iii) (terug)betaling van hetgeen uit hoofde van het eindvonnis is betaald, met veroordeling van [eiseres] in de proces- en nakosten. De MvG bevat 20 grieven.
Op 4 juni 2024 heeft [eiseres] een memorie van antwoord (hierna: de MvA) ingediend, waarin zij concludeert tot afwijzing van het hoger beroep van Charleston c.s., met veroordeling van Charleston c.s. in de proceskosten.
Op 8 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v hoger beroep). Daarin staat op p. 1 (zie ook het slot op p. 7) als instructie betreffende het verdere verloop van het geding:
“De zaak wordt verwezen naar de rol van 2 september 2025 voor uitspraak.”
Al op 5 augustus 2025 wijst het hof het arrest, waarin het hof het tussenvonnis en het eindvonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiseres] afwijst en [eiseres] veroordeelt tot terugbetaling van het uit hoofde van het eindvonnis betaalde bedrag van € 243.330,41, met rente, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten van beide instanties en de nakosten. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Hiertoe overweegt het hof, voor zover relevant en samengevat, als volgt.
- Het hof vat de grieven van Charleston c.s. samen. (rov. 5.2)
- Het hof gaat niet mee in het betoog van [eiseres] dat [verweerder 2] en [verweerder 3] geen belang zouden hebben bij het hoger beroep. (rov. 6.1-6.2)
- Het hof ziet aanleiding om grieven 9 en 10 als eerste te behandelen. Deze grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis dat er causaal verband is tussen het door Charleston c.s. in 2012-2014 geschetste (en naar het oordeel van de rechtbank onjuiste) beeld dat zij niet in staat waren de vorderingen uit hoofde van de lening te voldoen en het sluiten van de vaststellingsovereenkomst door [eiseres] . (rov. 6.3)
- Op [eiseres] rusten de stelplicht en, nu het causaal verband gemotiveerd is betwist door Charleston c.s., de bewijslast van het causaal verband. [eiseres] heeft, samengevat, gesteld dat zij op basis van de mededelingen van Charleston c.s. in 2012-2014 is bewogen tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. De verklaringen van [verweerder 2] in de strafzaak (zie onder 1.1.(xxxv)-(xxxvi) hiervoor) hebben [eiseres] tot het inzicht gebracht dat die mededelingen onjuist waren. Als [eiseres] dat indertijd geweten had, was zij de vaststellingsovereenkomst niet aangegaan. (rov. 6.4)
- Het hof overweegt daarover het volgende. Uit de correspondentie tussen partijen uit 2012-2014 blijkt dat [verweerder 2] en in mindere mate [verweerder 3] herhaaldelijk en in verschillende bewoordingen hebben aangegeven dat Charleston c.s. niet in staat waren tijdig aan hun verplichtingen te voldoen. Uit die correspondentie blijkt ook dat [betrokkene 1] geen geloof hechtte aan die uitlatingen en meende dat Charleston, of in ieder geval [verweerder 2] en [verweerder 3] als borgen, over voldoende vermogen beschikten. Het hof verwijst daartoe naar de e-mail van [betrokkene 1] aan [verweerder 2] van 4 oktober 2012 (zie onder 1.1.(xv) hiervoor). (rov. 6.5)
- [betrokkene 1] heeft ook ter zitting desgevraagd bevestigd dat hij de mededelingen van [verweerder 2] en [verweerder 3] over de betalingsonmacht van Charleston en henzelf niet heeft geloofd en ervan uitging dat zij vermogen hadden “weggemoffeld”. (rov. 6.6)
- Onder deze omstandigheden valt niet in te zien hoe [eiseres] door die mededelingen kan zijn bewogen de vaststellingsovereenkomst aan te gaan, ook niet als het hof, met [eiseres] en de rechtbank, er veronderstellenderwijs van uitgaat dat de mededelingen van [verweerder 2] en [verweerder 3] in 2012 onjuist waren. [betrokkene 1] geloofde die mededelingen immers niet en liet zich er dus ook niet door leiden. Hij is de vaststellingsovereenkomst aangegaan, zo verklaarde hij verder ter zitting, omdat Charleston c.s. weigerden te betalen en hij een vaststellingsovereenkomst als enige optie zag om geld binnen te krijgen. Dan moet je soms je verlies nemen en met minder genoegen nemen, zo verklaarde hij. Het hof begrijpt hieruit dat [eiseres] de vaststellingsovereenkomst is aangegaan om op relatief korte termijn iets van haar geld terug te zien en een mogelijk langdurige en gecompliceerde invorderingsprocedure te voorkomen. (rov. 6.7)
- [eiseres] heeft niet toegelicht waarom dit door de getuigenverklaringen anders zou zijn, terwijl dat, gelet op haar stelplicht, op haar weg had gelegen. [eiseres] heeft weliswaar in nr. 43 van de MvA gesteld dat zij ervan is uitgegaan dat Charleston geen middelen had, maar deze stelling is niet te rijmen met de in rov. 6.5 aangehaalde e-mail en de in rov. 6.6-6.7 aangehaalde bevestiging van [betrokkene 1] ter zitting. Het hof gaat daarom aan dat in de MvA gestelde voorbij. (rov. 6.8)
- Dat [eiseres] , ondanks haar ongeloof, niettemin de vaststellingsovereenkomst is aangegaan, doet juist vermoeden dat de mededelingen van Charleston c.s. voor [eiseres] niet de reden daarvoor waren. Het lijkt veeleer erop - gelet op de verklaringen van [betrokkene 1] ter zitting - dat [eiseres] de vaststellingsovereenkomst aanging, omdat invordering op basis van een executoriale titel gecompliceerd en/of langdurig zou kunnen zijn. (rov. 6.9)
- Nu over het causaal verband door [eiseres] onvoldoende is gesteld, komt het hof aan bewijslevering niet toe, nog daargelaten dat [eiseres] geen specifiek en ter zake dienend bewijs heeft aangeboden. Een causaal verband tussen de gestelde onrechtmatige gedragingen van Charleston c.s. en het aangaan van de vaststellingsovereenkomst door [eiseres] is dan ook niet komen vast te staan. (rov. 6.10)
- Uit het voorgaande blijkt dat grieven 9 en 10 gegrond zijn. Nu causaal verband tussen het gestelde onrechtmatig handelen en het sluiten van de vaststellingsovereenkomst ontbreekt, zal het hof de vorderingen van [eiseres] afwijzen. De andere grieven behoeven daarom geen behandeling. (rov. 6.11)
- Het hof vernietigt het tussenvonnis en het eindvonnis en wijst de vorderingen van [eiseres] alsnog af. De vordering tot terugbetaling van hetgeen is betaald aan [eiseres] uit hoofde van het eindvonnis wijst het hof toe. [eiseres] wordt veroordeeld tot de proceskosten in beide instanties. (rov. 6.12-6.13 en dictum)
In cassatie
Bij procesinleiding van 5 november 2025 heeft [eiseres] (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest.
Charleston c.s. hebben bij verweerschrift geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
Partijen hebben hun stellingen schriftelijk toegelicht.
[eiseres] heeft gerepliceerd, Charleston c.s. hebben gedupliceerd.
3 Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel van [eiseres] bevat twee onderdelen. Onderdeel 1 kent subonderdelen. Onderdeel 2 behelst een voortbouwklacht.
Onderdeel 1 (“De beoordeling van het causaal verband”)
Het onderdeel vangt aan met een samenvatting van het oordeel van het hof in rov. 6.4-6.11 van het arrest, waarna het de hoofdklacht formuleert dat het hof met zijn “reeks van beslissingen” in die overwegingen de grenzen van de rechtsstrijd en het appelprocesrecht heeft miskend, in het bijzonder het grievenstelsel en de devolutieve werking, althans een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan grieven 9 en 10, en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen. Dit wordt uitgewerkt in vijf subonderdelen. In essentie stelt het onderdeel vanuit diverse invalshoeken aan de orde, aldus [eiseres] in haar schriftelijke toelichting, dat het hof met het causaal verband ‘aan de haal is gegaan’.
Ik zie aanleiding te starten met de subonderdelen 1.2-1.3, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking. Ik vat deze subonderdelen eerst samen.
Subonderdeel 1.2 stelt dat het hof in het bestreden oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, door buiten de grieven om een (feitelijke) grondslag voor vernietiging van het tussenvonnis en het eindvonnis bij te brengen, waarmee het hof het (proces)recht heeft geschonden (ik begrijp: waaronder art. 24 Rv). Want het hof heeft daarin uiteengezet waarom [betrokkene 1] ( [eiseres] ) volgens het hof geen geloof hechtte aan de (door de rechtbank als onjuist gekwalificeerde) uitlatingen van Charleston c.s. dat zij niet in staat waren de lening terug te betalen, terwijl Charleston c.s. noch in grieven 9 en 10 noch elders in de MvG hebben betoogd dat causaal verband ontbreekt omdat [betrokkene 1] ( [eiseres] ) aan deze uitlatingen geen geloof hechtte. Charleston c.s. hebben het oordeel van de rechtbank omtrent het causaal verband aangevallen door het schetsen van een alternatieve aanleiding voor [eiseres] om de vaststellingsovereenkomst aan te gaan.
Subonderdeel 1.3 stelt voorop dat voor zover het hof in het bestreden oordeel grieven 9 en 10 zo heeft begrepen dat Charleston c.s. daarmee hebben bedoeld te stellen dat [betrokkene 1] ( [eiseres] ) geen geloof hechtte aan de (door de rechtbank als onjuist gekwalificeerde) uitlatingen van Charleston c.s. dat zij niet in staat waren de lening terug te betalen, deze uitleg onbegrijpelijk is. Vervolgens vat het subonderdeel het betoog in grieven 9 en 10 samen. Daarop stelt het subonderdeel dat wat er van deze argumenten in grieven 9 en 10 ook zij, geen daarvan inhoudt dat [betrokkene 1] ( [eiseres] ) geen geloof hechtte aan die uitlatingen van Charleston c.s. (waarbij het subonderdeel nog opmerkt dat het woord “geloof” of synoniemen in de MvG niet voorkomen). Mocht het hof deze argumenten toch zo hebben begrepen, dan is zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, nu het hof heeft nagelaten toe te lichten waarom het hof de grieven zo heeft begrepen.
Behandeling
Hiermee boekt het onderdeel reeds succes, gelet op het volgende.
Voor een goed begrip trap ik af met een beschrijving van het partijdebat, in het bijzonder in verband met het causaal verband. Ik vang aan met een beknopte weergave van het debat in eerste aanleg (onder 3.6-3.6.2 hierna). Daarna vat ik samen hoe de rechtbank daarop heeft gerespondeerd in het tussenvonnis en het eindvonnis (onder 3.7-3.7.3 hierna). Vervolgens kom ik op het partijdebat in hoger beroep, met speciale aandacht voor grieven 9 en 10 (onder 3.8-3.8.5 hierna). Na een analyse van het bestreden oordeel (onder 3.9-3.19.6 hierna) wend ik de steven weer naar de subonderdelen 1.2-1.3 (vanaf 3.20 hierna).
Eerst dus het partijdebat in eerste aanleg.
Ten aanzien van [eiseres] wijs ik op het volgende.
- Omdat Charleston c.s. jarenlang bleven volhouden niet over middelen te beschikken om de lening, inclusief (boete)rente, terug te kunnen betalen en terugbetaling ervan eind 2014 nog steeds uitbleef, zag [eiseres] zich gedwongen voor € 180.000,- te schikken en zo dit langlopende geschil te beëindigen. Dit was voor [eiseres] de enige mogelijkheid om nog enigszins iets terug te krijgen van de lening. [eiseres] wist in 2014 niet meer dan dat Charleston c.s. in financieel zwaar weer verkeerden, het geld niet hadden om de lening af te lossen en zelfs voor een afwikkelingsvoorstel tegen finale kwijting afhankelijk zouden zijn van externe gelden.
- Uit de in het geding gebrachte processen-verbaal van de getuigenverhoren in de strafzaak blijkt dat [verweerder 2] heeft verklaard dat Charleston in 2014 de lening, inclusief (boete)rente, wel degelijk volledig had kunnen aflossen. Charleston beschikte wel degelijk over voldoende liquiditeiten, althans vermogen dat in liquiditeiten kon worden omgezet. [verweerder 2] heeft tegenover de FIOD verklaard dat er wel middelen waren om de lening terug te betalen.
- Bij afwezigheid van het bedrog van Charleston c.s. zou [eiseres] de vaststellingsovereenkomst niet, althans niet tegen dezelfde voorwaarden, hebben gesloten. [eiseres] is de vaststellingsovereenkomst slechts aangegaan, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat Charleston c.s. financieel niet in staat waren de lening, inclusief (boete)rente, af te lossen en afhankelijk waren van externe gelden.
- De aandelen in Centraal Traject waren ten tijde van de verpanding niks waard. De zekerheden van [eiseres] waren niets waard, in Waalstede zat niets van waarde. Het uitwinnen van die zekerheden had geen zin, nu steeds werd gezegd dat er niks was.
Ten aanzien van Charleston c.s. wijs ik op het volgende.
- Aan de overeenstemming tussen partijen ligt niet ten grondslag het gebrek aan vermogen van Charleston c.s. De onzekerheid die werd gedekt was op welke termijn er zou worden betaald. Het voorstel kwam volledig van [eiseres] . Zij had ook kunnen overgaan tot uitwinning van de zekerheden, waaronder de aandelen in Centraal Traject.
- Op 20 oktober 2014 kon [verweerder 2] de lening niet terugbetalen, althans had hij geen liquiditeit. Maar dat is iets anders dan vermogen.
- De overeenkomst is niet gesloten vanwege mededelingen van [verweerder 2] , maar omdat [betrokkene 1] zich wilde distantiëren van Charleston c.s., van de zaak. Het betrof een zelfstandig aanbod van [betrokkene 1] , waar [verweerder 2] niet om had gevraagd. [verweerder 2] heeft geen verkeerde informatie verstrekt. Er is nooit gezegd dat er geen vermogen was, het probleem was liquiditeit. Bovendien had [eiseres] zekerheden.
- [verweerder 3] en [verweerder 2] hebben ook steeds uitgelegd wat het probleem was, niet zo zeer dat er geen vermogen bestond. De vaststellingovereenkomst is aangegaan onder het prijsgeven van zekerheden die aanzienlijk meer waarde vertegenwoordigden.
- Uit het FIOD-rapport blijkt dat [betrokkene 1] eerder wel financiële cijfers heeft opgevraagd, maar hij vond dat bij het finale afwikkelvoorstel niet van belang.
- [betrokkene 1] wist wat Waalstede waard was. Dat hij desalniettemin afzag van het uitwinnen van zekerheden en in plaats daarvan de vaststellingsovereenkomst wilde sluiten, is zijn eigen keuze. Die keuze is niet ingegeven door onrechtmatig handelen van [verweerder 2] . [betrokkene 1] kende de stand van zaken van de bedrijfsvoering van Centraal Traject, de waarde van het onroerend goed en wist dat op termijn geld beschikbaar zou komen, maar hij wilde niet wachten.
Dan het tussenvonnis en het eindvonnis.
In het tussenvonnis oordeelt de rechtbank, samengevat, als volgt over de aansprakelijkheid van Charleston c.s.
- De eerste vraag die voorligt, is of Charleston c.s. jegens [eiseres] onrechtmatig hebben gehandeld door willens en wetens onjuiste informatie te verstrekken over de financiële positie van Charleston als hoofdschuldenaar. Dit onrechtmatig handelen bestaat volgens [eiseres] uit door Charleston c.s. gedane misleidende en bedrieglijke mededelingen. Charleston c.s. betwisten dat jegens [eiseres] onjuiste mededelingen zijn gedaan. Volgens hen moeten de mededelingen in het licht van de liquiditeitsbehoefte van Charleston worden gezien en wist [eiseres] daarvan. (rov. 5.1)
- Uit de in rov. 5.2 weergegeven gang van zaken blijkt dat de vaststellingsovereenkomst het sluitstuk is van een periode van ruim twee jaren waarin afspraken over de terugbetaling van de lening door Charleston herhaaldelijk niet werden nagekomen en waarin [eiseres] keer op keer werd voorgehouden dat Charleston niet kon betalen. (rov. 5.3)
- Uit de getuigenverklaringen van [verweerder 2] bij de FIOD blijkt dat zijn mededelingen in 2012, 2013 en 2014 over het niet kunnen terugbetalen van de lening onjuist zijn. De essentie van die verklaringen is immers dat Charleston het geleende bedrag wel degelijk aan [eiseres] kon terugbetalen, maar dat het vanwege haar liquiditeitspositie beter uitkwam om dat niet te doen. Niet willen betalen is iets anders dan niet kunnen betalen. Het argument van Charleston c.s. dat er een verschil is tussen liquiditeit en vermogen, dat het eerste er niet was maar het tweede wel en dat [eiseres] dat heel goed wist, gaat niet op. Er is immers onmiskenbaar de indruk gewekt dat het (ook) niet mogelijk was om voldoende liquiditeit voor terugbetaling te genereren door de verkoop van onroerend goed. (rov. 5.4)
- De conclusie is dat [verweerder 2] namens Charleston over de financiële positie van Charleston heeft gelogen tegen ( [betrokkene 1] , de bestuurder van) [eiseres] . Dat heeft [verweerder 2] opzettelijk gedaan met het oog op de liquiditeitspositie van Charleston. Dat is in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en daarmee onrechtmatig van Charleston jegens [eiseres] . (rov. 5.5)
- [verweerder 2] en [verweerder 3] zijn, naast Charleston, ook aansprakelijk jegens [eiseres] uit hoofde van onrechtmatige daad. (rov. 5.6-5.8)
In het tussenvonnis oordeelt de rechtbank, samengevat, als volgt over het causaal verband (rov. 5.9).
- Vervolgens moet worden beoordeeld of het hiervoor bedoelde onrechtmatig handelen van Charleston c.s. heeft geleid tot de door [eiseres] gestelde schade.
- [eiseres] heeft gemotiveerd gesteld dat het beëindigen van de betalingsonzekerheid de reden is van haar initiatief tot het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Dat standpunt vindt steun in de feitelijke gang van zaken die blijkt uit rov. 5.1-5.8. Dit leidt tot het oordeel dat tussen de bedrieglijke mededelingen van [verweerder 2] en [verweerder 3] , namens Charleston, en het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zo’n nauwe band bestaat dat die overeenkomst zonder de misleidende mededelingen niet, of niet onder dezelfde voorwaarden, zou zijn gesloten. Daarmee is het causaal verband gegeven.
- Het verweer van Charleston c.s. dat [eiseres] ook de mogelijkheid had om zekerheden uit te winnen gaat niet op, nu daartoe geen verplichting bestaat en het niet onbegrijpelijk is dat [eiseres] na een lange periode van niet-betaling via een vaststellingsovereenkomst in elk geval een deel van het geleende geld terug wilde krijgen.
- Charleston c.s. hebben aangevoerd dat [eiseres] andere redenen had voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, namelijk dat het [eiseres] zakelijk gezien beter uitkwam om helemaal afscheid te nemen van Charleston c.s., maar dit verweer hebben Charleston c.s. onvoldoende uitgewerkt en is door [eiseres] weersproken. De rechtbank gaat daaraan dan ook voorbij.
In het eindvonnis oordeelt de rechtbank, voor zover relevant en samengevat, als volgt.
- De rechtbank heeft in het tussenvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat [verweerder 2] namens Charleston over de financiële positie van Charleston heeft gelogen tegen (de bestuurder van) [eiseres] (rov. 5.1-5.5), dat dit onrechtmatig handelen van Charleston ook aan [verweerder 2] persoonlijk kan worden toegerekend (rov. 5.6-5.7) en dat ook [verweerder 3] heeft gelogen en op grond daarvan aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst (rov. 5.8). De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat deze leugens ertoe hebben geleid dat [eiseres] de vaststellingsovereenkomst heeft gesloten (rov. 5.9). (rov. 2.4)
- Charleston c.s. hebben verzocht om tussentijds hoger beroep open te stellen of terug te komen van bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis. Charleston c.s. zijn het niet eens met die beslissingen en leggen aan hun verzoeken onder meer ten grondslag dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden en argumenten van Charleston c.s. onbesproken heeft gelaten. (rov. 2.1)
- De conclusie is dat de rechtbank in wat Charleston c.s. hebben aangevoerd geen grond ziet voor het oordeel dat wegens bijzondere omstandigheden tussentijds hoger beroep moet worden opengesteld of dat van het tussenvonnis moet worden terugkomen. Beide verzoeken worden dan ook afgewezen. Dit betekent dat de door Charleston c.s. bestreden bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis in stand blijven en bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt worden genomen. (rov. 2.13, aansluitend op rov. 2.1-2.12)
Daarmee bereik ik het partijdebat in hoger beroep.
In de MvG bestrijden Charleston c.s. rov. 5.3-5.10 en 5.13 van het tussenvonnis en rov. 2.18-2.24 van het eindvonnis. Met grieven 9 t/m 12 keren zij zich tegen rov. 5.9 van het tussenvonnis. Het hof beperkt zich in het arrest tot behandeling van grieven 9 en 10. Deze twee grieven richten zich, aldus het hof in rov. 6.3:
“tegen het door de rechtbank in het bestreden tussenvonnis aangenomen causaal verband tussen (i) het door Charleston, [verweerder 2] en [verweerder 3] in de periode 2012-2014 geschetste (en naar het oordeel van de rechtbank onjuiste) beeld dat Charleston c.s. niet in staat waren de vorderingen uit hoofde van de leningsovereenkomst te voldoen en (ii) het sluiten van de vaststellingsovereenkomst door [eiseres] .”
Met dit laatste doelt het hof op het onder 3.7.2, tweede gedachtestreepje hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank in rov. 5.9 van het tussenvonnis.
Grief 9 van Charleston c.s. komt neer op het volgende.
- Deze grief is gericht tegen het causaal verband dat de rechtbank in rov. 5.9 van het tussenvonnis aannam ten aanzien van [verweerder 3] . In het bijzonder wordt gegriefd tegen de betekenis die de rechtbank in dat verband hecht aan de bijdrage die [verweerder 3] heeft geleverd aan het geven van een misleidend beeld over de financiële situatie bij Charleston, terwijl zij van de financiële situatie op de hoogte was en net zo goed als [verweerder 2] de indruk heeft gewekt dat terugbetaling van de volledige lening (met rente) niet mogelijk was. De rechtbank verwijst in dit verband naar de e-mail van [verweerder 3] van 28 september 2012 (zie onder 1.1.(x) hiervoor).
- [verweerder 3] is nauwelijks betrokken geweest bij het reilen en zeilen van de onderneming vanwege persoonlijke problemen, en is na voornoemde e-mail niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst.
- Naar het inzicht van [verweerder 3] is haar bede aan [betrokkene 1] in 2012 volkomen terecht. De (“zeer ongelukkige dubbelzinnige”) verklaringen van [verweerder 2] in het strafproces hebben geen bindende bewijskracht, zeker niet jegens [verweerder 3] .
- [verweerder 3] betwist dat voornoemde e-mail ertoe heeft geleid dat in 2014 de vaststellingsovereenkomst wordt gesloten of tot 2014 bij [eiseres] de indruk zou worden gewekt dat in die periode geen verhaal zou bestaan, en dat uit die e-mail kan volgen dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld.
- [verweerder 3] betwist, ten overvloede, dat op haar als borg een bijzondere zorgplicht rust.
Grief 10 van Charleston c.s. komt neer op het volgende.
- Deze grief bestrijdt de overweging van de rechtbank in rov. 5.9 van het tussenvonnis dat het beëindigen van de betalingsonzekerheid de reden is geweest tot het initiatief van [eiseres] tot het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, hetgeen steun vindt in de feitelijke gang van zaken (zoals overwogen in rov. 5.1-5.4), en dat dit tot het oordeel leidt dat tussen de bedrieglijke mededelingen van [verweerder 2] en [verweerder 3] , namens Charleston, en het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zo’n nauwe band bestaat dat die overeenkomst zonder de misleidende mededelingen niet, of niet onder dezelfde voorwaarden, zou zijn gesloten en dat daarmee het causaal verband is gegeven.
- Charleston c.s. verwijzen in de eerste plaats kortweg naar de toelichting bij grief 1. Ik begrijp dat daarmee meer in het bijzonder wordt gedoeld op de volgende aldaar ingenomen stellingen.
o De vaststellingsovereenkomst is niet het resultaat van de relatie tussen Charleston c.s. en [eiseres] / [betrokkene 1] , maar het resultaat van de onderhandelingen die het loonwerkbedrijf “ [B] ” (dit betreft [B] ) met NS heeft gevoerd over de verwerving van de GreeNS portefeuille en de zekerheid aanvang oktober 2014 dat [B] de GreeNS portefeuille zou verwerven met een aanzienlijke fee voor [betrokkene 1] .
o Tussen Waalstede (dochter van Centraal Traject, dus voor de helft toebehorend aan Charleston) en [betrokkene 1] was overeengekomen dat hij werkzaamheden zou blijven verrichten voor Waalstede: het voeren van onderhandelingen met ProRail over de afwikkeling van de in 2010 aangekochte vastgoedportefeuille en de verwerving van de GreeNS portefeuille.
o Ten tijde van het aangaan va de vaststellingsovereenkomst ging [verweerder 2] ervan uit dat Waalstede de GreeNS portefeuille zou verwerven en middelen zou verwerven vanwege grondtransacties met onder meer NS en ProRail. Daarnaast bezaten de vennootschappen waar [verweerder 2] en [verweerder 3] eigenaar van waren nog steeds een onroerendgoedportefeuille, die in wezen door activiteiten van bancaire instellingen werd afgewikkeld.
o [verweerder 2] heeft destijds dan ook niet voor ogen gehad om de lening niet terug te betalen. Gegeven de marktomstandigheden en de gang van zaken was het aantrekken van liquiditeit buitengewoon moeilijk. Er was met andere woorden voldoende vermogen, maar dat is iets anders dan liquiditeit.
o Die liquiditeitsbehoefte is door de jaren heen tot aan het afwikkelen van de vaststellingsovereenkomst blijven bestaan, maar die is niet de oorzaak van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, waarmee een deel van de lening niet betaald hoefde te worden. De vaststellingsovereenkomst is een element in een vooropgezet plan van [betrokkene 1] om aan de GreeNS buiten Yellow Sprint en Charleston om (en in strijd met wat is overeengekomen) te verdienen. Uit hoofde van zijn betrokkenheid bij Waalstede wist [betrokkene 1] dat er via Charleston liquiditeit zou stromen.
o De vaststellingsovereenkomst was niet het sluitstuk van de geschetste omstandigheden; de lopende rente werd betaald en naar verwachting zou er voldoende actief worden gegenereerd om de lening te kunnen aflossen, terwijl [betrokkene 1] ook financieel niet in de problemen was (al is het maar gegeven de verwachting dat binnen korte tijd zijn fee vanuit de verwerving door [B] van de GreeNS vrijkwam).
- Charleston c.s. merken aansluitend op dat [eiseres] de vaststellingsovereenkomst heeft voorgesteld in oktober 2014, toen het [betrokkene 1] duidelijk werd dat “ [B] c.s.” de GreeNS portefeuille zouden verwerven en niet Waalstede, en er dus een aanzienlijke fee zou worden uitgekeerd aan [betrokkene 1] .
- Daarbij komt, zo vervolgen Charleston c.s., dat het causale verband niet moet worden verondersteld, aangezien in 2012 [betrokkene 1] om financiële informatie uit de administratie van Charleston had gevraagd en had gekregen.
- Ten slotte ontbreekt het causale verband, omdat [eiseres] een pandrecht had op de helft van de aandelen in Centraal Traject. [betrokkene 1] wist dat de aandelen van Charleston in Centraal Traject een aanzienlijke waarde vertegenwoordigden ter hoogte van de lening en in ieder geval veel meer dan het afkoopvoorstel van € 210.000. De wanbetaling van Charleston moet dan ook een buitenkansje zijn geweest voor [eiseres] om die helft van de aandelen te verwerven. Dit laatste heeft [betrokkene 1] niet eens onderzocht. Dit toont de afwezigheid van het causaal verband aan.
- Ten overvloede biedt “Charleston” getuigenbewijs aan van de afwezigheid van het causale verband.
Hierop is door [eiseres] als volgt gereageerd, te beginnen met het voorgaande inzake grief 9.
- Hoewel [eiseres] begrip kan opbrengen voor vervelende privéomstandigheden, waarmee zij niet bekend was wat betreft de zoon van [verweerder 3] , valt niet in te zien dat deze omstandigheden rechtvaardigen dat [verweerder 3] leugens gaat verkondigen.
- Het is onbegrijpelijk en onjuist dat de verklaringen van [verweerder 2] in de strafprocedure geen werking zouden hebben tegen [verweerder 3] .
- Anders dan [verweerder 3] betoogt, heeft haar e-mail van 28 september 2012 er mede voor gezorgd dat de vaststellingsovereenkomst tot stand kwam.
- Ook als [verweerder 3] geen bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] .
- Anders dan [verweerder 3] meent, is door de rechtbank niet overwogen dat op haar als borg een bijzondere zorgplicht rust. De rechtbank heeft - terecht - overwogen dat op [verweerder 3] als borg een bijzondere verantwoordelijkheid rust. Dat is iets anders.
En wat betreft het voorgaande inzake grief 10.
- Voor zover door “Charleston” (bedoeld zal zijn Charleston c.s.) wordt verwezen naar grief 1, volstaat [eiseres] met een verwijzing naar haar reactie op grief 1. Ik begrijp dat daarmee meer in het bijzonder wordt gedoeld op de volgende aldaar ingenomen stellingen.
o Het is onbegrijpelijk dat Charleston c.s. ontkennen dat de vaststellingsovereenkomst het sluitstuk is van een periode van ruim twee jaren waarin afspraken over terugbetaling van de lening herhaaldelijk niet werden nagekomen. Uit e-mails die de rechtbank aanhaalt, blijkt dat [verweerder 3] en [verweerder 2] aan [eiseres] meedeelden dat er geen geld was. Daarbij is de suggestie gewekt dat het liquide maken van vermogen niet mogelijk was, omdat dat schadelijk zou zijn. Op die basis zijn nieuwe betaalafspraken gemaakt en is een pandrecht op aandelen gevestigd, maar ook die afspraken zijn niet nagekomen. Uit de daar nog nader door [eiseres] geschetste gang van zaken, die een periode van ruim twee jaren betreft, blijkt volgens haar onmiskenbaar dat de vaststellingsovereenkomst het sluitstuk is van een periode van ruim twee jaren waarin afspraken over de terugbetaling van de lening door Charleston herhaaldelijk niet werden nagekomen en waarin [eiseres] keer op keer, ten onrechte, werd voorgehouden dat Charleston niet kon betalen. Dat Charleston c.s. dit ontkennen, is onbegrijpelijk.
o Het is pertinent onjuist dat de vaststellingsovereenkomst het resultaat is van de onderhandelingen die [B] met NS heeft gevoerd over de verwerving van de GreeNS. Elke relatie tussen de vaststellingsovereenkomst en de GreeNS ontbreekt.
o Onjuist is ook dat met [betrokkene 1] was afgesproken dat hij na 31 december 2013 nog werkzaamheden zou verrichten voor Waalstede, en dat [betrokkene 1] in 2014 nog bij de bedrijfsvoering van Waalstede betrokken was.
o Evenzeer onjuist is dat [verweerder 2] in oktober 2014 ervan uitging dat Waalstede de GreeNS zou verwerven. De verwijzing naar de raamovereenkomst met ProRail is evenmin relevant.
o Onbegrijpelijk is de stelling dat [verweerder 2] destijds niet voor ogen had om de lening niet terug te betalen. De daarbij door [eiseres] aangehaalde correspondentie maakt duidelijk dat het plan immer is geweest om [eiseres] niet te betalen.
o Dat [eiseres] de vaststellingsovereenkomst wilde sluiten, heeft niets te maken met GreeNS en dat [betrokkene 1] zou hebben geweten dat er een groot geschil zou gaan spelen, omdat hij twee heren zou hebben gediend. [betrokkene 1] was het beu om achter zijn geld aan te moeten en om [verweerder 2] telkens beloftes te horen doen, die hij vervolgens niet nakwam. Ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst was er tussen partijen helemaal nog geen geschil en wist [betrokkene 1] ook niet dat dit zou ontstaan.
o Onnavolgbaar is dat het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in lijn dient te worden beschouwd met e-mails van 2 en 24 oktober 2014 met betrekking tot de GreeNS. Onnavolgbaar is ook de stelling dat de vaststellingsovereenkomst geen conclusie zou zijn, maar een element in een vooropgezet plan van [betrokkene 1] buiten Yellow Sprint en Charleston om (en in strijd met wat is overeengekomen) aan GreeNS te verdienen. Wat hiermee wordt bedoeld, is [eiseres] een raadsel.
- [eiseres] herhaalt aansluitend nog eens dat de vaststellingsovereenkomst - volkomen - los stond van de GreeNS. Elke relatie tussen de vaststellingsovereenkomst en de GreeNS ontbreekt.
- Vervolgens merkt [eiseres] op dat de stellingen van Charleston c.s. omtrent inzage van [eiseres] in de financiën van Charleston onduidelijk zijn. Voor zover Charleston c.s. stellen dat [eiseres] inzage had in Charletons financiën is dat pertinent onjuist. Die inzage heeft [eiseres] niet gehad. Voor zover Charleston c.s. stellen dat [eiseres] deze inzage had kunnen krijgen, doet dat niet af aan het causale verband. Bovendien valt niet in te zien waarom [eiseres] om die inzage had moeten vragen. Charleston c.s. hadden immers bij herhaling laten weten niet in staat te zijn tot terugbetaling van de lening. [eiseres] had geen reden om te twijfelen aan de woorden van [verweerder 2] , met wie [betrokkene 1] daarvoor nog een bedrijf had gehad en met wie - volgens [verweerder 2] - een vriendschappelijke band heeft bestaan.
- Dat Charleston een aandelenbelang in Centraal Traject had, doet aan het causaal verband niets af. Charleston c.s. lijken uit te gaan van een verkeerde definitie van causaal verband. Om te beoordelen of er een causaal verband is tussen de onrechtmatige daad en de schade moet de onrechtmatige daad worden weggedacht. Indien de schade dan nog steeds zou zijn ontstaan, is er geen causaal verband. In de onderhavige zaak bestaat de onrechtmatige daad uit het onjuiste en leugenachtige beeld dat is geschetst omtrent de (on)mogelijkheden van Charleston om de lening terug te betalen. Zonder deze uitlatingen zou [eiseres] de vaststellingsovereenkomst niet hebben gesloten. Het aandelenbelang van Charleston in Centraal Traject doet daaraan evident niet af en speelt bij het causale verband geen enkele rol.
- Bovendien betwist [eiseres] dat het voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst duidelijk was dat de lening kon worden afgelost met de aandelen van Charleston in Centraal Traject.
Tot slot de analyse van het bestreden oordeel.
Onder 2.22 hiervoor vatte ik samen wat het hof doet in het arrest, specifiek in het bestreden oordeel inzake grieven 9 en 10 van Charleston c.s., die het hof honoreert.
Alles overziend, komt dit erop neer dat volgens het hof [eiseres] niet heeft voldaan aan haar stelplicht inzake het causaal verband tussen de gestelde onrechtmatige gedragingen van Charleston c.s. en het aangaan van de vaststellingsovereenkomst door [eiseres] . Dat zit zo.
- Het hof ziet aanleiding om grieven 9 en 10 als eerste te behandelen. (rov. 6.3)
- Het hof stelt voorop dat op [eiseres] de stelplicht en, nu het causaal verband door Charleston c.s. gemotiveerd is betwist, de bewijslast rust van dit causaal verband. (rov. 6.4)
- Dan vat het hof samen wat [eiseres] daartoe heeft gesteld. Dit komt erop neer dat zij de vaststellingsovereenkomst is aangegaan onder invloed van onjuist gebleken uitlatingen van Charleston c.s. over hun betalingsonmacht. (rov. 6.4)
- Volgens het hof heeft [eiseres] voor dit laatste te weinig aangevoerd. (rov. 6.10)
- Daartoe wijst het hof eerst op de e-mail van [betrokkene 1] aan [verweerder 2] van 4 oktober 2012 (zie onder 1.1.(xv) hiervoor), waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] “geen geloof hechtte” aan die uitlatingen “en meende” dat Charleston, of in ieder geval [verweerder 2] en [verweerder 3] als borgen, over voldoende vermogen beschikte(n). (rov. 6.5)
- Daaraan voegt het hof toe dat [betrokkene 1] “ook ter zitting desgevraagd [heeft] bevestigd” dat hij de mededelingen van [verweerder 2] en [verweerder 3] over de betalingsonmacht van Charleston en henzelf “niet heeft geloofd en ervan uitging dat zij vermogen hadden ‘weggemoffeld’”. (rov. 6.6)
- Dáárvan uitgaande (“[o]nder deze omstandigheden”) valt volgens het hof niet in te zien hoe [eiseres] door die uitlatingen/mededelingen kan zijn bewogen de vaststellingsovereenkomst aan te gaan. Ook niet als het hof, met [eiseres] en de rechtbank, veronderstellenderwijs ervan uitgaat dat die uitlatingen “in 2012” onjuist waren. “ [betrokkene 1] geloofde die mededelingen immers niet en liet zich er dus ook niet door leiden”. (rov. 6.7)
- Van daaruit, en onder verwijzing naar nog weer een andere verklaring van [betrokkene 1] ter zitting bij het hof, komt het hof tot de gevolgtrekking (“Het hof begrijpt hieruit”, etc.) dat [eiseres] de vaststellingsovereenkomst is aangegaan om op relatief korte termijn iets van haar geld terug te zien en een mogelijk langdurige en gecompliceerde invorderingsprocedure te voorkomen. (rov. 6.7)
- Volgens het hof had het, gelet op [eiseres] stelplicht, op haar weg gelegen toe te lichten waarom “dit” (dus de in rov. 6.7 geschetste stand van zaken) door de getuigenverklaringen van [verweerder 2] anders zou zijn, maar heeft [eiseres] dat niet gedaan. (rov. 6.8)
- Het hof merkt daarbij op voorbij te gaan aan de stelling in de MvA, nr. 43 dat [eiseres] ervan is uitgegaan dat Charleston geen middelen had, nu deze stelling “niet te rijmen [is] met de in r.ov. 6.5 aangehaalde e-mail en de in r.ov. 6.6 en 6.7 aangehaalde bevestiging van [betrokkene 1] ter zitting”. (rov. 6.8)
- Het hof rondt af met een overweging die aansluit op voornoemde gevolgtrekking. Te weten: dat [eiseres] , “ondanks haar ongeloof”, niettemin de vaststellingsovereenkomst is aangegaan, doet juist vermoeden dat de mededelingen van Charleston c.s. voor haar niet de reden waren om de vaststellingsovereenkomst aan te gaan. Het lijkt er - gelet op de verklaring van [betrokkene 1] ter zitting - veeleer op dat [eiseres] deze overeenkomst is aangegaan, omdat de invordering van de (onbestreden) geldvordering op basis van een executoriale titel gecompliceerd en/of langdurig zou kunnen zijn. (rov. 6.9)
- Dan bereikt het hof voornoemde punt in rov. 6.10 (“Nu over het causaal verband door [eiseres] onvoldoende is gesteld”, etc.).
Daarmee is dan het pleit beslecht. Want dit brengt al mee dat het hof ter zake aan bewijslevering niet toekomt, zodat het vereiste causaal verband niet is komen vast te staan (rov. 6.10). En bij gebrek aan dit causaal verband liggen de vorderingen van [eiseres] reeds voor afwijzing gereed, de andere grieven van Charleston c.s. behoeven geen behandeling (rov. 6.11).
Ik begin met vijf observaties.
Ten eerste. Door deze lijn te volgen, kan het hof in het arrest - al binnen een maand na de zitting - de zaak ‘kort bij de beentjes’ afdoen met behandeling van enkel grieven 9 en 10, in slechts 1,5 pagina tekst: de overige 18 grieven van Charleston c.s. behoeven zo geen behandeling. Daarmee biedt deze lijn het hof in feite een zogeheten ‘silver bullet’: het wenkende perspectief van een simpele, effectieve oplossing.
Ten tweede: de e-mail van [betrokkene 1] aan [verweerder 2] van 4 oktober 2012 (zie onder 1.1.(xv) hiervoor).
Want om dit zo te kunnen doen, beroept het hof zich op die e-mail. Het hof doelt blijkens rov. 6.5 specifiek op deze passage in die e-mail:
"(...) wat me [dit is [betrokkene 1] ] steekt is dat je [dit is [verweerder 2] ] opnieuw zegt dat al je geld in deze onderneming zit, maar dat is pertinent onwaar. (...) Jouw geld zit niet in Waalstede vastgoed b.v. of aan Waalstede vastgoed b.v. gelieerde bv’s, maar in Maus b.v., Vbm, landgoed Carnewil, [A] , etc ik hoef ze verder niet allemaal op te noemen. (...).”
Het hof maakt evenwel bepaald meer van die passage dan daarin te lezen valt. Want daarin, en trouwens ook breder in die e-mail, staat eenvoudigweg niet dat [betrokkene 1] ( [eiseres] ) geen geloof hechtte aan voornoemde uitlatingen van Charleston c.s. en meende dat Charleston, of in ieder geval [verweerder 2] en [verweerder 3] als borgen, over voldoende vermogen beschikte(n). [betrokkene 1] zegt in die passage hooguit iets over de ondernemingen waarin, volgens hem, het geld van [verweerder 2] zit. Charleston en [verweerder 3] komen daarin niet voor. Daarbij verdient nog opmerking dat die e-mail dateert van 4 oktober 2012, terwijl de vaststellingsovereenkomst pas is gesloten op 31 december 2014, dus ruim twee jaren later (zie onder 1.1.(xxix) hiervoor).
Ik wijs ook nog op het volgende. Die e-mail is door [eiseres] bij dagvaarding overgelegd (als productie 9) als onderdeel van de uiteenzettingen onder “Vermeende financiële problemen Gedaagden”, dit ter ondersteuning van de stelling dat [betrokkene 1] begin oktober 2012: niet gelooft dat [verweerder 2] de geldlening tijdig zal aflossen; zich emotioneel gechanteerd voelt door Charleston c.s.; en Charleston c.s. verzoekt zekerheden te verstrekken. Charleston c.s. verwijzen naar die e-mail in de MvG, en wel ter ondersteuning van grief 4. Die grief bestrijdt het oordeel in rov. 5.4 van het tussenvonnis, waarin de rechtbank oordeelt dat de getuigenverklaringen van [verweerder 2] haaks staan op de uitlatingen van Charleston c.s. in 2012-2014, terwijl Charleston c.s. geen (financiële) stukken in het geding hebben gebracht waaruit blijkt dat Charleston niet kon betalen. Meer in het bijzonder betogen Charleston c.s. in die grief dat [eiseres] in die e-mail zou bevestigen dat zij in 2012 inzage had in de financiën van Waalstede. Voor het overige ben ik die e-mail, die door partijen dus niet is betrokken in de context van het causaal verband, en die door de rechtbank niet is betrokken in het tussenvonnis en het eindvonnis (dus ook niet in de context van het causaal verband), niet tegengekomen in het partijdebat.
Gelet op dit een en ander is het - zacht gezegd - opmerkelijk dat het hof juist die e-mail (mede) ten grondslag legt aan diens oordeel over het causaal verband, in verband met grieven 9 en 10.
Ten derde: de in rov. 6.6 bedoelde (en in rov. 6.7 herhaalde) verklaring (“bevestiging”) van [betrokkene 1] ter zitting bij het hof.
Want het hof wijst, in het verlengde van die e-mail van 4 oktober 2012, dus ook op die verklaring van [betrokkene 1] . Het hof doelt blijkens rov. 6.6 (en 6.7) op de volgende verklaring van [betrokkene 1] :
“- Ik [dit is [betrokkene 1] ] geloofde altijd zeker dat [verweerder 2] [dit is [verweerder 2] ] mij kon betalen. Ik wist dat [verweerder 2] geld aan het wegmoffelen was. Hij kon gewoon nog op vakantie naar Las Vegas. De email van [betrokkene 2] waarin staat dat ze mij aan het lijntje moeten houden, bewijst ook dat hij wel gewoon kon betalen. Ik wist dat hij dat kon.”
Ook van die verklaring maakt het hof evenwel bepaald meer dan daarin te lezen valt. Want daarin staat eenvoudigweg niet dat [betrokkene 1] ( [eiseres] ) de mededelingen van [verweerder 2] en [verweerder 3] over de betalingsonmacht van Charleston en henzelf (dus [verweerder 2] en [verweerder 3] ) niet geloofde en ervan uitging dat zij (dus Charleston c.s.) vermogen hadden ‘weggemoffeld’. [betrokkene 1] zegt ook daarin hooguit iets over [verweerder 2] , en waar het gaat om het “wegmoffelen” hooguit iets over (wetenschap bij [betrokkene 1] ) dat hij, [verweerder 2] , geld ‘wegmoffelde’ (“Hij”, dus [verweerder 2] , “kon gewoon nog op vakantie naar Las Vegas”; die “hij”, dus [verweerder 2] , komt nog tweemaal terug in het citaat). Charleston en [verweerder 3] komen daarin niet voor. Daarbij verdient nog opmerking dat blijkens het p-v hoger beroep [betrokkene 1] meteen daarna heeft opgemerkt dat “[d]e vaststellingsovereenkomst een jaar later was”, want ultimo 2014. Overigens: het hof rept in rov. 6.6 van “desgevraagd”, maar uit het p-v hoger beroep blijkt niet dat [betrokkene 1] hier een vraag beantwoordt, laat staan welke vraag, van wie en in welke context. Het arrest biedt die duidelijkheid evenmin.
Ik wijs ook nog op het volgende. Blijkens het p-v hoger beroep heeft, nadat [betrokkene 1] aldus had verklaard, de advocaat van [eiseres] (mr. Oerlemans) iets gezegd over die “email van [betrokkene 2]”. Vervolgens is de zitting bij het hof kort geschorst, en is na heropening ervan zonder vrucht gesproken over een regeling. Daarna kregen partijen gelegenheid voor een tweede termijn. Voor zover hier van belang is door de advocaat van Charleston c.s. (mr. Blaauw) een korte opmerking gemaakt over die “vakantie naar Las Vegas” en die “email van [betrokkene 2]”. Daarop is door die advocaat van [eiseres] nog opgemerkt, kort gezegd, dat [verweerder 2] meermaals heeft verklaard dat de lening kon worden terugbetaald, welke verklaring wordt bevestigd door die “email van [betrokkene 2]”. Uit het p-v hoger beroep blijkt derhalve niet dat Charleston c.s. een of meer van de verklaringen van [betrokkene 1] als vervat in het p-v hoger beroep, p. 6, eerste t/m derde gedachtestreepje, waaronder de onder 3.16.1 hiervoor bedoelde verklaring van [betrokkene 1] , vervolgens (mede) ten grondslag hebben gelegd aan hun verweer tegen de vorderingen van [eiseres] (ook niet op het punt van het causaal verband). Evenmin blijkt daaruit dat [eiseres] die verklaring van [betrokkene 1] (mede) ten grondslag heeft gelegd aan haar vorderingen, integendeel: het is evident dat [eiseres] tot het einde van de zitting bij het hof vasthield aan de van meet af aan ingezette lijn.
Gelet op dit een en ander is het - zacht gezegd - opmerkelijk dat het hof juist die verklaring van [betrokkene 1] , eerst gedaan aan het slot van de zitting bij het hof, (mede) ten grondslag legt aan diens oordeel over het causaal verband, in verband met grieven 9 en 10.
Ten vierde. Dit ‘ongeloof bij [betrokkene 1] ( [eiseres] )’-punt is het scharnier van ’s hofs oordeel over (het ontbreken van) het causaal verband. Op deze door het hof geïdentificeerde “omstandigheden” (rov. 6.7: “Onder deze omstandigheden”, etc.) valt het hof terug in rov. 6.7, onder meer met: “ [betrokkene 1] geloofde die mededelingen immers niet en liet zich er dus ook niet door leiden”, waarop het hof vervolgens voortbouwt in rov. 6.7. Hierop valt het hof ook terug in rov. 6.8, waar het verwijst naar “de in r.ov. 6.5 aangehaalde e-mail en de in r.ov. 6.6 en 6.7 aangehaalde bevestiging van [betrokkene 1] ter zitting”. Hierop valt het hof ook terug in rov. 6.9, waar het verwijst naar “het ongeloof” van [eiseres] .
Ten vijfde. In rov. 6.7 betrekt het hof het perspectief waarin “het hof, met [eiseres] en de rechtbank, er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat de mededelingen van [verweerder 2] en [verweerder 3] in 2012 onjuist waren”. De verwijzing naar 2012 springt in het oog, nu buiten kijf staat dat noch [eiseres] noch de rechtbank (in het tussenvonnis en het eindvonnis) het relevante tijdvak daartoe heeft beperkt: het gaat om de periode 2012-2014.
Dan het volgende.
In het procesdossier in feitelijke instanties ben ik niet tegengekomen dat door [eiseres] of Charleston c.s. (mede) ten grondslag is gelegd aan haar vorderingen respectievelijk hun verweer daartegen, ook niet in het kader van het causaal verband, dat [betrokkene 1] ( [eiseres] ) in 2012-2014 geen geloof hechtte aan voornoemde uitlatingen van Charleston c.s. en meende dat Charleston, of in ieder geval [verweerder 2] en [verweerder 3] als borgen, over voldoende vermogen beschikte(n). Zie onder 3.6-3.6.2 (eerste aanleg) en 3.8-3.8.5 (hoger beroep) hiervoor. Zoiets heeft de rechtbank daaruit ook niet opgemaakt blijkens het tussenvonnis en het eindvonnis (zie onder 3.7-3.7.3 hiervoor). Op de e-mail van [betrokkene 1] aan [verweerder 2] van 4 oktober 2012 (zie onder 1.1.(xv) hiervoor) ben ik al ingegaan onder 3.15-3.15.4 hiervoor. Op de in rov. 6.6 bedoelde (en in rov. 6.7 herhaalde) verklaring (“bevestiging”) van [betrokkene 1] ter zitting bij het hof ben ik al ingegaan onder 3.16-3.16.4 hiervoor.
Uit rov. 6.4 blijkt dat het hof als de bij grieven 9 en 10 van Charleston c.s. te beoordelen stellingname van [eiseres] beschouwt, ”kort samengevat”, dat [eiseres] :
“op basis van de (hierboven in r.ov. 3.1 samengevatte) in 2012-2014 gedane mededelingen van Charleston c.s. is bewogen tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. De door [verweerder 2] in de strafzaak afgelegde verklaringen (zie r.ov. 3.1. onder ii) en jj)) hebben [eiseres] evenwel tot het inzicht gebracht dat die mededelingen onjuist waren. Als zij dat indertijd al had geweten, dan was zij de vaststellingsovereenkomst niet aangegaan, aldus nog steeds [eiseres] (zie onder meer memorie van antwoord, nr. 61).”
Het hof werpt [eiseres] vervolgens tegen dat zij gelet op haar stelplicht (en bewijslast) inzake het causaal verband nader had moeten toelichten, specifiek aan de hand van de getuigenverklaringen van [verweerder 2] , waarom het toch zit zoals bedoeld met die stellingname van haar, dus anders dan volgt uit de in rov. 6.7 geschetste stand van zaken die het hof baseert op voornoemde “omstandigheden”. Nergens in het arrest zegt het hof dat [eiseres] een stelling als bedoeld onder 3.19.1 hiervoor (mede) ten grondslag heeft gelegd aan haar vorderingen, ook niet over de band van die e-mail van 4 oktober 2012 en/of die verklaring van [betrokkene 1] ter zitting bij het hof. Dit is ook alleszins begrijpelijk, gelet op 3.6-3.8.5, 3.15-3.16.4 en 3.19.1 hiervoor.
Blijft over de vraag wat het hof voor ogen heeft met de algemene verwijzing naar grieven 9 en 10 van Charleston c.s. (kort samengevat in rov. 5.2 en 6.3), en diens overweging dat “het causaal verband door Charleston c.s. gemotiveerd is betwist” (rov. 6.4). Meer precies: of het hof daaronder ook verstaat dat Charleston c.s. een stelling als bedoeld onder 3.19.1 hiervoor (mede) ten grondslag hebben gelegd aan hun verweer tegen het causaal verband en in verband met grieven 9 en 10, al dan niet met een beroep op die e-mail van 4 oktober 2012 en/of die verklaring van [betrokkene 1] ter zitting bij het hof. Het is duidelijk dat het hof nergens, ook niet in rov. 6.3-6.11, met zoveel woorden oordeelt dát, en in hoeverre, dit laatste zo is. Charleston c.s. wijzen daarop ook niet in cassatie. Daarin bevestigen zij juist bij herhaling, in lijn met mijn bevindingen onder 3.6-3.8.5, 3.15-3.16.4 en 3.19.1 hiervoor, dat zij zo’n stelling niet (mede) ten grondslag hebben gelegd aan dat verweer tegen het causaal verband. Zij brengen daarin immers naar voren dat “het Hof op andere gronden dan Charleston c.s. aangevoerd hebben, aangenomen heeft dat geen causaal verband aanwezig is”, dat “het Hof op andere gronden aangenomen heeft dat causaal verband ontbreekt dan Charleston c.s. betoogd hebben”, dat het “het Hof vrij [stond] op andere gronden dan Charleston c.s. in het kader van hun grieven gesteld hebben, te oordelen dat causaal verband ontbreekt”. Daarmee is het antwoord op voornoemde vraag evenwel nog niet gegeven.
Ik zie, in de kern, twee mogelijke antwoorden op die vraag.
(i) Ofwel het hof verstaat grieven 9 en 10 van Charleston c.s. en hun gemotiveerde betwisting van het door [eiseres] gestelde causaal verband wel zo, dat Charleston c.s. een stelling als bedoeld onder 3.19.1 hiervoor (mede) ten grondslag hebben gelegd aan hun verweer tegen het causaal verband en in verband met die grieven, al dan niet met een beroep op die e-mail van 4 oktober 2012 en/of die verklaring van [betrokkene 1] ter zitting bij het hof.
(ii) Ofwel het hof verstaat grieven 9 en 10 van Charleston c.s. en hun gemotiveerde betwisting van het door [eiseres] gestelde causaal verband niet zo, dat Charleston c.s. een stelling als bedoeld onder 3.19.1 hiervoor (mede) ten grondslag hebben gelegd aan hun verweer tegen het causaal verband en in verband met die grieven, al dan niet met een beroep op die e-mail van 4 oktober 2012 en/of die verklaring van [betrokkene 1] ter zitting bij het hof.
De opzet van rov. 6.3-6.11 wijst in de richting van (i). Uitgangspunt in hoger beroep is immers het door de rechtbank in het tussenvonnis en het eindvonnis aangenomen causaal verband, waarop het hof wijst in rov. 6.3, onder het opschrift “Causaal verband”. Daarin merkt het hof ook op dat grieven 9 en 10 van Charleston c.s. zich richten tegen dit oordeel van de rechtbank. Direct daarop volgt de verwijzing naar de stelplicht van [eiseres] wat betreft dit causaal verband, alsook haar bewijslast, “nu het causaal verband door Charleston c.s. gemotiveerd is betwist”, kennelijk eveneens met grieven 9 en 10. Uit het vervolg in rov. 6.4-6.11 - met als scharnier het ‘ongeloof bij [betrokkene 1] ( [eiseres] )’-punt - valt op te maken dat volgens het hof die grieven doel treffen, omdat deze ertoe leiden dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar stelplicht, zodat reeds daarom niet wordt toegekomen aan bewijslevering door [eiseres] ter zake en het causaal verband dan ook niet is komen vast te staan. Daarmee valt dan het doek voor [eiseres] : de andere 18 grieven van Charleston c.s. behoeven geen behandeling, het hof wijst de vorderingen van [eiseres] af.
Is deze lezing van het arrest - dus (i) - inderdaad de juiste, dan geeft het hof daarmee m.i. een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken in feitelijke instanties (inclusief het verhandelde ter zitting bij het hof), in het bijzonder aan hetgeen Charleston c.s. ten grondslag hebben gelegd aan hun verweer tegen het causaal verband en in verband met grieven 9 en 10. Want Charleston c.s. hebben zoiets dus niet betoogd in feitelijke instanties. Ik moge kortweg verwijzen naar 3.19.1 en 3.19.3 hiervoor. Zou toch (ii) de juiste lezing van het arrest zijn, dan speelt een ander probleem. In dat geval berust het bestreden oordeel immers op een met art. 24 lid 1 Rv strijdige aanvulling door het hof van de feitelijke grondslag van het verweer van Charleston c.s. tegen het causaal verband en in verband met grieven 9 en 10. Ook dan: Charleston c.s. hebben zoiets immers niet betoogd in feitelijke instanties. Overigens: het behoeft geen betoog dat het hier niet gaat om feiten of omstandigheden van algemene bekendheid dan wel een algemene ervaringsregel. Of het nu (i) of (ii) is: in elk scenario geldt, zo kan men met het onderdeel zeggen, dat het hof in het bestreden oordeel met het causaal verband ‘aan de haal is gegaan’.
Op dit punt aangenomen, wend ik de steven weer naar de subonderdelen 1.2-1.3.
Daarover kan ik nu beknopt zijn. Zij slagen m.i. Ik verwijs in het bijzonder naar 3.19.3-3.19.6 hiervoor. Kort en goed: het bestreden oordeel berust hetzij op een onbegrijpelijke uitleg door het hof van de gedingstukken, hetzij op een aanvulling door het hof van de feitelijke grondslag van het verweer van Charleston c.s. in strijd met art. 24 lid 1 Rv. Dit is al fataal voor het arrest.
Bij deze stand van zaken behoeven de overige subonderdelen van onderdeel 1 geen verdere bespreking.
Onderdeel 2 (“Voortbouwende beslissingen”)
Het onderdeel stelt dat indien een of meer van de klachten van onderdeel 1 gegrond bevonden worden, ook de voortbouwende beslissingen in rov. 6.12-6.13 en in het dictum van het arrest niet in stand kunnen blijven.
Behandeling
Gelet op het slagen van de subonderdelen 1.2-1.3, kunnen de door het onderdeel bestreden voortbouwende beslissingen van het hof evenmin in stand blijven. Het onderdeel treft dus doel. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Slotsom
Het cassatiemiddel van [eiseres] is derhalve terecht voorgesteld.
M.i. leent de zaak zich, ingeval van vernietiging van het arrest, voor verwijzing.
4 Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 augustus 2025, en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G