Civiel recht overig
Vermogensrecht. Loterijwet 1905. Verboden loterij. Berust vordering tot uitkering van geldprijs op…
ECLI:NL:PHR:1918:2 · Parket bij de Hoge Raad · 15 februari 1918
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-1918-2
Zaakgegevens
Op 15 februari 1918 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 februari 1918
- Datum publicatie
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- 4780
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:1918:2
Samenvatting
Vermogensrecht. Loterijwet 1905. Verboden loterij. Berust vordering tot uitkering van geldprijs op overeenkomst met ongeoorloofde oorzaak?
A.d.h.v. NJ 1918, p. 389 e.v. uitgetypte tekst van de HR-conclusie in de civiele zaak met HR- zaaknummer 4780. De originele HR-conclusie is niet meer voorhanden.
Procesgang
Hoge Raad · 15 februari 1918
ECLI:NL:HR:1918:112Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 15 februari 1918deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:1918:2
Conclusie
Conclusie van den Advocaat-Generaal Mr. Ledeboer.
Als cassatiemiddel is voorgesteld:
„Schending althans verkeerde toepassing van de artt. 14 A. B., 1356 4°, 1371 en 1373 B. W., in verband met artt. 1, 2, 3, 4 en 5 der Loterijwet 1905, doordat het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 5 November 1917, bevestigend het vonnis der Rechtbank aldaar van 12 Juni 1917 heeft verklaard, dat de oorzaak der tusschen partijen te dezer zake bestaande overeenkomst was ongeoorloofd, doende hierbij het Hof ten onrechte een beroep op de Loterijwet 1905 waar immers niet het koopen van een aandeel in een loterij volgens die wet is verboden, terwijl voorts de strekking der Loterijwet geene andere is geweest dan bepaalde regelen te geven ten aanzien van het aanleggen en daaruit voortvloeiend deelnemen in loterijen onder het toezicht der overheid (zie arrest H.R. 22 December 1916 W. 10066), (N. J. 1917 blz. 87, Red.), zonder dat evenwel deze wet iets beslist omtrent de rechtsgeldigheid van overeenkomsten van loterijen die reeds bestonden of na 1905 tot stand zouden komen, blijkende bovendien het beperkend karakter der Loterijwet 1905 uit het feit, dat alleen slechts straf wordt bedreigd tegen degenen die tot zoodanige deelneming aan loterijen de gelegenheid geven, door de verboden loterij aan te leggen, te houden of tot exploitatie daarvan mede te werken, in een der vormen omschreven in art. 2 der wet, terwijl het eveneens niet te verklaren zou zijn, dat in een nieuwe wet, die bestemd zou zijn de loterijen af te schaffen en de overeenkomsten daaruit van nul en geener waarde te verklaren, dit niet in een der eerste artikelen duidelijk en met zooveel woorden zou worden vooropgesteld."
Bij het bestreden arrest, in verband met het vonnis in eersten aanleg, is terecht vastgesteld dat de tusschen partijen in Augustus 1910 plaats gehad hebbende transactie was, van de zijde van partij [eischeres] het koopen en van de zijde van Lotisico, het verkoopen van een aandeel, in eene door Lotisico, niet vóór 1 Juli 1905 aangelegde en gehouden loterij, tot welker aanleggen en houden de vereischte vergunning niet was verleend.
Het Hof heeft de oorzaak van de overeenkomst ongeoorloofd geoordeeld op grond dat het verkoopen van een aandeel in zoodanige loterij bij de wet is verboden en strafbaar gesteld, verbod gericht tegen eene handeling die daarbij geijkt werd te strijden tegen de goede zeden.
Nu wordt wel bij het middel met juistheid gezegd, dat niet het koopen van een aandeel in eene loterij is verboden, doch terecht werd er in het arrest reeds op gewezen, dat het koopen niet kan geschieden zonder, of gescheiden worden van het verkoopen van de loterijkans, wat juist bij de wet is verboden, zoodat het bij de hier getroffen wederkeerige overeenkomst niet afdoet, dat het koopen op zich zelf van de loterijkans, niet uitdrukkelijk bij de wet verboden was. En wel verre van alleen eenige regelen te willen geven ten aanzien van het aanleggen en exploiteeren van loterijen, heeft de Loterijwet 1905, uitdrukkelijk het aanleggen, houden enz. van elke loterij met geldprijzen of premiën - en van eene zoodanige is hier sprake, - absoluut verboden, waardoor de rechtsgeldigheid van overeenkomsten betreffende zulke loterijen, welke na 1 Juli 1905, datum van in werking treden der Loterijwet, zijn tot stand gekomen, uit ter aard worden beïnvloed. Op welke wijze zich die invloed zou doen gelden, welke in die richting de gevolgen zouden zijn van het deelnemen in eene verboden loterij, behoefde, voorzoover men niet van het geldend recht wilde afwijken, geene bijzondere vermelding in de Loterijwet of elders. De bestaande wetsbepalingen en de daaruit voortvloeiende leidende rechtsbeginselen waren van zelf in dat opzicht beslissend. Met de daaruit door het Hof met de Rechtbank voor dit geval gemaakte gevolgtrekking, kan ik mij op de bij de uitspraken aangevoerde gronden geheel vereenigen, het middel komt mij mitsdien ongegrond voor.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep en veroordeeling van partij [eischeres] in de kosten van cassatie.