Civiel recht overig

Art. 80a lid 1 RO. Opeisbaarheid van bij echtscheiding overeengekomen, door man aan vrouw maandelijks te…

Parket bij de Hoge Raad, 29 november 2013

Zaakgegevens

Op 29 november 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29 november 2013
Datum publicatie
9 december 2013
Zaaknummer
13/02398
ECLI
ECLI:NL:PHR:2013:1646
E-mail

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. Opeisbaarheid van bij echtscheiding overeengekomen, door man aan vrouw maandelijks te betalen bedrag.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 29 november 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2013:1646

  2. Hoge Raad · 20 december 2013

    ECLI:NL:HR:2013:2142

    Conclusie gevolgd

Conclusie

13/02398

Mr. P. Vlas

Zitting, 29 november 2013

Conclusie inzake art. 80a RO:

[de man]

(hierna: de man)

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

1. Tussen partijen geldt een overeenkomst met betrekking tot de gevolgen van hun echtscheiding, op grond waarvan de man onder andere is gehouden tot betaling aan de vrouw van € 4.000,- in maandelijkse termijnen van € 150,- nadat de echtscheiding in Turkije zou zijn uitgesproken. Bij arrest van 29 januari 2013 heeft het hof Amsterdam, onder vernietiging van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2010, de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 3.850,- te betalen vermeerderd met de wettelijke rente. Tegen dit arrest heeft de man tijdig cassatieberoep ingesteld.

2. Het hof heeft overwogen dat, gelet op de in Turkije uitgesproken echtscheiding op 27 februari 2004, de vrouw vanaf die datum telkens de onmiddellijke nakoming van de man van zijn verplichting tot maandelijkse betaling van € 150,- kon vorderen. De verjaringstermijn van vijf jaar is voor de eerste maandelijkse betaling op 28 februari 2004 aangevangen en is op 28 februari 2009 geëindigd; de vordering tot betaling van de eerste termijn van € 150,- is derhalve verjaard. Met de brief van 18 maart 2009 heeft de vrouw de verjaring gestuit voor zover het de maandelijkse vorderingen betreft waarvan zij na 18 maart 2004 de onmiddellijke nakoming kon vorderen (rov. 4.6).

3. De tegen dit oordeel aangevoerde klacht rechtvaardigt geen behandeling in cassatie, omdat de klacht klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. De klacht miskent dat de vordering van de vrouw op betaling van € 4.000,- in maandelijkse termijnen niet eerder is aangevangen dan op de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, te weten 27 februari 2004 op welke datum de echtscheiding tussen partijen in Turkije is uitgesproken.

4. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

AG

De cassatiedagvaarding is gedateerd: 1 mei 2013. 29 en 30 april 2013 zijn algemeen erkende feestdagen in de zin van art. 3 (derde respectievelijk eerste lid) van de Algemene termijnenwet, zie Besluit van 7 juni 2010, Stcrt. 2010, nr. 9302.