Civiel recht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Civiel recht overig

Parket bij de Hoge Raad, 23 februari 2001

Zaakgegevens

Op 23 februari 2001 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23 februari 2001
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
C99/277HR
ECLI
ECLI:NL:PHR:2001:AB0200
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 23 februari 2001

    ECLI:NL:HR:2001:AB0200
  2. Conclusie A-G · 23 februari 2001deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2001:AB0200

Conclusie

Nr. C 99/277 HR Mr. Mok

Zitting 1 december 1999 Conclusie inzake

A.M. BORSTEN

tegen

DE STAAT (Ministerie van

Justitie)

Edelhoogachtbaar college,

Het (tijdig ingestelde) beroep in cassatie is gericht tegen een in

kort geding gewezen arrest van het gerechtshof te Amsterdam. In dat

arrest heeft het hof geoordeeld dat de president van de rechtbank

(eveneens te Amsterdam) op goede gronden heeft overwogen dat art.

429sexies W.v.S. ook van toepassing is op een gebouw dat geen

woonfunctie heeft.

Het beroep steunt op een middel dat inhoudt dat het hof zulks

ten onrechte heeft overwogen, zonder aan te geven waarm dit ten

onrechte zou zijn. Aldus voldoet het middel niet aan de in art.

407, lid 2, Rv besloten eisen, zodat eiser van cassatie niet in

zijn beroep kan worden ontvangen<(1). Aldus ook de landsadvocaat (s.t. sub 5, p. 3).

> . Dat de schriftelijke toelichting

en de conclusie van repliek in cassatie van eisers advocaat wel

gronden vermelden ter staving van de klacht, maakt dit niet anders.

In het cassatiemiddel zelf moet te lezen zijn wat de eiser de

rechter a quo verwijt<(2). Vgl. HR 19 februari 1999, NJ 1999, 428 en HR 22 september 2000, NJ 2000, 632..

> .

De Staat heeft te kennen gegeven het op prijs te stellen als de

Hoge Raad toch (obiter dictum) een uitspraak wil doen over de

uitleg van art. 429sexies W.v.S., omdat zulks een einde aan

onzekerheid daarover zou maken. Ik voel daarvoor echter niet. Ten

eerste zou zodoende het stelsel van art. 407 Rv uitgehold zou

worden. Ten tweede ligt het beantwoorden van die interpretatievraag

primair op de weg van de strafrechter, zodat het niet voor de hand

ligt zulks obiter dictum in een civiele zaak te doen.

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn

beroep en tot veroordeling van eiser in de kosten.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.