Civiel recht overig

Krankzinnigenwet. Machtiging van kantonrechter tot voorlopige plaatsing in psychiatrisch ziekenhuis…

Parket bij de Hoge Raad, 25 november 1988

Zaakgegevens

Op 25 november 1988 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 november 1988
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
7483
ECLI
ECLI:NL:PHR:1988:AD0526
E-mail

Samenvatting

Krankzinnigenwet. Machtiging van kantonrechter tot voorlopige plaatsing in psychiatrisch ziekenhuis. Cassatieklacht die niet valt te brengen onder een der gronden omschreven in art. 100 lid 1 onder 1e, 3e en 4e Wet RO.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 25 november 1988

    ECLI:NL:HR:1988:AD0526
  2. Conclusie A-G · 25 november 1988deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:1988:AD0526

Conclusie

HV.

Nr. 7483 Rekest

Krankzinnigenwet

parket, 7 oktober 1988

Mr. ten Kate

Conclusie inzake:

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie.

Edelhoogachtbaar College,

1. In onderdeel 1 van het cassatiemiddel wordt uitgegaan van de datum 16 augustus 1988. Naar ik aanneem, wordt daarmee gedoeld op de datum waarop het verhoor van betrokkene door de Kantonrechter plaats vond, nu in de aanhef van het verzoekschrift onder (1) deze datum als de datum van behandeling, waarvan proces-verbaal, wordt genoemd. Blijkens dat proces-verbaal vond evenwel de behandeling op 17 augustus 1988 plaats, zodat ik het onderdeel als in die zin verbeterd zal lezen.

2. Uit voormeld proces-verbaal blijkt, dat tussen de aldaar genoemden is afgesproken een poging te ondernemen betrokkene geplaatst te krijgen in St. Willibrordus te Heiloo.

3. Uit de tijdig in cassatie bestreden beschikking van 24 augustus 1988 van de Kantonrechter te Amsterdam blijkt hetgeen ten vervolge op deze afspraak is geschied.

4. Kennelijk heeft bij die gelegenheid de vader van betrokkene aan de Kantonrechter de daar vermelde gegevens verschaft, zoals de Kantonrechter in zijn overweging met "nadien" tot uitdrukking brengt.

5. Het enkele feit dat hiervan niet uit andere stukken blijkt, maakt deze feitelijke vaststelling niet onbegrijpelijk.

6. De hiertoe beperkte klacht in onderdeel 1 mist derhalve doel.

7. Nu de Kantonrechter heeft overwogen - en daarmee aannemelijk geacht -, dat naar mededelingen van de vader betrokkene "thuis niet meer is te handhaven en ook met een mes in de hand heeft gedreigd suïcide te plegen en voorts hem, [betrokkene 1], heeft gedreigd met een vaas", heeft de Kantonrechter voldoende duidelijk aangegeven, waarin hij het voor het kunnen nemen van een maatregel als de onderhavige vereiste gevaar in dit geval bij betrokkene aanwezig heeft geacht.

8. Onderdeel 2 stuit daarop af.

9. De enkele omstandigheid dat de raadsvrouwe de situatie anders beoordeelde, doet niet af aan dit op feitelijke waardering berustende oordeel van de Kantonrechter die daarmee de raadsvrouwe duidelijk niet volgde.

De conclusie strekt tot verwerping van het verzoek tot cassatie.

Parket, 7 oktober 1988

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,