Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Verlenging ondertoezichtstelling. Aan een cassatiemiddel te stellen eisen. Art. 8 EVRM…
ECLI:NL:PHR:2013:2375 · Parket bij de Hoge Raad · 13 december 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2013-2375
Zaakgegevens
Op 13 december 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 december 2013
- Datum publicatie
- 8 januari 2014
- Zaaknummer
- 13/04893
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:2375
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Verlenging ondertoezichtstelling. Aan een cassatiemiddel te stellen eisen. Art. 8 EVRM. Belang van de kinderen. Onbegrijpelijk oordeel?
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 december 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:2375
Uitspraak · 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:2475Hoge Raad · 7 februari 2014
ECLI:NL:HR:2014:263Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
13/04893
Mr. F.F. Langemeijer
13 december 2013 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[de vader]
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg (Zoetermeer)
1. Verzoeker tot cassatie is de vader van drie kinderen, geboren in 2000, 2001 en 2004. Deze zijn op 18 januari 2012 onder toezicht gesteld op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Laatstelijk bij beschikking van (de kinderrechter in) de rechtbank Den Haag van 29 januari 2013 is de ondertoezichtstelling verlengd. Op het tegen die beslissing door de vader ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag op 17 juli 2013 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
2. Het - tijdig ingestelde - cassatieberoep omvat één algemeen geformuleerde rechts- en motiveringsklacht. Het middel bestrijdt niet de door het hof gebruikte, aan art. 1:254 lid 1 BW ontleende maatstaf (rov. 6). De middelonderdelen 1 - 3 dienen slechts ter inleiding. De deelklacht onder 4 (over mogelijke andere beschermingsvormen dan een o.t.s.) voldoet niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld: het cassatierekest preciseert niet welke alternatieven zijn bedoeld, noch in welk gedingstuk daarop een beroep zou zijn gedaan. Het in onderdeel 5 bedoelde argument van de “verkapte uithuisplaatsing” is door het hof uitdrukkelijk onderkend in rov. 4 en in rov. 7 en 8 verworpen op gronden die de beslissing tot verlenging van de o.t.s. kunnen dragen.
3. Het beroep van de vader op art. 8 EVRM (waarover de deelklachten onder 5 en 6 gaan) is door het hof op toereikende gronden verworpen in rov. 8. Het hof heeft de aard van het risico indien verlenging van de o.t.s. zou uitblijven, voor ieder van de drie kinderen, uiteengezet in rov. 7. Dat het hof uit de overgelegde rapportage en het verhandelde ter zitting een andere gevolgtrekking heeft gemaakt dan de vader doet, brengt nog niet mee dat de redengeving van de beslissing onbegrijpelijk is. Het middel legt niet de vinger op een concrete redeneerfout. De in deelklacht 7 bestreden overweging op blz. 4 moet in haar context worden gelezen en houdt verband met het daarop volgende oordeel, te weten: dat het in het belang van de kinderen is dat zij de ingezette behandeling kunnen blijven volgen, dat een gezinsvoogd daarop toezicht blijft houden en dat deze zorg draagt voor hulp en begeleiding. Van de vader verwacht het hof, om de aldaar door het hof genoemde reden, niet dat hij hulpverlening in een vrijwillig kader zal steunen.
4. De slotsom is dat de klachten kennelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
5. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 R.O.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.