Civiel recht overig
Bopz; voorlopige machtiging; ontbreken van ‘eerlijk proces’ in zin van art. 6 EVRM wegens het onthouden van…
Parket bij de Hoge Raad, 20 maart 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BH1985 · Parket bij de Hoge Raad · 20 maart 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2009-bh1985
Zaakgegevens
Op 20 maart 2009 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 maart 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/05309
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2009:BH1985
Samenvatting
Bopz; voorlopige machtiging; ontbreken van ‘eerlijk proces’ in zin van art. 6 EVRM wegens het onthouden van gegevens over eerdere inbewaringstelling; aan middel te stellen eisen (81 RO).
Procesgang
Hoge Raad · 20 maart 2009
ECLI:NL:HR:2009:BH1985Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 maart 2009deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2009:BH1985
Conclusie
08/05309
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 30 januari 2009
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
Officier van Justitie te Arnhem
1. Deze Bopz-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Op verzoek van de officier van justitie te Arnhem heeft de rechtbank aldaar op 25 september 2008 een voorlopige machtiging verleend om verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven. Op 24 december 2008, dus tijdig, is namens betrokkene cassatieberoep ingesteld(1). In cassatie is geen verweer gevoerd.
2. Het cassatiemiddel klaagt over schending van art. 6 EVRM, te weten het ontbreken van een eerlijk proces (equality of arms). De klacht is toegelicht in één zin, die luidt: "Aan betrokkene zijn gegevens uit het dossier onthouden die tot aan de machtiging voorafgaande inbewaringstelling hebben geleid."
3. Verondersteld al dat een zodanig middel aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv voldoet, kan de klacht niet tot cassatie leiden. Indien een gebrek zou kleven aan een voorafgaande last tot inbewaringstelling of machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, doet dit geen afbreuk aan de geldigheid van de onderhavige voorlopige machtiging. Bovendien is in de klacht niet aangeduid welke gegevens aan betrokkene zouden zijn onthouden en in welk opzicht betrokkene hierdoor zou zijn benadeeld. Uit het overgelegde proces-verbaal blijkt niet dat bij de behandeling in eerste aanleg is geklaagd over ontbrekende stukken. De conclusie strekt dan ook tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 R.O.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Het cassatierekest vermeldt dat het cassatieberoep op uitdrukkelijk verzoek van betrokkene is ingesteld. De advocaat heeft bij brief van 9 januari 2009 alsnog het dossier in copie ingezonden en meegedeeld dat dit hem geen aanleiding gaf het middel nader te onderbouwen en dat betrokkene geen toestemming heeft gegeven om het cassatieberoep in te trekken.