Civiel recht overig

Luchtvaartzaak. Schadevergoedingsvordering passagiers in verband met vertraging vlucht. Compensatieregeling…

Parket bij de Hoge Raad, 3 mei 2013

Zaakgegevens

Op 3 mei 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
3 mei 2013
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
12/00511
ECLI
ECLI:NL:PHR:2013:BZ2865
E-mail

Samenvatting

Luchtvaartzaak. Schadevergoedingsvordering passagiers in verband met vertraging vlucht. Compensatieregeling; art. 6 en 7 Verordening (EG) nr. 261/2004. Buitengewone omstandigheden die redelijkerwijs niet voorkomen hadden kunnen worden als bedoeld in art. 5 lid 3 Verordening? Verweer ten onrechte gepasseerd door kantonrechter, art. 80 lid 1 aanhef en onder a RO.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 3 mei 2013

    ECLI:NL:HR:2013:BZ2865
  2. Conclusie A-G · 3 mei 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ2865

Conclusie

Zaak 12/00511

Mr. P. Vlas

Zitting, 1 maart 2013

Aanvullende conclusie inzake:

Transavia Airlines C.V.

tegen

1) [Verweerster 1]

2) [Verweerder 2]

3) [Verweerster 3]

1.1 In deze zaak over het recht op compensatie bij langdurige vertraging op grond van Verordening (EG) Nr. 261/2004(1), wordt nader geconcludeerd nadat de Hoge Raad op 15 juni 2012 (LJN: BW5518; RvdW 2012/856) tot aanhouding van de procedure heeft beslist in afwachting van de beslissing van het HvJEU in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel).

1.2 Voor de relevante feiten en het procesverloop verwijs ik naar mijn conclusie van 11 mei 2012, waarin ik op de aldaar vermelde gronden heb geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing.

1.3 Bij het genoemde tussenarrest van 15 juni 2012 heeft de Hoge Raad gemeend dat de 'bijzondere omstandigheden' van deze zaak rechtvaardigen dat de uitspraak wordt aangehouden totdat het HvJEU uitspraak heeft gedaan in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel); de stukken zijn opnieuw in handen gesteld van de Procureur-Generaal voor het nemen van een aanvullende conclusie nadat het HvJEU uitspraak heeft gedaan.

1.4 Bij prejudiciële beslissing van 23 oktober 2012(2) heeft het HvJ EU in de genoemde gevoegde zaken geoordeeld dat, zoals reeds was bepaald in het Sturgeon-arrest(3), passagiers van een vertraagde vlucht krachtens de Verordening recht op compensatie hebben wanneer zij drie uur of meer tijdverlies lijden, dat wil zeggen wanneer zij drie uur na de door de luchtvervoerder oorspronkelijk geplande aankomsttijd of later hun eindbestemming bereiken, tenzij de luchtvervoerder kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen.

1.5 De advocaat van Transavia heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, afgezien van een nadere schriftelijke toelichting.

1.6 Ik zie geen reden om, naar aanleiding van de prejudiciële beslissing van 23 oktober 2012, af te wijken van het in mijn conclusie van 11 mei 2012 ingenomen standpunt omtrent het cassatiemiddel van Transavia, met dien verstande dat Transavia gelet op de beslissing van 23 oktober 2012 geen belang meer heeft bij onderdeel 1 waarin het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU of de aanhouding van de zaak in afwachting van de uitkomst van de bij het HvJEU aanhangige procedures aan de orde komt. De in onderdeel 2 opgenomen motiveringsklacht slaagt op de in mijn eerdere conclusie aangegeven grond.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Verordening (EG) Nr. 261/2004 inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten, PbEU 2004, L 46/1 (hierna: de Verordening).

2 LJN: BY2173, NJ 2013/4, m.nt. M.R. Mok.

3 HvJEG 19 november 2009, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, Jur. 2009, p. I-10923, NJ 2010/137, m.nt. M.R. Mok.