Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Vrijwaring van makelaar door cliënt voor veilingkosten.
Parket bij de Hoge Raad, 15 februari 2013
ECLI:NL:PHR:2013:BY9081 · Parket bij de Hoge Raad · 15 februari 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2013-by9081
Zaakgegevens
Op 15 februari 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 februari 2013
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 12/04839
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:BY9081
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Vrijwaring van makelaar door cliënt voor veilingkosten.
Procesgang
Hoge Raad · 15 februari 2013
ECLI:NL:HR:2013:BY9081Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 15 februari 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:BY9081
Conclusie
Rolnr. 12/04839
Mr M.H. Wissink
Zitting van 4 januari 2013
Conclusie inzake:
[Eiseres],
te [woonplaats] (Israël),
eiser tot cassatie
tegen
[Verweerder],
te [woonplaats],
verweerder in cassatie
1. Bij dagvaarding van 9 oktober 2012 heeft eiseres tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 juli 2012. De middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
2. Voor zover de middelen steunen op in feitelijke instanties aangevoerde stellingen zonder vermelding van de vindplaats(en) van die stellingen in de stukken van het geding, voldoen zij niet aan de daaraan te stellen eisen (HR 5 november 2010, LJN BN6196).
Middel I keert zich tegen een geenszins onbegrijpelijk oordeel. Blijkens rov. 3.4 van het bestreden arrest (op p. 7, midden) heeft de rechtbank vastgesteld dat [betrokkene 1] "geen leek was op het gebied van onroerende zaken" en blijkens rov. 3.11 werkten [betrokkene 1] en [verweerder] al langer samen. In dit licht en mede gezien de studie bouwkunde van [betrokkene 1] kon het hof tot zijn oordeel komen, waarbij in het midden kan blijven of deze studie na het kandidaatsexamen nog is voortgezet (in de MvG nrs. 2 en 8 wordt overigens door [eiseres] gesteld dat [betrokkene 1] een architectendiploma heeft). Blijkens rov. 3.4van het bestreden arrest (op p. 7, midden) heeft voorts de rechtbank (en niet het hof) een overweging gewijd aan de deskundigheid van [betrokkene 2]. Het middel maakt niet duidelijk dat en, zo ja, in welk verband [eiseres] een beroep heeft gedaan op de bedoelde productie 2.
Middel II mist feitelijke grondslag. Het hof niet heeft vastgesteld dat [betrokkene 3] de informatieplicht ernstig had geschonden of dat [verweerder] door een regeling te treffen met [betrokkene 3] de positie van [eiseres] verzwakte; het middel gaat voorts voorbij aan de in rov. 3.8 vastgestelde grondslag van de verplichting van [eiseres] om [verweerder] te 'vrijwaren'. Ten onrechte veronderstelt het middel, dat de mogelijkheid om verhaal te zoeken op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van [eiseres] redengevend was voor het oordeel in rov. 3.9.
Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G