Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Verkrijging Nederlandse nationaliteit, art. 6 lid 4 van de Toescheidingsovereenkomst inzake…
Parket bij de Hoge Raad, 26 april 2013
ECLI:NL:PHR:2013:BZ8827 · Parket bij de Hoge Raad · 26 april 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2013-bz8827
Zaakgegevens
Op 26 april 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 april 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- 12/03756
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:BZ8827
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Verkrijging Nederlandse nationaliteit, art. 6 lid 4 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS); verzoek reeds in eerdere procedure afgewezen.
Procesgang
Hoge Raad · 26 april 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ8827Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 april 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:BZ8827
Conclusie
Zaak 12/03756
Mr. P. Vlas
Zitting, 15 februari 2013 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
(hierna: de Staat)
1. Deze zaak betreft de vraag of [verzoekster] op grond van art. 6 lid 4 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132, hierna: TOS) de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De zaak leent zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2. Het verzoek om vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 6 lid 4 TOS heeft de rechtbank 's-Gravenhage reeds bij beschikking van 4 juni 2009 afgewezen, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde dat [verzoekster], indien zij ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS (25 november 1975) reeds meerderjarig was geweest, de Nederlandse nationaliteit zou hebben gekregen dan wel had kunnen verkrijgen of behouden. De Hoge Raad heeft het daartegen ingestelde cassatieberoep op 23 april 2010 (LJN: BL6184, RvdW 2010/568) niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. In de conclusie vóór deze beschikking heeft A-G Strikwerda ten overvloede aangegeven dat het cassatieberoep ongegrond was omdat niet aan de door art. 6 lid 4 TOS gestelde voorwaarde was voldaan.
3. Op 15 november 2010 heeft [verzoekster] opnieuw een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap ingediend. Bij beschikking van 10 mei 2012 blijft de rechtbank 's-Gravenhage bij haar op 4 juni 2009 gegeven beslissing en oordeelt zij dat geen sprake is van gewijzigde feiten en/of omstandigheden. Volgens de rechtbank valt niet in te zien hoe de verkrijging van het Nederlanderschap door [betrokkene 1], waarnaar [verzoekster] heeft verwezen, door inroeping van de optie van art. 6 lid 1 onder f Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) op enige wijze van betekenis kan zijn voor het onderhavige verzoek.
4. Alle cassatieklachten miskennen dat [verzoekster] niet voldoet aan de voorwaarde van art. 6 lid 4 TOS dat zij, indien zij ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS (op 25 november 1975) reeds meerderjarig was geweest, de Nederlandse nationaliteit zou hebben gekregen dan wel had kunnen verkrijgen of behouden, hetgeen reeds bij beschikking van 4 juni 2009 door de rechtbank 's-Gravenhage onherroepelijk is beslist. Art. 6 lid 4 TOS berust niet op de gedachte dat een persoon die meerderjarig is geworden gelegenheid moet worden geboden alsnog door eigen vrije keuze te bepalen of hij al dan niet zijn vader(1) in diens nationaliteit wil volgen, maar beoogt slechts een correctiemogelijkheid te bieden voor die gevallen dat de werking van de leden 1 en 2 ertoe leidt dat een minderjarige een andere nationaliteit verkrijgt dan hij zou hebben verkregen indien hij reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van de inwerkingtreding van de TOS.(2) Bovendien miskennen de klachten dat de situatie van [verzoekster] niet vergelijkbaar is met die van [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] deed een beroep op een andere grond voor verkrijging van het Nederlanderschap (art. 6 lid 1 onder f RWN) en voldeed kennelijk wel aan de in dat artikel gestelde voorwaarden. De klachten kunnen dus niet tot cassatie leiden.
5. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Of, naar de regels van art. 6 leden 1 en 2, zijn moeder.
2 Zie HR 26 juni 1987, LJN: AG5635, NJ 1988/135, m.nt. GRdG; HR 29 oktober 1999, LJN: AA3798, NJ 2003/601; H.A. Ahmad Ali, De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, 1998, p. 175-179. Zie ook de conclusie van A-G Strikwerda vóór HR 22 december 2009, LJN: BK3572, RvdW 2010/53; HR 7 mei 2010, LJN: BM3409, RvdW 2010/625. In beide zaken is art. 81 RO toegepast.