Civiel recht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Civiel recht overig
Parket bij de Hoge Raad, 16 november 2001
ECLI:NL:PHR:2001:AD3947 · Parket bij de Hoge Raad · 16 november 2001
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2001-ad3947
Zaakgegevens
Op 16 november 2001 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 november 2001
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C00/029HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2001:AD3947
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 16 november 2001
ECLI:NL:HR:2001:AD3947Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 november 2001deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2001:AD3947
Conclusie
Mr. A.S.Hartkamp
Nr. C00/029 HR
Zitting 7 september 2001
Conclusie inzake
Wijco Nederland B.V.
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
Voor de feiten zij verwezen naar het vonnis van de kantonrechter te Deventer, die, na te hebben geconstateerd dat er geen dringende reden voor het door Wijco Nederland B.V. verleende ontslag was, de loonvordering van [verweerster] heeft toegewezen, welk vonnis door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle is bekrachtigd.
Alle klachten van het tijdig voorgestelde cassatiemiddel falen naar mijn mening. De onderdelen 1a en 1b missen feitelijke grondslag. Onderdeel 1c voldoet niet aan art. 407 lid 2 Rv. Onderdeel 2 bevat geen klacht. De onderdelen 2a en 2b falen, omdat de daarin bestreden overwegingen geenszins onbegrijpelijk zijn. Onderdeel 3a miskent de gedachtegang van de rechtbank. Onderdeel 3b stuit af op de slotzin van r.o. 3, welke overweging in het licht van de stellingen van partijen niet onbegrijpelijk is. De beide klachten van onderdeel 4, waarvan in elk geval de tweede onbegrijpelijk is, voldoen niet aan art. 407 lid 2 Rv. Voor de klachten van onderdeel 5 geldt (voorzover zij geen feitelijke grondslag missen) hetzelfde. Voorzover onderdeel 6a feitelijke grondslag heeft, faalt het omdat de daarin bestreden overwegingen niet blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk zijn. De onderdelen 6b, 6c en 6d missen feitelijke grondslag.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden