Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Huur woonruimte. Voortzetting huurovereenkomst na overlijden hoofdhuurder? Art. 7:268 lid 2 BW.
Parket bij de Hoge Raad, 4 oktober 2013
ECLI:NL:PHR:2013:953 · Parket bij de Hoge Raad · 4 oktober 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2013-953
Zaakgegevens
Op 4 oktober 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 oktober 2013
- Datum publicatie
- 14 oktober 2013
- Zaaknummer
- 13/03376
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:953
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Huur woonruimte. Voortzetting huurovereenkomst na overlijden hoofdhuurder? Art. 7:268 lid 2 BW.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 oktober 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:953
Hoge Raad · 29 november 2013
ECLI:NL:HR:2013:1471Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak · 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:2531Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
Rolnr. 13/03376
Mr M.H. Wissink
Zitting: 4 oktober 2013
Conclusie in de zaak van:
[eiser],
wonend te [woonplaats],
eiser in cassatie,
tegen
Stichting Sité Woondiensten,
gevestigd te Doetinchem,
verweerster in cassatie
Het bij dagvaarding van 1 juli 2013 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het tussen partijen gewezen arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 2 april 2013. Daarin heeft het hof, kort gezegd, [eiser] veroordeeld om de door zijn (in 2011 overleden) moeder van verweerster gehuurde woning te ontruimen binnen twee maanden na het onherroepelijk worden van zijn arrest. De klachten van het middel rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Het middel verwijt in onderdeel 1 het hof de reikwijdte van de in het petitum neergelegde vordering te hebben miskend, waardoor art. 6 EVRM en art. 47 EU Handvest zouden zijn geschonden. Nog daargelaten dat de klacht niet voldoet aan de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv – niet wordt onderbouwd waarom deze bepalingen door de beslissing van het hof zijn geschonden – mist de klacht feitelijke grondslag. Het middel stelt dat de vordering impliceert dat [eiser] al huurder was geworden, maar uit de beschikbare stukken blijkt duidelijk dat de zaak berust op de grondslag dat [eiser] geen huurder was en dit op grond van art. 7:268 lid 2 BW wilde worden.
Hierop strandt ook de klacht van onderdeel 2 dat het hof ten onrechte niet heeft getoetst of sprake is van een ongeoorloofde inmenging in het huurrecht van [eiser] als bedoeld in art. 1 Eerste Protocol.
De klacht van onderdeel 3 dat “de bewezenverklaring” onjuist en onbegrijpelijk is gelet op EHRM 12 december 2006 (Burden and Burden v. UK) strandt eveneens op de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv.
Het cassatieberoep kan met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G