Civiel recht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Civiel recht overig

Parket bij de Hoge Raad, 26 april 2002

Zaakgegevens

Op 26 april 2002 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26 april 2002
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
C00/316HR
ECLI
ECLI:NL:PHR:2002:AD9135
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 26 april 2002

    ECLI:NL:HR:2002:AD9135
  2. Conclusie A-G · 26 april 2002deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2002:AD9135

Conclusie

Rolnr. C00/316HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 8 febr. 2002

conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Het Bastion B.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig ingestelde principale cassatieberoep berust op drie middelen.

2. Het eerste middel bestrijdt de door het Hof aan de overeenkomst van partijen gegeven uitleg als onbegrijpelijk.

3. Het middel faalt. In aanmerking genomen dat [eiser] Het Bastion attent heeft gemaakt op de zandgroeven, maar verder niet heeft geïnvesteerd in de mogelijke exploitatie daarvan als stortplaats, is 's Hofs uitleg van de overeenkomst dat Het Bastion jegens [eiser] niet gehouden was tot exploitatie niet onbegrijpelijk. De stelling dat in 's Hofs uitleg geen enkele verplichting voor Het Bastion uit de overeenkomst voortvloeit, mist feitelijke grondslag. In de uitleg van het Hof vloeit uit de overeenkomst voor Het Bastion een voorwaardelijke verbintenis voort tot betaling van 20 cent per ton gestort afval. Ook een voorwaardelijke verbintenis is een verbintenis (art. 6:26 BW). Van een innerlijke tegenstrijdigheid in 's Hofs oordeel is geen sprake. Een onderzoek naar de vraag of in het kader van de exploitatie van de zandgroeven afval was gestort impliceert niet dat Het Bastion daartoe gehouden was. Dat onderzoek is van belang in verband met de voorwaardelijke verbintenis die voor Het Bastion in 's Hofs lezing uit de overeenkomst voortvloeide.

3. Het tweede middel stuit af op gebrek aan belang, nu de door dit middel bestreden overweging door het Hof klaarblijkelijk ten overvloede is gegeven.

4. Ook het derde middel is tevergeefs voorgesteld. Het door [eiser] bedoelde bewijsaanbod kon door het Hof als niet ter zake dienend worden gepasseerd, nu dat bewijsaanbod en het bedoelde rapport van Van Stockum slechts betrekking hebben op de vraag naar de mogelijkheden van exploitatie van de zandgroeven als stortplaats, doch niet op de vraag of exploitatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Nu het Hof een gehoudenheid van Het Bastion tot exploitatie niet heeft aangenomen, is de vraag of exploitatie mogelijk was, niet relevant.

5. Aangezien de in het principale cassatieberoep voorgestelde middelen niet tot cassatie kunnen leiden, kom ik tot de conclusie dat dit beroep verworpen dient te worden. Waar de aangevoerde cassatieklachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan de verwerping plaatsvinden met toepassing van art. 81 RO.

6. Als het principale beroep niet tot cassatie van de bestreden uitspraak kan leiden, is de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep (kennelijk) is ingesteld niet vervuld en behoeft dit beroep geen bespreking.

De conclusie strekt tot verwerping van het principale beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,