Civiel recht overig

Art. 80 a lid 1 RO. Opgewekt vertrouwen. Eisen waaraan cassatiemiddelen dienen te voldoen.

Parket bij de Hoge Raad, 19 juni 2015

Zaakgegevens

Op 19 juni 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19 juni 2015
Datum publicatie
8 juli 2015
Zaaknummer
15/01816
ECLI
ECLI:NL:PHR:2015:1022
E-mail

Samenvatting

Art. 80 a lid 1 RO. Opgewekt vertrouwen. Eisen waaraan cassatiemiddelen dienen te voldoen.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2014

    ECLI:NL:GHARL:2014:1172
  2. Conclusie A-G · 19 juni 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2015:1022

  3. Hoge Raad · 18 september 2015

    ECLI:NL:HR:2015:2748

    Conclusie gevolgd · Niet ontvankelijk

  4. Uitspraak · 2015

    ECLI:NL:GHARL:2015:110

    Niet ontvankelijk

Conclusie

19 juni 2015

mr. J. Spier

15/01816

Conclusie Inzake

[eiser] c.s.

tegen

[verweerder 1] en [verweerster 2]

1. In deze zaak is tijdig cassatieberoep ingesteld. Het gaat – heel kort gezegd – om de vraag of [verweerders] het vertrouwen hebben gewekt dat zij, in de bewoordingen van de in de cassatiedagvaarding onder 18 en 19 weergegeven klachten, zich “de belangen van de crediteuren” zullen aantrekken.

2. Het Hof heeft aangenomen dat [eiser] c.s. niet stellen dat zij erop hebben vertrouwd dat [verweerders] de vorderingen van [eiser] c.s. volledig zouden voldoen. Dat oordeel wordt in cassatie niet op begrijpelijke wijze bestreden.

3. Voor zover de klachten zo moeten worden begrepen dat [eiser] c.s. aan de orde stellen dat [verweerders], het door hen opgewekte vertrouwen van het tegendeel ten spijt, helemaal niet thuis geven, voldoen zij niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Als vindplaatsen voor zodanig vertrouwen worden genoemd: de inleidende dagvaarding onder 10, de memorie van grieven onder 18, 19, 21, 22, 29 en het p.v. van de comparitie in prima p. 4 halverwege. Voor zover daar al iets staat over opgewekt vertrouwen (wat in de meeste gevallen niet zo is) is het betoog, zoal begrijpelijk, zo vaag dat het Hof er niet op in behoefde te gaan. Onduidelijk is ook wat deze stellingen toevoegen aan de problematiek van de toezegging waarop het Hof uitvoerig is ingegaan. Nu de stellingen tekort schieten, kon het Hof het bewijsaanbod waarop onderdeel 20 doelt passeren.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. op de voet van art. 80a RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal