Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. BOPZ. Voorlopige machtiging. Gevaar. Alternatieve hulpverleningsmogelijkheden. Art. 2 lid…
ECLI:NL:PHR:2014:498 · Parket bij de Hoge Raad · 23 mei 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2014-498
Zaakgegevens
Op 23 mei 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 mei 2014
- Datum publicatie
- 6 juni 2014
- Zaaknummer
- 14/02353
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:498
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. BOPZ. Voorlopige machtiging. Gevaar. Alternatieve hulpverleningsmogelijkheden. Art. 2 lid 2 Wet Bopz.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 mei 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:498
Hoge Raad · 27 juni 2014
ECLI:NL:HR:2014:1550Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
14/02353
Mr. F.F. Langemeijer
23 mei 2014 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Rotterdam
1. Bij beschikking van 4 februari 2014 heeft de rechtbank Rotterdam op verzoek van de officier van justitie een voorlopige machtiging verleend tot opneming en verblijf van verzoeker tot cassatie in een zwakzinnigeninrichting (art. 2 en 3 Wet Bopz). Namens betrokkene is tijdig cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. Onderdeel I bevat inhoudelijk slechts motiveringsklachten over het door de rechtbank aangenomen gevaar en het oorzakelijk verband tussen de stoornis en het gevaar (rov. 2.2).
3. De rechtbank heeft gevaar voor anderen aanwezig geacht, te weten het risico van agressief gedrag van betrokkene, en gevaar voor betrokkene zelf in de vorm van maatschappelijke teloorgang. De rechtbank heeft oorzakelijk verband vastgesteld tussen de stoornis en deze gevaren. De rechtbank baseert zich hiervoor op de verklaring van de niet bij de behandeling betrokken psychiater, die betrokkene heeft onderzocht op 13 januari 2014 en tot deze bevindingen kwam en op de toelichting ter zitting. Dat de rechtbank m.b.t. het risico van agressief gedrag ook incidenten van 7 juli 2013 en 27 augustus 2012 in haar oordeel heeft betrokken (rov. 1.3), maakt het oordeel over de kans op zulk nadeel niet minder actueel, noch onbegrijpelijk. De rechtbank vermeldt in de eerste drie zinnen van rov. 2.2 de actuele geestelijke toestand en in rov. 2.3 de opstelling van betrokkene in de periode tussen juli 2013 en januari 2014 ten opzichte van de behandeling. De rechtbank illustreert de aard van het agressief gedrag waarvoor moet worden gevreesd aan de hand van voorbeelden uit het verleden. Wat betreft het gevaar van maatschappelijke teloorgang, heeft de rechtbank de kans op zelfverwaarlozing besproken, met name in perioden van neerslachtigheid, en ter illustratie aangegeven hoe het betrokkene in een eerdere periode van zelfstandig wonen is vergaan. Daarmee is niet gegeven dat de vrijheidsbeneming berust op ontoereikende, want verouderde informatie, zoals het middelonderdeel veronderstelt.
4. Onderdeel II komt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een zwakzinnigeninrichting kan worden afgewend (rov. 2.3; art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz). Dit oordeel heeft de rechtbank toereikend gemotiveerd door te overwegen dat de gedragswetenschapper ter zitting heeft verklaard dat 24-uurs zorg noodzakelijk is, dat deze hulpverlening bij verblijf in eigen woning praktisch niet mogelijk is en dat er geen reëel alternatief is, omdat gebleken is dat in de afgelopen periode geen afspraken met betrokkene konden worden gemaakt en hij zorgmijdend is. In rubriek 6 van de geneeskundige verklaring waarnaar de rechtbank verwijst is het alternatief van medicatie besproken, maar ook vermeld dat betrokkene medicatie weigert.
5. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, zodat toepassing kan worden gegeven aan art. 80a RO. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.