Civiel recht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Civiel recht overig
Parket bij de Hoge Raad, 9 juni 2000
ECLI:NL:PHR:2000:AA6161 · Parket bij de Hoge Raad · 9 juni 2000
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2000-aa6161
Zaakgegevens
Op 9 juni 2000 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 juni 2000
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C98/288HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2000:AA6161
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 9 juni 2000
ECLI:NL:HR:2000:AA6161Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 juni 2000deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2000:AA6161
Conclusie
Mr. Hartkamp
Conclusie inzake
nr. C98/288 HR [Eiseres] Sneek B.V.
zitting 17 maart 2000 Tegen
Het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Werkvoorzieningschap Binnen-hof
Edelhoogachtbaar College,
Onderdeel I van het tijdig voorgestelde, uit twee on-derdelen bestaande cassatiemiddel klaagt in zijn drie sub-onderdelen over r.o. 8 van het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 mei 1998, waarin het hof het be-wijsaanbod van [eiser] als niet terzake dienend resp. onvoldoende gespecificeerd heeft gepasseerd. Ik meen dat deze klacht faalt. Het hof heeft blijkens zijn r.o. 4 en 5 de door [eiser] geproduceerde stukken en argu-menten voor het bestaan van de gestelde overeenkomst kenne-lijk aangemerkt als volstrekt gespeend van realiteitsgehal-te (vgl. in iets ander verband A-G Koopmans voor HR 8 juli 1992, NJ 1992, 713) of, anders gezegd, als loze beweringen, zodat zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht en het bewijsaanbod niet terzake dienend is. M.i. geeft die over-weging niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is zij geenszins onbegrijpelijk.
Dat ook de motiveringsklachten van onderdeel II falen behoeft m.i. geen toelichting.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(Advocaat-Generaal)