Civiel recht overig
Cassatie. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift dat niet is ingediend en niet is ondertekend door een…
Parket bij de Hoge Raad, 31 mei 2013
ECLI:NL:PHR:2013:CA3710 · Parket bij de Hoge Raad · 31 mei 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2013-ca3710
Zaakgegevens
Op 31 mei 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 mei 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- 13/02045
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Advocaat
- mr. P.J.Ph. Dietz de Loos
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:CA3710
Samenvatting
Cassatie. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift dat niet is ingediend en niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Geen herstel van dit gebrek door later verzoekschrift dat andere klachten bevat.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 mei 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:CA3710
Hoge Raad · 12 juli 2013
ECLI:NL:HR:2013:CA3710Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak · 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:2605Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
Zaaknummer: 13/02045 (WSNP)
mr. Wuisman
Rolzitting: 31 mei 2013
CONCLUSIE inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos
1. Voorgeschiedenis
1.1 De wettelijke schuldsaneringsregeling, waartoe verzoeker tot cassatie bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 21 februari 2012 was toegelaten, is op voordracht van de rechter-commissaris door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, bij vonnis van 12 februari 2013 beëindigd wegens het in strijd met de doelstelling van de schuldsaneringsregeling willens en wetens, dus toerekenbaar, schenden van wettelijke voorschriften, het laten ontstaan van een nieuwe bovenmatige schuld en het niet naar behoren informeren van de bewindvoerder. Een en ander is door verzoeker tot cassatie niet weersproken. Deze is nl., hoewel naar behoren opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.
1.2 Verzoeker tot cassatie is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden. In het beroepschrift wordt volstaan met een ontkenning van de door de rechtbank aangenomen tekortkomingen van verzoeker tot cassatie zonder enige onder-bouwing. Hoewel naar behoren opgeroepen, verschijnt verzoeker tot cassatie ook niet ter terechtzitting van het hof in persoon; wel is een vervanger van zijn advocaat aanwezig. Deze erkent dat in het beroepschrift beroepsgronden ontbreken. Als verklaring daarvoor wordt gegeven dat er geen gelegenheid is geweest om met verzoeker tot cassatie te spreken vóór het indienen van de stukken.
1.4 Bij arrest van 11 april 2013 verklaart het hof verzoeker tot cassatie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, omdat in het beroepschrift geen beroepsgronden zijn opgenomen en ook niet een voorbehoud is gemaakt voor aanvulling van de beroepsgronden.
1.5 Tegen dit arrest is verzoeker in cassatie gekomen.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1 In deze zaak is cassatieberoep ingesteld middels een op 18 april 2013 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift. Dit verzoekschrift voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv., omdat het ingediend noch ondertekend is door een advocaat bij de Hoge Raad. Uit HR 10 juli 2009, LJN BI0773((1)) volgt dat dit gebrek in cassatie kon worden hersteld door het oorspronkelijke verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen maar nu ondertekend een advocaat bij de Hoge Raad. Wordt zo gehandeld dan zal als de dag waarop de zaak is aangebracht gelden de dag waarop het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend.
2.2 De op 1 mei 2013 ingediende cassatieschriftuur is weliswaar ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, maar bevat geheel andere klachten dan het op 18 april 2013 ingediende verzoekschrift. Dit betekent dat verzoeker tot cassatie niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep: het eerste verzoekschrift tot cassatie is niet ondertekend door een bevoegde advocaat, welke fout niet correct is hersteld, terwijl het tweede verzoekschrift tot cassatie te laat is ingediend.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 10 juli 2009, LJN BI0773, NJ 2010, 212 m. nt. H.J. Snijders.