Civiel recht overig
Cassatie. Niet-ontvankelijkheid in verband met verstrijken cassatietermijn; art. 292 lid 5 in verbinding met…
ECLI:NL:PHR:2011:BU4965 · Parket bij de Hoge Raad · 18 november 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2011-bu4965
Zaakgegevens
Op 18 november 2011 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 november 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11/03252
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2011:BU4965
Samenvatting
Cassatie. Niet-ontvankelijkheid in verband met verstrijken cassatietermijn; art. 292 lid 5 in verbinding met lid 3 F.
Procesgang
Hoge Raad · 18 november 2011
ECLI:NL:HR:2011:BU4965Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 november 2011deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2011:BU4965
Conclusie
Nr. 11/03252
Mr. L. Timmerman
Parket: 23 augustus 2011
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
1. Feiten en procesverloop
1.1 Bij vonnis van 19 mei 2011 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest.
1.2 [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 5 juli 2011 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof oordeelt dat niet aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van nieuwe schulden en het onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest. Daarnaast is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
1.3 Tegen dit arrest heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld middels op 19 juli 2011 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift. De termijn voor het instellen van cassatieberoep verliep overeenkomstig art. 292 lid 5 Fw binnen acht dagen na de datum van 's hofs arrest. 's Hofs arrest dateert van 5 juli 2011, zodat de cassatietermijn op 13 juli 2011 is verstreken. Mij is niet gebleken van omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat in dit geval niet strikt de hand zou moeten worden gehouden aan de in art. 292 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn, althans namens [verzoeker] is niets van die strekking aangevoerd.(1) Het cassatieverzoekschrift is aldus te laat ingediend, zodat [verzoeker] in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2. Conclusie
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Bijv. HR 28 november 2003, LJN AN8489, NJ 2005, 465 m.nt. Asser.