Civiel recht overig

Beschikking waarin de Nederlandse Volks-Unie als een verboden vereniging werd aangemerkt, maar een vordering…

Parket bij de Hoge Raad, 9 maart 1979

Zaakgegevens

Op 9 maart 1979 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
9 maart 1979
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
5149
ECLI
ECLI:NL:PHR:1979:AC0769
E-mail

Samenvatting

Beschikking waarin de Nederlandse Volks-Unie als een verboden vereniging werd aangemerkt, maar een vordering van de Officier van Justitie tot ontbinding van de NVU nochtans werd afgewezen. Vraag of het Hof de NVU terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar hoger beroep tegen deze beschikking.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 9 maart 1979

    ECLI:NL:HR:1979:AC0769
  2. Conclusie A-G · 9 maart 1979deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:1979:AC0769

Conclusie

Nr. 5149/1349 request.

Mr. Remmelink.

Conclusie inzake:

De Nederlandse Volks-Unie.

Edelhoogachtbare Heren,

In deze zaak is, voorzover ik zie, het volgende aan de hand: De Officier van Justitie heeft een vordering bij de Rechtbank ingediend strekkende tot ontbinding van de N.V.U. Vgl. art. 16 B.W. II. De Rechtbank wees deze vordering af, waarbij zij overwoog dat de N.V.U. zo nauw verbonden was met een Stichting, dat ontbinding van alleen de N.V.U. h.i. niet goed mogelijk was enz. Zie N.J. 1978, no. 281, met noot van Wachter. De Rechtbank heeft echter wel vastgesteld (overwogen) op grond van tal van facta en gesta dat het hier een verboden vereniging betrof als bedoeld in art. 15 B.W. II. De N.V.U. heeft zich tegen de beschikking voorzien van hoger beroep vorderende, voorzoveel hier van belang, dat het Hof het vonnis van de Rechtbank zou vernietigen, de eis van het O.M. zou afwijzen en in de motivering de N.V.U. niet als een verboden vereniging zou aanmerken. Het Hof heeft de N.V.U. evenwel in zijn beroep niet ontvangen, stellende, dat het appel zich niet richt tegen de afwijzing van de vordering van de Officier, of van de grond, waarop deze afwijzende beslissing berust, maar tegen de overwegingen op grond waarvan de Rechtbank de N.V.U. als een verboden vereniging aanmerkte. Tegen deze beschikking is de N.V.U. in cassatie gegaan, stellende, dat het haar belang was, dat bij behoud van het dictum zekere, haar bindende, uitspraken uit de overwegingen van de beschikking van de Rechtbank zouden verdwijnen, nl. die betrekking hebben op het verboden zijn van haar als vereniging.

Het komt mij voor, dat het middel faalt. Nu het hier niet ging om een werkelijk bindende vaststelling door de Rechtbank, maar slechts om een ‘’uitspraak’’ waaraan evenmin administratiefrechtelijke of strafrechtelijke consequenties zijn verbonden (zo zal de strafrechter, indien het bestuur van de N.V.U. ex art. 140 Sr. vervolgd zou worden, geenszins aan deze judiciele constatering nopens het ‘’verboden’’ zijn van de vereniging gebonden zijn), hoefde het Hof niet te voldoen aan het verzoek van de N.V.U. de betrokken overwegingen uit de beschikking te schrappen. Vgl. Hof 's-Hertogenbosch 24 mei 1927, W. 11730 en Centrale Grondkamer 1 maart 1948, N.J. 1948, no. 691. Ook Cleveringa, I, p. 841 rept over ‘’bindende uitspraken uit de overwegingen’’.

Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.

Parket, 19 december 1978.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,