Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Echtscheiding. Huwelijkse voorwaarden. Verdeling gezamenlijke schuld.
ECLI:NL:PHR:2013:CA1721 · Parket bij de Hoge Raad · 24 mei 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2013-ca1721
Zaakgegevens
Op 24 mei 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 mei 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- 13/01119
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:CA1721
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Echtscheiding. Huwelijkse voorwaarden. Verdeling gezamenlijke schuld.
Procesgang
Gerechtshof 's-Gravenhage · 5 december 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6645Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 24 mei 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:CA1721
Hoge Raad · 12 juli 2013
ECLI:NL:HR:2013:CA1721Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
Zaak 13/01119
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 24 mei 2013
Conclusie (art. 80a RO) inzake:
[de man]
(de man)
tegen
[de vrouw]
(de vrouw)
1. De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 24 april 2012 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en - voor zover thans van belang - bepaald dat ieder van partijen de helft zal dragen van de gezamenlijke schuld bij de ING Bank. Bij beschikking van 5 december 2012 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage deze beschikking, op het door de man daarvan ingestelde hoger beroep, bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man tijdig cassatie ingesteld.
2. De aangevoerde klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, nu zij hetzij niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv., hetzij zijn gericht tegen aan de feitenrechter voorbehouden oordelen, hetzij feitelijke grondslag missen.
Daartoe geldt het volgende. Het hof heeft geoordeeld dat de schuld bij de ING-bank door beide partijen moet worden gedragen omdat de vrouw genoegzaam heeft toegelicht dat de geleende gelden zijn gebruikt voor de betaling van kosten van huishouding en de man onvoldoende heeft gesteld om in redelijkheid te kunnen vaststellen dat de vrouw de geleende gelden heeft gebruikt voor haar gokverslaving. Deze oordelen zijn feitelijk en niet onbegrijpelijk. Nu niet aan de stelplicht is voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
Het hof heeft voorts op grond van de in rechtsoverweging 13 van zijn beschikking opgesomde omstandigheden feitelijk geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat de man in ieder geval achteraf alsnog moet hebben ingestemd met het sluiten van de geldleningsovereenkomst. Het bewijsaanbod met betrekking tot de op de leningsakte geplaatste handtekening is daarmee niet ter zake dienend, waarbij komt dat het hof - anders dan het middel impliceert - de (handtekening op de) leningsakte niet als bewijs in zijn oordeel heeft betrokken.
3. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de man in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G