Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging, art. 350 lid 3, onder c, Fw.
Parket bij de Hoge Raad, 28 juli 2015
ECLI:NL:PHR:2015:2052 · Parket bij de Hoge Raad · 28 juli 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2015-2052
Zaakgegevens
Op 28 juli 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 juli 2015
- Datum publicatie
- 9 oktober 2015
- Zaaknummer
- 15/02877
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2015:2052
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging, art. 350 lid 3, onder c, Fw.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 28 juli 2015deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2015:2052
Hoge Raad · 9 oktober 2015
ECLI:NL:HR:2015:3017Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak · 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:2258Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
15/02877 |
Mr. L. Timmerman |
|
Parket 28 juli 2015 |
|
|
Conclusie inzake: |
|
|
1. [verzoeker 1] 2. [verzoekster 2] , |
|
|
verzoekers tot cassatie |
1. Bij vonnis van 22 april 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg op voordracht van de rechter-commissaris de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, die op 23 april 2013 ten aanzien van verzoekers tot cassatie (gezamenlijk “ [verzoeker] c.s. ”) was uitgesproken, tussentijds beëindigd zonder verlening van de ‘schone lei’. In het door [verzoeker] c.s. hiertegen ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 18 juni 2015 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof (kort gezegd) overwogen (in rov. 3.7.2, 3.7.3 en 3.8) dat [verzoeker] c.s. ex art. 350 lid 3 sub c en d Fw ernstig zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun sollicitatie-, informatie- en inspanningsverplichtingen en nieuwe schulden hebben laten ontstaan. Het overlijden van de (schoon)vader van [verzoeker] c.s. doet hier niet aan af, aangezien (aldus het hof) [verzoeker] c.s. reeds vóór dit overlijden niet aan hun verplichtingen voldeden. Ik merk op dat het een tragische dood betrof: de (77-jarige) (schoon)vader is bij een brand in een woning om het leven gekomen; hij kon niet op tijd uit de woning komen. Zijn vrouw is ernstig gewond geraakt. Het dossier bevat een kopie van een krantenbericht over dit ongeval.
2. Namens [verzoeker] c.s. is op 26 juni 2015 (tijdig) een cassatieverzoekschrift ingediend. Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen (aangeduid als onderdelen 1 en 2). Het middel klaagt in beide onderdelen dat het hof in rov. 3.7.2, 3.7.3 en 3.8 te hard heeft geoordeeld gelet op de, door het hof miskende, ernstige omstandigheden van [verzoeker] c.s. als gevolg van het overlijden van hun (schoon)vader.
3. Het middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, omdat het feitelijke grondslag mist. Het middel gaat er namelijk aan voorbij dat het oordeel van het hof mede gebaseerd is op het tekortschieten door [verzoeker] c.s. in de periode ruim vóór het overlijden van hun (schoon)vader. De (schoon)vader stierf begin februari 2015 (rov. 3.7.2 van het hof), terwijl het oordeel van het hof mede gebaseerd is op de periode nadat de gemeente bij beschikking van 21 augustus 2014 de WWB-uitkering van [verzoeker] c.s. had beëindigd en het op de weg van [verzoeker] c.s. lag om opnieuw een uitkering aan te vragen (rov. 3.7.3 van het hof). Daarnaast stelt het hof vast (in rov. 3.7.2, laatste volzin) dat blijkens het tweede verslag van de bewindvoerder [verzoeker] c.s. al vrij vroeg in de wettelijke schuldsanering (dus ruim vóór het overlijden) hun verplichtingen niet nakwamen.
Gelet op het voorgaande gaat de klacht (in onderdeel 1) dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is, niet op.
4. In onderdeel 2 klaagt het middel nog dat het hof in rov. 3.9 geen rekening heeft gehouden met de stelling van [verzoeker] c.s. dat zij een vangnet van familie en vrienden hebben om hen te ondersteunen, hetgeen grond is voor verlenging van de schuldsanering. Ook deze klacht gaat niet op, omdat het hof in rov. 3.9 voldoende gemotiveerd overweegt dat het er – onder andere gezien de kwestie met de WWB-uitkering, de boedelachterstanden en bij gebreke van behandeling door een psycholoog of andere hulpverlener – geen vertrouwen in heeft dat [verzoeker] c.s. thans wel aan hun verplichtingen zullen voldoen en/of thans wel in staat zullen zijn om aan hun verplichtingen te voldoen.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G L. Timmerman