Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Afwijzing verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling.
Parket bij de Hoge Raad, 20 september 2013
ECLI:NL:PHR:2013:892 · Parket bij de Hoge Raad · 20 september 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2013-892
Zaakgegevens
Op 20 september 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 september 2013
- Datum publicatie
- 8 oktober 2013
- Zaaknummer
- 13/03486
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Advocaat
- mr. E.J.W.F. Deen
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:892
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Afwijzing verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 september 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:892
Hoge Raad · 1 november 2013
ECLI:NL:HR:2013:1088Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Zaaknummer: 13/03486
mr. J. Wuisman
Rolzitting: 20 september 2013
CONCLUSIE inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. E.J.W.F. Deen
1 Voorgeschiedenis
Verzoeker tot cassatie heeft op 8 november 2012 bij verzoekschrift aan de rechtbank Rotterdam verzocht hem toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dat verzoek heeft de rechtbank bij vonnis d.d. 25 januari 2013 afgewezen op twee gronden: (1) niet aannemelijk is geworden dat de schulden uit de periode van vijf jaren voorafgaande aan het verzoek te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald zijn gelaten; (b) niet aannemelijk is geworden dat de bij verzoeker tot cassatie opgetreden alcoholverslaving al een voldoende lange termijn onder controle is.
Verzoeker tot cassatie is van het vonnis van de rechtbank in appel gekomen bij het gerechtshof Den Haag, dat echter het vonnis bij arrest d.d. 9 juli 2013 heeft bekrachtigd. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank inzake de goede trouw van verzoeker tot cassatie ten aanzien van het ontstaan en laten voortbestaan van schulden (rov. 5 en 6), terwijl het voor toepassing van de ‘hardheidsclausule’ als bedoeld in artikel 288, lid 3 Fw onvoldoende aanleiding ziet (rov. 8). Bovendien acht het hof nog niet voldoende aannemelijk dat verzoeker tot cassatie zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen (rov. 7).
Van het arrest van het hof is verzoeker tot cassatie op 16 juli 2013 en daarmee tijdig bij verzoekschrift in cassatie gekomen.
2 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
De beslissing van het hof rust op twee gronden die, indien zij juist zijn, ieder de beslissing kunnen dragen. Een van die gronden is dat het hof het nog niet voldoende aannemelijk acht dat verzoeker tot cassatie zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen (rov. 7). Die grond wordt in cassatie niet bestreden. Dit betekent dat het arrest van het hof ook in stand blijft indien tegen de andere grond terecht zou zijn opgekomen. Het cassatieberoep kan derhalve klaarblijkelijk geen doel treffen, hetgeen blijkens artikel 80a RO een grond oplevert voor het niet ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
3 Conclusie
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(A-G)