Civiel recht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Civiel recht overig

Parket bij de Hoge Raad, 20 april 2001

Zaakgegevens

Op 20 april 2001 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20 april 2001
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
R00/161HR en R00/162HR
ECLI
ECLI:NL:PHR:2001:AB1209
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 20 april 2001

    ECLI:NL:HR:2001:AB1209
  2. Conclusie A-G · 20 april 2001deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2001:AB1209

Conclusie

Nr. R 00/161 en 00/162 HR Mr. Mok

(rechtsweigering) Conclusie inzake de verzoeken van

Parket, 2 februari 2001 F. REISS

Edelhoogachtbaar college,

1. Korte beschrijving van de zaak

1.1. Reiss, verzoeker, heeft op 5 december 2000 een tweetal

verzoekschriften ingediend, die verwijzen naar art. 844 e.v.

Rv.

Deze hebben betrekking op rechtsweigering door de Centrale

Raad van Beroep (CRB), subsidiair de president van dat college

en meer subsidiair een met name genoemd lid van dat college.

De verzoekschriften zijn ondertekend door verzoeker en door

een procureur (art. 847, lid 2, Rv). De desbetreffende

procureur is advocaat bij de Hoge Raad.

1.2. Op 28 december 2000 heeft verzoeker opnieuw een tweetal

verzoekschriften ingediend. Dit zijn verbeterde versies van de

op 5 december 2000 ingediende verzoekschriften.

Ik beschouw de op 5 december 2000 ingediende verzoekschriften

als ingetrokken en zal verder uitgaan van de op 28 december

2000 ingediende verzoekschriften<(1). De art. 844 e.v. Rv kennen geen termijn waarbinnen het verzoek moet zijn ingediend.

>.

1.3. Verzoeker heeft de Hoge Raad bij brief van 22 december

2000<(2). ingekomen op 28 december 2000.

> gevraagd de voeging van de verzoekschriften te bevelen.

De algemene regels voor verzoekschriftprocedures (dus ook die

inzake voeging) zijn, tenzij daarvan - quod non -

uitdrukkelijk is afgeweken, op een verzoek op grond van de

art. 844 e.v. Rv. van toepassing<(3). HR 21 oktober 1929, NJ 1929, p. 1681-1868.

>.

Verzoeker heeft slechts één procesdossier in beide zaken

overgelegd; de verzoekschriften zijn beide gericht tegen

(dezelfde leden van) de CRB. Ik zal de zaken derhalve gevoegd

behandelen (art. 429m, lid 2, Rv.).

1.4. Verzoeker heeft op 22 augustus 1991 aan b. & w. van de

gemeente Rijnwaarden een uitkering krachtens de

Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) aangevraagd. B.

& w. hebben die aanvraag op 8 oktober 1991 afgewezen. Het be

zwaar dat verzoeker daartegen heeft gemaakt is ongegrond

verklaard.

Zijn beroep bij de Commissie Sociale Zekerheidsgeschillen

(provincie Gelderland) is op 26 mei 1992 eveneens ongegrond

verklaard.

1.5. Vervolgens is verzoeker in beroep gekomen bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Die Afdeling heeft het besluit van de commissie op 22 juli

1994 vernietigd.

1.6. De genoemde Commissie heeft op 1 maart 1995 een nieuw

besluit genomen.

<

-? -

>

Dat besluit had betrekking op de periode 22 augustus 1991 tot

13 april 1994 en bepaalde onder meer dat over de periode 22

augustus 1991 tot 29 november 1991 aan verzoeker een gekorte

RWW-uitkering werd verleend.

1.7. Verzoeker is op 20 maart 1995 van dit besluit in beroep

gekomen bij de CRB.

De CRB heeft het besluit op 13 juni 1995 vernietigd, daartoe

overwegende dat de Commissie "uitsluitend een oordeel diende

te geven omtrent het recht op bijstand naar aanleiding van de

aanvraag van 22 augustus 1991", zodat zij - behoudens wat

betreft de periode 22 augustus 1991 tot 29 november 1991 -

buiten de grondslag van het beroep was getreden.

Voor de periode 22 augustus 1991 tot 29 november 1991 heeft de

CRB het besluit vernietigd omdat dit onvoldoende was

gemotiveerd.

1.8. De Commissie heeft op 21 september 1995 een nieuw besluit

genomen. Zij bepaalde dat verzoeker over de periode 22

augustus 1991 tot 29 november 1991 tijdelijk van het recht op

uitkering werd uitgesloten.

De president van de CRB heeft dit besluit op 21 december 1995

vernietigd en bepaald dat aan "verzoeker een ongekorte

uitkering ingevolge de RWW" moest worden verleend, onder verre

kening van reeds betaalde voorschotten.

1.9. Uit (o.m.) de brief die verzoeker op 27 december 1995 aan

het college van b & w van Rijnwaarden heeft gezonden, volgt

dat hij uit de uitspraak van de president heeft begrepen dat

hij recht had op een ongekorte RWW-uitkering over de periode

22 augustus 1991-13 april 1994.

Op 1 maart 1996 heeft genoemd college van b & w naar

aanleiding van de uitspraak van de president van 21 december

1995 een nieuw besluit genomen. Dat besluit hield in dat

verzoeker vanaf 22 augustus 1991 tot 9 april 1992 alsnog een

ongekorte uitkering werd toegekend, dat zijn uitkering vanaf 9

april 1992 tot en met 17 augustus 1992 werd gekort en dat de

uitkering vanaf 18 augustus 1992 werd beëindigd.

1.10. Tegen dat laatste besluit heeft verzoeker op 11

maart 1996 bezwaar gemaakt. Hij heeft dit bezwaarschrift

evenwel op 21 april 1996 ingetrokken<(4). Dit blijkt uit de uitspraak van de president van de CRB van 12 februari 1998. Het besluit

van 1 maart 1996 heeft daardoor formele rechtskracht gekregen.

>.

2. Verdere gang van zaken

2.1. Verzoeker heeft zich vervolgens meermalen schriftelijk

gewend tot de CRB.

Hij wenste dat aan het college van b & w van Rijnwaarden een

dwangsom werd opgelegd en dat het college werd veroordeeld het

bedrag te betalen waarop hij meende recht te hebben.

2.2. Naar aanleiding van een klacht van verzoeker, inhoudend

dat de CRB niet adequaat gereageerd zou hebben, heeft de

president van dat college verzoeker op 7 oktober 1996 bericht

dat de CRB uitsluitend uitspraak heeft gedaan over de periode

22 augustus 1991 tot en met 29 november 1991 zodat "alleen

reeds daarom dezerzijds niet enige maatregel als door u

voorgestaan kan worden getroffen".

2.3. Verzoeker heeft zich daarop onder meer gewend tot de

rechtbank te Arnhem en de president daarvan. Aldaar zijn de

door verzoeker gewenste maatregelen aan de orde geweest.

De president heeft op 1 juli 1997 een verzoek om toepassing

van art. 8:81 Awb afgewezen. De rechtbank heeft verzoeker

niet-ontvankelijk verklaard<(5). Uitspraak van 24 oktober 1997.

>.

2.4. Verzoeker heeft tegen deze laatste uitspraak hoger beroep

ingesteld bij de CRB.

Bij brief van 25 november 1997 heeft hij verzocht om een

voorlopige voorziening op de voet van art. 8:81 Awb.

2.5. De president van de CRB heeft het verzoek om toepassing

van art. 8:81 Awb op 12 februari 1998 afgewezen.

De CRB heeft de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 1997

op 23 juni 1998 bevestigd.

3. Beroep op Hoge Raad

3.1. Verzoeker heeft zich vervolgens tot de Hoge Raad gewend.

3.2.1. In de zaak onder nr. R OO/161 HR heeft hij

gesteld dat de CRB de oplegging van een dwangsom weigert.

De CRB zou aldus niet hebben voldaan aan de schriftelijke

verzoeken van 29 januari 1996, 14 februari 1996, 21 februari

1996, 10 maart 1996, 15 juli 1996, 1 augustus 1996, 7 november

1997, 25 november 1997, 6 maart 1998 en het mondeling verzoek

van 12 mei 1998, welke verzoeker tot de CRB heeft gericht.

3.2.2. In de zaak met nr. R 00/162 HR betoogt

verzoeker dat de CRB heeft geweigerd tijdig en volledig te

beslissen op zijn verzoekschriften van 20 maart 1995, 2

oktober 1995, 15 juli 1996, 1 augustus 1996, 7 november 1997

(aanvulling 6 maart 1998) en 25 november 1997 en aldus heeft

geweigerd te bepalen dat verzoeker recht heeft op een

ongekorte RWW-uitkering over de periode 22 augustus 1991 tot

13 april 1994.

3.3. Verzoeker gaat ervan uit dat, nu het bestuursrecht geen

procedure ter zake van rechtsweigering kent, de art. 844 e.v.

Rv. op de CRB analoog moeten worden toegepast.

3.4. De Hoge Raad heeft geoordeeld<(6). 4 april 1997, NJ 1997, 403 .

> dat de gevallen waarin de

Hoge Raad bevoegd is kennis te nemen van een rechtsvordering

uit hoofde van rechtsweigering, bij uitsluiting zijn geregeld

in art. 846, lid 2, Rv.

Laatstgenoemde wetsbepaling noemt de (leden van de) CRB niet.

Dat betekent dat de Hoge Raad in principe niet bevoegd is van

de verzoeken van verzoeker kennis te nemen.

3.5. De vraag rijst of er - zoals verzoeker wil - grond

bestaat de art. 844 e.v. Rv. in dit geval analogisch toe te

passen.

3.6. De artt. 844 e.v. Rv. zijn een nadere uitwerking van het

bepaalde in art. 13 van de Wet AB<(7). Wet van 15 mei 1829, Stb. 28, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het

Koninkrijk.. Zie ook de artt. 112 en 113 Gw. en art. 6 EVRM.

>. De Wet AB bevat algemene

beginselen, maar schept, anders dan verzoeker kennelijk meent,

geen bevoegdheid.

Deze bevoegdheid kan evenmin worden afgeleid uit het gegeven

dat de wet voor bepaalde gevallen regelt (verzoeker noemt

onder meer art. 139a Abw) dat de regels die van toepassing

zijn op een gerechtshof van overeenkomstige toepassing zijn op

de CRB.

Integendeel, de omstandigheid dat de wetgever een zodanige

regeling niet heeft getroffen ter zake van rechtsweigering

pleit er juist tegen aan te nemen dat de wetgever een zodanige

overeenkomstige toepassing op de CRB heeft gewild.

3.7. Het voorgaande betekent niet dat een rechtzoekende

ingeval van rechtsweigering van (leden van) de CRB in het

geheel geen middelen ten dienste staan.

Op grond van art. 9 van de Beroepswet zijn de art. 11 tot en

met 14e Wet RO van toepassing. Daaruit vloeit voort dat de

president van de CRB een lid van zijn college bij het

uitblijven van een uitspraak "de nodige waarschuwing te doen"

(art. 14, lid 1, Wet RO).

Voorts zal een rechtzoekende onder omstandigheden de Staat

kunnen aanspreken tot schadevergoeding<(8). Vgl. m.v.t. bij het wetsvoorstel tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke

zaken, kamerst. [II 1999-2000], 26 855 p. 56.

>.

3.8. Ik zie dan ook geen reden om de artt. 844 tot en met 852

Rv., die blijkens het in noot 8 genoemde wetsvoorstel binnen

afzienbare tijd moeten komen te vervallen<(9). Zie vorige noot, art. 1.3.8 en de toelichting daarop, m.v.t., p. 56.

>, in de onderhavige

zaak van overeenkomstige toepassing te verklaren.

3.9. Gezien het voorgaande, ben ik van mening dat de Hoge Raad

zich op de voet van art. 429e Rv. onbevoegd zal dienen te

verklaren op de hier aan de orde zijnde verzoekschriften

uitspraak te doen.

3.10. Ten overvloede merk ik nog op dat er, gezien de

in § 2.3. beschreven gang van zaken, geen sprake is van

rechtsweigering in de zin van de art. 844 e.v. Rv.

4. Conclusie

Ik concludeer dat de Hoge Raad zich onbevoegd zal verklaren

van de verzoeken kennis te nemen.

De procureur-

generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv.