Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Erkenning buitenlands huwelijk. Art. 10:31 BW. Partneralimentatie. Draagkracht.
ECLI:NL:PHR:2013:2366 · Parket bij de Hoge Raad · 13 december 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2013-2366
Zaakgegevens
Op 13 december 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 december 2013
- Datum publicatie
- 8 januari 2014
- Zaaknummer
- 13/02107
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:2366
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Erkenning buitenlands huwelijk. Art. 10:31 BW. Partneralimentatie. Draagkracht.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 december 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:2366
Uitspraak · 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:160Hoge Raad · 7 februari 2014
ECLI:NL:HR:2014:274Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie
Inhoudsopgave
13/02107
Mr. P. Vlas
Zitting, 13 december 2013
Conclusie inzake:
[de man]
(hierna: de man)
tegen
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
In deze zaak gaat het hoofdzakelijk om de vraag of het op de Filippijnen voltrokken huwelijk van partijen in Nederland kan worden erkend op grond van art. 10:31 BW.
1 Feiten en procesverloop
De relevante feiten in cassatie zijn als volgt. Op 26 april 2003 heeft te Buhi, Camarines Sur (Filippijnen) een ceremonie plaatsgevonden, waarbij partijen tezamen met hun getuigen hun handtekening hebben gezet onder een Certificate of Marriage. Dit document (hierna: huwelijksakte) vermeldt dat het huwelijk tussen partijen is voltrokken te Buhi op 1 mei 2003 en dat op dezelfde datum een marriage license is afgegeven. Uit de huwelijksakte blijkt tevens dat op 26 juni 2003 de registratie van het huwelijk in het centrale register heeft plaatsgevonden. Uit een op 17 juni 2003 door de Nederlandse ambassade te Makati City (Filippijnen) afgegeven Certificate of legal capacity to contract marriage blijkt dat de man in de Nederlandse basisadministratie op 17 april 2003 stond geregistreerd als gescheiden en dat hij derhalve ingevolge het Nederlandse recht bevoegd was een huwelijk aan te gaan.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Filippijnse nationaliteit. Partijen zijn de ouders van de minderjarige [de dochter], geboren op [geboortedatum] 2003 te ’s-Gravenhage. De minderjarige verblijft bij de vrouw in Nederland.
De man heeft in de onderhavige procedure primair een verklaring voor recht gevraagd dat tussen partijen geen huwelijk bestaat en subsidiair dat de echtscheiding althans de scheiding van tafel en bed tussen partijen wordt uitgesproken. De vrouw heeft verweer gevoerd en voorts zelfstandig verzocht dat de echtscheiding tussen partijen wordt uitgesproken met nevenvoorzieningen.
Bij beschikking van 17 augustus 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage beslist dat het tussen partijen op de Filippijnen gesloten huwelijk in Nederland moet worden erkend. Verder heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en onder andere bepaald dat de man € 780,- per maand aan kinderalimentatie en € 3.000,- per maand aan partneralimentatie dient te betalen.
De man is in hoger beroep gekomen. Bij beschikking van 23 januari 2013 heeft het hof ’s-Gravenhage de voornoemde beschikking vernietigd voor zover het de partneralimentatie betreft en opnieuw rechtdoende bepaald dat de man € 458,- per maand aan partneralimentatie dient te betalen; voor het overige is de bestreden beschikking bekrachtigd.
De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
2 Bespreking van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel keert zich tegen het oordeel van het hof omtrent de geldigheid van het op de Filippijnen gesloten huwelijk van partijen en het oordeel omtrent de draagkracht van de man in het kader van het alimentatieverzoek van de vrouw.
Het eerste onderdeel keert zich tegen het oordeel van het hof omtrent de rechtsgeldigheid van het huwelijk in rov. 14 en 15 en voert kort gezegd aan dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat bij de ondertekening van de huwelijksakte op 26 april 2003 geen verklaring van huwelijksbevoegdheid en evenmin een marriage license aanwezig was zoals de Filippijnse wet voor de rechtsgeldigheid van een huwelijk vereist.
Bij de beoordeling van de vraag naar de erkenning in Nederland van het Filippijnse huwelijk van partijen heeft het hof in rov. 7 terecht vooropgesteld dat naar Nederlands internationaal privaatrecht een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond (lex loci celebrationis) rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig wordt erkend (art. 10:31 lid 1 BW), terwijl een huwelijk vermoed wordt rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit (art. 10:31 lid 4 BW). Om te kunnen beoordelen of sprake is van een rechtsgeldig huwelijk van partijen is het hof in rov. 8 e.v. nagegaan of aan de door Filippijnse wet gestelde formele en materiële vereisten van huwelijkssluiting, neergelegd in het Familie Wetboek van de Filippijnen van 6 juli 1987, is voldaan.
Uit de in cassatie onbestreden rov. 8 t/m 11 van de beschikking volgt dat een huwelijk naar Filippijns recht geldig is indien is voldaan aan twee ‘essentiële vereisten’, te weten de bevoegdheid van de contracterende partijen die een man en een vrouw moeten zijn alsmede de vrijwillige instemming van partijen ten overstaan van de huwelijksambtenaar. De ‘formele vereisten’ van het Filippijnse recht houden volgens het hof in: i) de bevoegdheid van de huwelijksambtenaar, ii) een geldige marriage license en iii) een huwelijksplechtigheid waarbij de contracterende partijen ten overstaan van de huwelijksambtenaar en in het bijzijn van ten minste twee meerderjarige getuigen verklaren dat zij elkaar als man en vrouw aannemen. Indien één of beide contracterende partijen een buitenlander is, moet, alvorens een marriage license kan worden verkregen, een verklaring van huwelijksbevoegdheid worden overgelegd die is afgegeven door de respectieve diplomatieke of consulaire ambtenaren (rov. 11).
In rov. 12 overweegt het hof dat het huwelijk van partijen vermoed wordt rechtsgeldig te zijn omdat de huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit (art. 10:31 lid 4 BW). Het hof voegt hieraan toe, dat bovendien niet in geschil is dat partijen hun handtekening hebben gezet onder de huwelijksakte waarop is vermeld dat het huwelijk heeft plaatsgevonden te Buhi op 1 mei 2003 om 08.30 voormiddags. In de huwelijksakte wordt voorts vermeld dat op 1 mei 2003 een marriage license is afgegeven.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de man op 26 april 2003 bevoegd was om te huwen en of er sprake was van een geldige marriage license. Daarover heeft het hof geoordeeld dat de man op 26 april 2003 bevoegd was om te huwen, omdat uit de verklaring van huwelijksbevoegdheid van 17 juni 2003 van de Nederlandse ambassade op de Filippijnen blijkt dat de burgerlijke staat van de man (in ieder geval) op 17 april 2003 werd omschreven als gescheiden en dat gelet daarop voor de man geen beletsel bestond te huwen (rov. 14). Voorts heeft het hof overwogen dat het zeer wel mogelijk is dat de in de huwelijksverklaring vermelde marriage license op de datum van de huwelijksvoltrekking nog niet voorhanden was, doch dat zulks niet ertoe leidt dat naar Filippijns recht geen rechtsgeldig huwelijk is gesloten omdat blijkens de door de bevoegde instantie afgegeven huwelijksverklaring een marriage license is afgegeven (rov. 15).
Het cassatiemiddel voldoet niet aan de gestelde eisen waar het, zonder enige onderbouwing, betoogt dat het in rov. 14 gegeven oordeel met betrekking tot de verklaring van huwelijksbevoegdheid onbegrijpelijk is. Voorts faalt het middel waar het zich keert tegen het in rov. 15 gegeven oordeel met betrekking tot de marriage license. Toegegeven zij dat de gang van zaken bij de huwelijksvoltrekking van partijen op de Filippijnen merkwaardig is te noemen, met name omdat de op 26 april 2003 door partijen ondertekende Certificate of Marriage vermeldt dat het huwelijk heeft plaatsgevonden op 1 mei 2003 en dat de registratie van het huwelijk in het centrale register heeft plaatsgevonden op 26 juni 2003. Dit neemt echter niet weg dat het huwelijk van partijen, dat krachtens art. 10:31 lid 4 BW vermoed wordt rechtsgeldig te zijn omdat een huwelijksverklaring door een bevoegde autoriteit is afgegeven, naar Filippijns recht als rechtsgeldig moet worden beschouwd omdat het hof met zijn oordeel in rov. 15 kennelijk heeft bedoeld dat het ontbreken van de marriage license op de datum van de huwelijksvoltrekking naar Filippijns recht geen absolute nietigheidsgrond voor het huwelijk is.
Aldus heeft het hof kunnen oordelen dat het huwelijk van partijen naar Filippijns recht rechtsgeldig tot stand is gekomen en krachtens art. 10:31 BW in Nederland kan worden erkend. Anders dan het middel betoogt bestond voor het hof geen aanleiding om in te gaan op het door de man gedane bewijsaanbod. Alle klachten van het eerste onderdeel zijn dan ook tevergeefs voorgesteld.
Het tweede onderdeel keert zich tegen rov. 28 van de bestreden beschikking waarin het hof, in het kader van de beoordeling van het recht op kinder- en partneralimentatie, over de draagkracht van de man het volgende overweegt:
‘Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat de man zijn draagkrachtverweer niet met (voldoende) bescheiden heeft onderbouwd. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen de man daartoe nog in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Ook in hoger beroep heeft de man het door hem gestelde met betrekking tot zijn draagkracht onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat er dan ook van uit dat de man in staat is om een kinderalimentatie van € 780,- per maand en een partneralimentatie van € 458,- per maand te betalen. Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de vastgestelde partneralimentatie vernietigen.’
De rechtbank heeft in haar beschikking van 17 augustus 2012 met betrekking tot de draagkracht van de man als volgt overwogen:
‘De rechtbank stelt vast dat de man zijn draagkrachtverweer niet met bescheiden heeft onderbouwd. Zo heeft de man nagelaten om inzage te geven in zijn inkomsten uit zijn ondernemingen in Nederland en op de Filippijnen. Hij heeft verzuimd recente jaarstukken van zijn ondernemingen in het geding te brengen. Evenmin heeft hij fiscale stukken overgelegd of andere verificatoire bescheiden waaruit de juistheid van zijn stellingen met betrekking tot zijn inkomen blijkt. Tot slot heeft de man ook zijn huidige vaste lasten niet inzichtelijk gemaakt. De rechtbank concludeert derhalve dat de man – mede in het licht van de gemotiveerde stellingname van de vrouw – het door hem gestelde met betrekking tot zijn draagkracht onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het verweer van de man en gaat ervan uit dat de man in staat is om een kinderalimentatie van € 780,-- per maand en een partneralimentatie van € 3.000,-- te voldoen’.
Het middel betoogt dat rov. 28 van de beschikking van het hof onbegrijpelijk is in het licht van de door de man in appel in het geding gebrachte stukken, waaronder de jaarrekeningen 2009 t/m 2011 van All Round Beheer en van de daaronder hangende vennootschappen, de aangiftes Omzetbelasting 2012 en de laatste loonstrook van de man uit 2005. Nog daargelaten of de man geacht kan worden met de overgelegde bescheiden voldoende inzicht te hebben gegeven in zijn inkomsten uit zijn Nederlandse ondernemingen, heeft hij op geen enkele manier inzicht verschaft in zijn inkomsten uit de Filippijnse onderneming(en) waarvan het bestaan door de man is erkend en evenmin heeft de man (voldoende) inzicht verschaft in zijn vaste lasten. Bij deze stand van zaken is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de man het door hem gestelde met betrekking tot zijn draagkracht onvoldoende heeft onderbouwd. De klachten van het tweede onderdeel stuiten hierop af.
Het derde onderdeel (onder 2.3) heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de eerdere onderdelen.
Nu de aangevoerde klachten naar mijn mening niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, geef ik Uw Raad in overweging het beroep af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
3 Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G