Civiel recht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Civiel recht overig

Parket bij de Hoge Raad, 7 maart 2003

Zaakgegevens

Op 7 maart 2003 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
7 maart 2003
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
C01/197HR
ECLI
ECLI:NL:PHR:2003:AF2143
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 7 maart 2003

    ECLI:NL:HR:2003:AF2143
  2. Conclusie A-G · 7 maart 2003deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2003:AF2143

Conclusie

Rolnr. C01/197

mr J. Spier

Zitting: 6 december 2002

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

1. [Verweerster 1]

2. [Verweerder 2]

De inzet van het geding en de beslissing van Rechtbank en Hof

1. Deze procedure is een uitvloeisel van een aantal eerdere procedures. [Eiser] vordert thans van [verweerder] vergoeding van de schade die het gevolg zou zijn van een beroepsfout van [verweerder].

2. Dat van een beroepsfout sprake is, staat tussen partijen vast. De vraag die hen verdeeld houdt, is of [eiser] schade heeft geleden door deze fout.

3. De kern van het geschil betreft de vraag of [eiser] een vordering had op [betrokkene 1]. De Rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord en is op die grond tot de slotsom gekomen dat van door [eiser] geleden schade geen sprake is. Daarom heeft zij de vordering afgewezen.

4. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. In het in cassatie bestreden arrest wordt geoordeeld dat de Rechtbank "op goede gronden tot de juiste conclusie (is) gekomen" (rov. 5). Het Hof heeft daaraan - klaarblijkelijk ten overvloede - een aantal eigen overwegingen toegevoegd.

5. In het tijdig ingestelde cassatieberoep trekt [eiser] ten strijde tegen 's Hofs overwegingen ten overvloede.

Bespreking van de klachten

6. De door de Rechtbank ter motivering van haar oordeel bijgebrachte gronden kunnen afwijzing van de vordering dragen. Nu het Hof deze motivering heeft overgenomen en daartegen geen klachten zijn gericht, missen de wél geformuleerde klachten belang. Het beroep ligt daarmee voor verwerping gereed.

7. Ten overvloede sta ik nog kort stil bij de klachten van het eerste middel waarvan de eerste twee onderdelen geen zelfstandige klachten behelzen.

8. Het Hof heeft in rov. 5 onder 8 stilgestaan bij een stelling in een eerdere procedure van de advocaat van [betrokkene 1], mr Mulder. Mr Mulder beriep zich op een brief van de toenmalige advocaat van [eiser]. Het Hof heeft [eiser] tijdens de pleidooien gevraagd om die brief in geding te brengen. [Eiser] heeft dat, blijkens het arrest (rov. 5 onder 9), geweigerd. Daaruit heeft het Hof de conclusie getrokken dat de weergave van mr Mulder van de brief juist is.

9. Het middel verwijt het Hof, naar ik begrijp, eraan voorbij te hebben gezien dat [eiser] de juistheid van de brief niet heeft erkend. Deze klacht gaat langs 's Hofs onder 8 vermelde redenering heen. De klacht laat na aan te geven waarom het Hof uit de weigering de brief over te leggen niet de conclusie heeft mogen trekken dat de door mr Mulder gestelde inhoud juist is.

10. Anders dan onderdeel 1.3 veronderstelt, behoefde het Hof ter zitting niet aan te geven de brief van cruciaal belang te achten, nog daargelaten dat de brief in 's Hofs redenering slechts één van de argumenten vormt en dus niet doorslaggevend is. Uit het feit dat het Hof om overlegging van de brief heeft gevraagd, kon [eiser] geen andere conclusie trekken dan dat het Hof die brief van belang achtte.

11.1 Onderdeel 1.2 kant zich in de eerste plaats tegen 's Hofs oordeel dat de Rechtbank in deze procedure als vaststaand zou hebben aangenomen hetgeen in rov. 5 onder 3 achter het vierde gedachtestreepje is vermeld.

11.2 Voorts wordt het Hof verweten dat het melding heeft gemaakt van hetgeen in een eerdere procedure door de Rechtbank Amsterdam als vaststaand is aangenomen hetgeen in rov. 5 onder 4 is vermeld.

12. Zelfs als zou worden aangenomen dat de klacht, weergegeven onder 11.1, voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. kan zij [eiser] niet baten omdat zij feitelijke grondslag mist. In rov. 5 onder 3 vermeldt het Hof immers slechts hetgeen de getuige [getuige 1] zou hebben verklaard.

13. De onder 11.2 weergegeven klacht is geen beter lot beschoren, al aannemend dat zij aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. zou voldoen. Dat, zoals het onderdeel stelt, [eiser] in een latere procedure heeft aangevoerd dat de Rechtbank in een eerdere procedure van onjuiste stellingen is uitgegaan, wist die eerdere vaststelling als zodanig niet weg.

14. De onderdelen 1.4 en 1.5 voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. De klacht dat het Hof heeft miskend dat [getuige 1] op eigen naam heeft verkocht, verliest uit het oog dat ook het Hof daar expliciet van uitgaat (rov. 6).

15. Voorzover middel I rechtsklachten bedoelt te vertolken, is mij niet duidelijk wat deze precies inhouden.

16. De klachten van de middelen II en III worden - telkens blijkens het tweede onderdeel - voorgedragen uitgaande van de veronderstelling dat het eerste middel slaagt. Nu dat niet het geval is, behoeft op die klachten niet te worden ingegaan.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal