Civiel recht overig
A.d.h.v. PW 9536 uitgetypte tekst van de HR-conclusie in de civiele zaak met HR-zaaknummer 3315. De originele…
Parket bij de Hoge Raad, 2 januari 1903
ECLI:NL:PHR:1903:1 · Parket bij de Hoge Raad · 2 januari 1903
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-1903-1
Zaakgegevens
Op 2 januari 1903 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 januari 1903
- Datum publicatie
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- 3315
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1903:1
Samenvatting
A.d.h.v. PW 9536 uitgetypte tekst van de HR-conclusie in de civiele zaak met HR-zaaknummer 3315. De originele HR-conclusie is niet meer voorhanden.
Procesgang
Hoge Raad · 2 januari 1903
ECLI:NL:HR:1903:1Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 januari 1903deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1903:1
Conclusie
Conclusie van den advocaat-generaal Jhr. Mr. Rethaan Macare
Edele Hoog Achtbare Heeren!
Het lot van deze voorziening hangt af van het antwoord door U te geven op de vraag: of bij de toepassing van de bepalingen der wet van 13 Mei 1859, Stbl. nº. 36 op het recht van successie en van overgang bij overlijden, zooals die wet thans luidt, sedert de daarin laatstelijk bij de wet van 29 Januari 1898, Stbl. nº. 35 gebrachte wijzigingen art. 1129 B. W. eenigen invloed uitoefent?
Bij het beklaagde vonnis is die vraag in overeenstemming met de tegenwoordige meening van het Bestuur der Registratie ontkennend beantwoord, terwijl eischers in cassatie, zich beroepende op de vroegere meening van het Bestuur, van oordeel zijn, dat de vraag bevestigend moet worden beantwoord.
De gronden, die voor de eene en voor de andere meening kunnen worden bijgebracht, zijn uitvoerig uiteengezet, zoowel in de ter eerster instantie gewisselde memoriën, als bij de voor Uwen Raad gehouden pleidooien; ik kan daaraan niets nieuws toevoegen en meen daarom te kunnen volstaan met eene korte uitéénzetting der gronden, die mij er toe leiden, mij te vereenigen met de, naar ik meen, voor het eerst door den heer notaris [notaris] te Arnhem ontwikkelde, thans ook door het Bestuur der Registratie omhelsde en bij het aangevallen vonnis gehuldigde leer.
Die leer strookt ook m.i. geheel met den geest en bedoeling der wet.
Artikel 1 der Successiewet bepaalt, dat er onder den naam van recht van overgang eene belasting wordt geheven o. a. van de waarde van alle onroerende zaken binnen het Rijk in Europa gelegen of gevestigd, in vruchtgebruik of eigendom geërfd of verkregen wordende door het overlijden van iemand, die geen ingezetene is van het Rijk.
Ik kan in die bepaling, waarmede we in casu speciaal te doen hebben, niet anders zien, dan een gebod, dat er belasting zal worden geheven van de waarde van alle binnen het Rijk gelegen onroerende goederen, die tengevolge van overlijden van een niet ingezetene overgaan in eens anders bezit.
Krachtens den bij ons in art. 880 B. W. nedergelegden rechtsregel "le mort saisit le vif" heeft die overgang onmiddellijk en van rechtswege bij het overlijden plaats.
Hetgeen vroeger tot het bezit behoorde van den erflater gaat dus dadelijk bij diens overlijden over op zijn erfgenamen; is er slechts één universeele erfgenaam, dan dadelijk voor het geheel, zijn er daarentegen meerdere erfgenamen dan op deze te zamen en voorloopig "pro indiviso".
Op dien overgang van rechtswege drukt de belasting.
Waaruit volgt, dat de belasting ex articulo 1, 2° verschuldigd is, zoodra bij overlijden onroerende goederen, zooals in het artikel bedoeld, hetzij pro toto, hetzij pro indiviso van eigenaar of bezitter wisselen.
Met deze voor de hand liggende opvatting, waarbij de belastingschuld ontstaat tegelijk en met den overgang van rechtswege, strooken nu m. i. de overige bepalingen der Successiewet ten volle.
Zoo spreekt art. 3 van het recht verschuldigd door en bij het overlijden van den erflater.
Evenzoo kan ik de artt. 10 en vlg., waarbij de verplichting tot het doen van aangifte wordt geregeld, in geen anderen zin verstaan, dan dat daarbij de verplichting tot het doen van aangifte wordt opgelegd aan allen, aan wie door het overlijden de erfenis is opgekomen, op wie alzoo het bezit is overgegaan, onverschillig of zij die erfenis zuiver of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden, of wel die zelfs later mochten verwerpen.
Geheel in overeenstemming daarmede begint de termijn tot het doen van aangifte te loopen van den dag van overlijden en wordt krachtens de artt. 23 en 25 de belasting geheven naar de waarde, die de onroerende goederen ten dage van het overlijden d. i. ten dage van den overgang hadden.
Uit dit alles en nog uit meerdere andere in de wet voorkomende bepalingen is het voor mij duidelijk, dat de wetgever met belasting heeft willen treffen den overgang van rechtswege, die op het oogenblik van overlijden plaats heeft.
Waaruit volgt, dat indien op het oogenblik van overlijden onroerende goederen hetzij pro toto hetzij pro indiviso in het bezit van den erflater waren, die alzoo op zijn erfgenamen overgingen, het van stonde aan zeker is, dat daarvan recht van overgang te betalen zal zijn, al moge het dan nog volkomen onzeker zijn, wie dat recht te betalen zullen hebben.
Is er slechts één universeel erfgenaam, dan bestaat die onzekerheid natuurlijk niet, ze rijst echter, zoodra er meerdere erfgenamen zijn, dan is wel is waar dadelijk zeker wat overgaat, doch vooralsnog onzeker aan wie overgaat.
In zoodanig geval ontstaat er uit den aard der zaak een tusschentoestand, waarin de nalatenschap het gemeen, doch onverdeeld eigendom der erfgenamen is.
Aan dien tusschentoestand maakt de scheiding een einde, welke scheiding echter geen de minste verandering kan brengen in den overgang van goed, die bij en door het overlijden van rechtswege heeft plaats gehad.
Wel verre, dat deze opvatting zou strijden met de bepaling van art. 1129 B. W. strookt zij m. i. daarmede in allen deele.
Immers ligt juist in de bepaling van art. 1129 B. W., dat de erfgenaam geacht wordt onmiddellijk te zijn opgevolgd in de hem toebedeelde of in de door hem ter gelegenheid van de boedelscheiding gekochte goederen, de erkentenis opgesloten, dat re vera die toebedeelde of gekochte goederen gedurende den tijd, liggende tusschen het overlijden en de boedelscheiding, het eigendom zijn geweest van de gezamenlijke erfgenamen.
Waar de nalatenschap aan eene pluraliteit van erfgenamen ten deel valt erkent het Burgerlijk Wetboek dus twee van elkander gemakkelijk te onderscheiden momenten:
1º. dat waarop de goederen, die te zamen de nalatenschap uitmaken van rechtswege uit het bezit van den overledene overgaan op diens erfgenamen;
en 2°. dat waarop het gemeen bezit der erfgenamen plaats maakt voor het individueel bezit door ieder der erfgenamen van het hem toebedeelde deel.
Met het laatstgenoemde moment houdt de successiewet zich niet op, omdat aan haar het beginsel ten grondslag ligt dat de belastingschuld in het eerste moment tegelijk bij het overlijden ontstaat en op de gezamenlijke erfgenamen ieder voor zijn evenredig deel rust, onverschillig hoe de erfgenamen de nalatenschap later verdeelen en welk deel ieder hunner ten slotte mocht verkrijgen.
Voor toepassing van art. 1129 B. W. bij de heffing van het recht van overgang is bij die opvatting geen plaats, ook niet, wanneer, gelijk in het onderhavige geval, tot de door den erflater nagelaten goederen een onverdeeld gedeelte in een gemeenschap behoorde; geen scheiding kan immers het feit ongedaan maken, dat op het oogenblik, waarop de doode de levenden greep er een nog onverdeeld recht overging en de waarde van dat onverdeelde recht op datzelfde oogenblik door de belasting werd getroffen.
En alleen met dat feit houdt de successiewet rekening, terwijl het voor haar toepassing volkomen onverschillig is, hoe de nalatenschap ten slotte onder de erven verdeeld wordt.
Met art. 1129 B. W. had en heeft de wet op het recht van successie en van overgang bij overlijden dus niet te maken.
Op deze gronden acht ik het aangevallen vonnis juist gewezen en het daartegen aangevoerde middel ongegrond, immers is geen der bij het middel genoemde artikelen bij het vonnis geschonden of verkeerd toegepast.
Mitsdien strekt mijne conclusie tot verwerping der voorziening c. e.