Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Jeugdrecht. Ondertoezichtstelling. Volgt uit beëindiging plaatsing in gesloten inrichting…
Parket bij de Hoge Raad, 28 maart 2014
ECLI:NL:PHR:2014:247 · Parket bij de Hoge Raad · 28 maart 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2014-247
Zaakgegevens
Op 28 maart 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 maart 2014
- Datum publicatie
- 7 april 2014
- Zaaknummer
- 14/00149
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:247
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Jeugdrecht. Ondertoezichtstelling. Volgt uit beëindiging plaatsing in gesloten inrichting schadevergoedingsplicht voort uit art. 5 lid 5 EVRM? Stelplicht. Belang.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 7 oktober 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:3877Uitspraak · 2013
ECLI:NL:RBNHO:2013:10013(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 28 maart 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:247
Hoge Raad · 2 mei 2014
ECLI:NL:HR:2014:1068Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
14/00149
Mr. F.F. Langemeijer
28 maart 2014 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
1. [de jeugdige]
2. [de vader]
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland
1. Verzoekster tot cassatie (geboren in 1997, hierna: de jeugdige) is onder toezicht gesteld. De tweede verzoeker tot cassatie is haar vader, met het gezag bekleed. Bij beschikking van 23 augustus 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland op verzoek van de Stichting een machtiging verleend om de jeugdige te doen opnemen en verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg met ingang van 29 augustus 2013 tot 29 mei 2014. De jeugdige is opgenomen in een accommodatie.
2. De jeugdige en haar vader hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. In het petitum van het appelrekest hebben zij verzocht de beschikking van de kinderrechter te vernietigen, “met een zodanige schadeloosstelling ex art. 5 lid 5 EVRM als uw Hof naar redelijkheid en billijkheid zal bepalen, althans met zodanige verdere beslissingen als uw Hof zal vermenen te behoren”. In hetzelfde appelrekest hebben zij verzocht de tenuitvoerlegging van de beschikking van de kinderrechter te schorsen voor de duur van het geding, met bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling van de jeugdige.
3. Het hof heeft bij beschikking van 7 oktober 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:3877) in de hoofdzaak de beschikking van de kinderrechter vernietigd en het inleidende verzoek van de Stichting alsnog afgewezen. Het hof heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen op de volgende grond: “Zij hebben echter nagelaten de aard en de omvang van de schade waarop de schadeloosstelling dient te zien, te onderbouwen. Reeds om die reden zal dit verzoek worden afgewezen.” (rov. 4.5). Gelet op de beslissing in de hoofdzaak hadden de jeugdige en de vader geen belang meer bij een beslissing op het schorsingsverzoek; op die grond heeft het hof het schorsingsverzoek afgewezen.
4. Tegen beide beslissingen hebben de jeugdige en haar vader - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De Stichting heeft gebruik gemaakt van de in art. 9a.8 van het Reglement rekestzaken van de Hoge Raad bedoelde mogelijkheid.
5. Middelonderdeel I houdt in dat het hof heeft miskend dat, nu het hof tot het oordeel kwam dat de kinderrechter de machtiging niet had mogen verlenen, uit art. 5 lid 5 EVRM voor de jeugdige rechtstreeks een aanspraak op schadevergoeding volgt. Het hof had, zo nodig, de schade kunnen schatten op de voet van art. 6:97 BW of de tarieven kunnen volgen die bij toepassing van art. 89/90 Sv plegen te worden gebruikt.
6. In het appelrekest hebben de jeugdige en de vader wel een schadevergoeding naar billijkheid verzocht, maar (buiten hun mededelingen over de duur van de vrijheidsbeneming) in het geheel niets gesteld over aard of omvang van de schade; ook ter zitting niet. Wel hebben zij in het petitum verwezen naar art. 5 lid 5 EVRM. Aannemend dat zij bedoelden een vergoeding te vragen voor door de jeugdige geleden immateriële schade als gevolg van de vrijheidsbeneming, biedt de rechtspraak inderdaad aanknopingspunten voor het standpunt dat hier niet de gewone regels van stelplicht en bewijslast gelden. De rechter kan in zo’n geval de schade zelf schatten.
7. Niettemin missen de jeugdige en haar vader klaarblijkelijk belang bij deze klacht omdat een verweerder in een civiele rekestprocedure niet voor het eerst in hoger beroep een zelfstandig verzoek kan indienen (art. 362 Rv). Dit geldt ook voor een zelfstandig verzoek om schadeloosstelling. Bij gebreke van een procedureregeling voor een tegemoetkoming in de schade als gevolg van opname in gesloten jeugdzorg, is de jeugdige aangewezen op een vordering uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Voor zover de steller van het middel de opvatting ingang wil doen vinden dat art. 5 lid 5 EVRM meebrengt dat “het niet nodig [moet] zijn nog eens een zelfstandige schadeprocedure te moeten voeren”, is die opvatting onjuist. Art. 5 lid 5 EVRM verschaft rechtstreeks een materiële aanspraak op een schadeloosstelling, maar bepaalt niet dat die aanspraak geldend kan worden gemaakt in dezelfde procedure in het nationale recht waarin over (voortzetting van) de vrijheidsbeneming wordt beslist. Uit de rechtspraak van het EHRM heeft de Hoge Raad de consequentie getrokken dat in de procedure voor de rechter, bedoeld in art. 5 lid 4 EVRM, een beslissing moet worden gegeven over de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de vrijheidsbeneming, ook al is die vrijheidsbeneming inmiddels al beëindigd. Daarmee is niet gegeven dat art. 362 Rv op grond van art. 94 Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten als onverenigbaar met art. 5 lid 5 EVRM. Een procedure voor de burgerlijke rechter op grond van onrechtmatige daad is een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van art. 13 EVRM.
8. In middelonderdeel II voeren de jeugdige en haar vader aan dat het hof heeft nagelaten het schorsingsverzoek in appel te behandelen vóórdat in de hoofdzaak werd beslist. De toelichting op deze klacht houdt in dat in rekestzaken weliswaar niet de mogelijkheid bestaat van een incidentele vordering tot schorsing (art. 351 Rv), maar dat verscheidene verdragsbepalingen meebrachten dat ten spoedigste op het schorsingsverzoek - een verzoek om onmiddellijke invrijheidstelling - werd beslist. Het schorsingsverzoek in appel is ingediend op 6 september 2013; op 7 oktober 2013 is hierover een beslissing genomen.
9. Deze klacht kan in geen geval leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. De constatering van het hof dat appellanten rechtens geen belang meer hebben bij hun verzoek tot schorsing nadat de beschikking van de kinderrechter is vernietigd, is juist.
10. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers in hun cassatieberoep, op grond van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a.-g.