Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Jeugdrecht. Ondertoezichtstelling. Art. 1:254 BW.
Parket bij de Hoge Raad, 23 mei 2014
ECLI:NL:PHR:2014:487 · Parket bij de Hoge Raad · 23 mei 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2014-487
Zaakgegevens
Op 23 mei 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 mei 2014
- Datum publicatie
- 6 juni 2014
- Zaaknummer
- 14/01910
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:487
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Jeugdrecht. Ondertoezichtstelling. Art. 1:254 BW.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 14 januari 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:207Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 mei 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:487
Hoge Raad · 27 juni 2014
ECLI:NL:HR:2014:1549Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
Zaak 14/01910
Mr. P. Vlas
Zitting, 23 mei 2014 (bij vervroeging)
Conclusie inzake art. 80a RO:
[de moeder]
(hierna: de moeder)
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Midden-Nederland, te Utrecht
(hierna: de Raad)
1. Bij beschikking van 14 januari 2014 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van 13 juni 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland bekrachtigd, waarbij [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2006, en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2003 (hierna: de minderjarigen) voor de duur van één jaar onder toezicht zijn gesteld. De minderjarigen zijn geboren uit het – inmiddels door echtscheiding ontbonden – huwelijk van de moeder en [de vader] (hierna: de vader). De moeder heeft tegen de beschikking van het hof (tijdig) beroep in cassatie ingesteld.
2. In cassatie voert de moeder twee middelen aan tegen rov. 4.6 van de beschikking van het hof, alsmede tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland. Deze klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland staat geen beroep in cassatie open, zodat het daartegen gerichte cassatieberoep reeds om die reden niet-ontvankelijk is. Voor zover de middelen zijn gericht tegen de beschikking van het hof en aangenomen moet worden dat de middelen voldoen aan de daaraan te stellen eisen, geldt het volgende. Middel I klaagt dat het hof art. 1:254 lid 1 BW heeft geschonden door de kinderen bloot te stellen aan omgang met de vader en daarmee aan kindermishandeling althans dreiging daarvan. Middel II klaagt in de kern genomen dat het hof in strijd heeft gehandeld met het vereiste van een dragende motivering voor de maatregel van ondertoezichtstelling. Beide klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft zich rekenschap gegeven van de strenge eisen die door art. 1:254 BW aan de maatregel van ondertoezichtstelling worden gesteld. Het hof heeft in rov. 4.6 overwogen dat op grond van de stukken, waaronder in het bijzonder het rapport van de Raad, en uit hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gekomen, voldoende is gebleken van gronden die een ondertoezichtstelling van de minderjarigen rechtvaardigen. Het hof heeft daarbij gewezen op de verstarde echtscheidingsstrijd tussen de ouders, het gebrek aan samenwerking en communicatie tussen de ouders, het ontbreken van inzicht bij de ouders in het effect van hun handelen op de minderjarigen en op de andere ouder, op de geestelijke ontwikkeling van de minderjarigen, op de invloed van ingrijpende gebeurtenissen op de minderjarigen, waaronder het ontbreken van contact met hun vader en op het feit dat de moeder met de minderjarigen abrupt naar het buitenland (Portugal) is vertrokken. Uit al deze omstandigheden heeft het hof geconcludeerd dat de bestaande opvoedingssituatie onvoldoende basisveiligheid voor de kinderen biedt. Het hof heeft zich voorts ervan rekenschap gegeven dat de ondertoezichtstelling, anders dan de moeder heeft gesteld, niet uitsluitend ziet op het tot stand brengen van een omgangsregeling.
3. Voor de volledigheid wijs ik erop dat de omstandigheid dat de moeder en de minderjarigen thans in Portugal verblijven, geen wijziging brengt in de rechtsmacht van de Nederlandse rechter voor het nemen van een maatregel inzake ondertoezichtstelling. Ten tijde van het indienen bij de rechtbank van het verzoekschrift tot ondertoezichtstelling hadden de minderjarigen in Nederland hun gewone verblijfplaats, zodat de Nederlandse rechter op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis bevoegd is om van dit verzoek kennis te nemen. Verandering van de gewone verblijfplaats van de kinderen leidt onder art. 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis niet tot onbevoegdheid, zodat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht behoudt (perpetuatio fori).
4. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G