Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Huur woonruimte. Ontbinding huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming wegens…
ECLI:NL:PHR:2013:952 · Parket bij de Hoge Raad · 4 oktober 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2013-952
Zaakgegevens
Op 4 oktober 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 oktober 2013
- Datum publicatie
- 14 oktober 2013
- Zaaknummer
- 13/02848
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:952
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Huur woonruimte. Ontbinding huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming wegens structurele, ernstige en voortdurende overlast.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 12 maart 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6556Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 oktober 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:952
Hoge Raad · 29 november 2013
ECLI:NL:HR:2013:1470Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
Inhoudsopgave
Rolnr. 13/02848
Mr M.H. Wissink
Zitting: 4 oktober 2013
conclusie (art. 80a RO in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
eiseres in cassatie,
tegen
Stichting Rondom Wonen,
gevestigd te Rotterdam,
verweerster in cassatie,
(hierna: de Stichting)
Het bij dagvaarding van 10 juni 2013 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het tussen partijen gewezen arrest van het hof Den Haag van 12 maart 2013. Daarin heeft het hof, kort gezegd, de tussen partijen gesloten huurovereenkomst ontbonden wegens wanprestatie van [verzoekster] en [verzoekster] veroordeeld om de woning die zij van de Stichting huurde te ontruimen. De klachten van het middel rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Het middel, dat uit één onderdeel bestaat, richt zich tegen rov. 6 en verwijt het hof ten onrechte geen voorrang te hebben gegeven aan de grondrechten van [verzoekster] ten opzichte van het contractuele belang van de Stichting. Nog daargelaten dat deze klacht niet voldoet aan de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv – geenszins wordt onderbouwd waarom art. 2, 8 en 6 EVRM en art. 47 EU Handvest door de beslissing van het hof zijn geschonden – vraagt deze klacht om een herbeoordeling van de feiten die in cassatie niet kan worden gegeven. Het middel klaagt immers – terecht – niet dat het hof de belangen en rechten van [verzoekster] niet heeft meegewogen, maar slechts dat het hof hieraan geen voorrang heeft gegeven. Het middel merkt in dit verband op dat sprake is van een onduidelijke situatie met twee elkaar bestrijdende kampen in de straat, maar die opmerking gaat geheel voorbij aan wat het hof in rov. 5 heeft overwogen.
De klacht dat het hof het bewijsaanbod van [verzoekster] ongemotiveerd heeft afgewezen, mist feitelijke grondslag. [verzoekster] heeft in appel geen bewijsaanbod gedaan. Het middel geeft ook niet aan, onder vermelding van de vindplaatsen in de stukken van het geding, dat wel een adequaat bewijsaanbod is gedaan en voldoet in zoverre niet aan de daaraan te stellen eisen. Verder hoeft het hof niet te motiveren waarom het geen ambtshalve bewijslevering beveelt.
In cassatie wordt niet opgekomen tegen de vaststellingen van het hof in rov. 5. Die vaststellingen kunnen het oordeel van het hof dragen. Op basis daarvan betitelt het hof in rov. 6 de situatie als een van dusdanig structurele, ernstige en nog steeds voortdurende overlast dat ontbinding van de huurovereenkomst is gerechtvaardigd. Hierop stuit af de klacht dat het hof recht heeft gedaan op feiten uit een ver verleden. Deze mist feitelijke grondslag en is overigens onvoldoende bepaald in de zin van art. 407 lid 2 Rv.
Het cassatieberoep kan met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G