Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Toelating; aannemelijkheid van behoorlijke nakoming van verplichtingen (art. 288 lid…
Parket bij de Hoge Raad, 30 oktober 2015
ECLI:NL:PHR:2015:2227 · Parket bij de Hoge Raad · 30 oktober 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2015-2227
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2015
- Datum publicatie
- 9 november 2015
- Zaaknummer
- 15/04166
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2015:2227
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Toelating; aannemelijkheid van behoorlijke nakoming van verplichtingen (art. 288 lid 1 onder b Fw); verslavingsproblematiek; discriminatieverbod.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 1 september 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:3523Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 30 oktober 2015deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2015:2227
Hoge Raad · 11 december 2015
ECLI:NL:HR:2015:3562Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
15/04166 |
Mr. L. Timmerman |
|
Zitting 30 oktober 2015 |
|
|
Conclusie inzake: |
|
|
[verzoeker] |
|
|
verzoeker tot cassatie, (hierna: ‘[verzoeker]’), mr.P.J.Ph. Dietz de Loos. |
|
1. De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 11 juni 2015 het door [verzoeker] op 27 maart 2015 ingediende verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de schuldenaar aannemelijk dient te maken dat hij in staat en bereid is de aan de schuldsaneringsregeling verbonden verplichtingen na te komen. Van de schuldenaar wordt onder meer verlangd dat hij zich tot het uiterste inspant om, in het belang van schuldeisers, zoveel mogelijk geld/actief in de boedel te brengen. De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu [verzoeker] sinds kort onder behandeling is voor zijn depressies en zijn alcoholverslaving, op dit moment nog niet kan worden gezegd dat hij zijn verslaving gedurende geruime tijd – te denken valt aan één jaar – onder controle heeft. De rechtbank is er niet van overtuigd dat verzoeker geen terugval meer zal hebben en dat hij de boedel niet zal benadelen met nieuwe schulden voortvloeiend uit deze problematiek. De rechtbank oordeelt op grond daarvan dat gegronde vrees bestaat dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.
2. Dit vonnis is bekrachtigd door het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 1 september 2015. Het Hof heeft vooropgesteld dat een handicap, waaronder begrepen verslavingsproblematiek en/of (andere) psychiatrische stoornissen, op zichzelf geen reden is tot afwijzing van een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit doet naar het oordeel van het Hof echter niet af aan het feit dat een verzoeker op grond van het bepaalde in artikel 288, eerste lid, onder b van de Faillissementswet slechts tot de schuldsaneringsregeling wordt toegelaten indien voldoende aannemelijk is dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. Het Hof oordeelt dat thans nog niet kan worden geconcludeerd dat de situatie van [verzoeker] zodanig is gestabiliseerd dat op grond daarvan nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen gewaarborgd is.
3. [verzoeker] is van bovengenoemd arrest tijdig in cassatie gekomen. In middel 1 wordt betoogd dat het Hof door de algemene maatstaf te hanteren, ondanks het feit dat sprake is van een handicap, in strijd handelt met het discriminatieverbod zoals neergelegd in de (grond)wet, verdragen en richtlijnen. Naar mijn mening kan dit middel niet tot cassatie leiden. Bij de beantwoording van de vraag of een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling moet worden toegewezen moet worden getoetst aan de criteria van artikel 288, eerste lid, Faillissementswet. Onder meer moet worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c. Fw). Dit criterium geldt zowel voor personen waarbij sprake is van verslavingsproblematiek als voor personen waarbij daar geen sprake van is. Voor zover het middel betoogt dat voor een alcoholverslaafde een ander criterium dan zou gelden dan ten aanzien van personen bij wie geen sprake is van verslaving, gaat dit niet op. Bij de beoordeling van de vraag of aan het wettelijke criterium is voldaan is de omstandigheid dat sprake is van handicap, bestaande uit verslavingsproblematiek en/of (andere) psychische stoornissen, op zichzelf geen reden tot afwijzing, zoals het Hof terecht heeft geoordeeld. Dit neemt echter niet weg dat verslavingsproblematiek aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg kan staan, indien op grond daarvan moet worden aangenomen dat gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar zal trachten zijn schuldeisers te benadelen en/of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Reeds in de conclusie van A-G Keus bij het arrest van uw raad van 11 juli 2008 is geoordeeld dat verslavingsproblematiek in die zin een rol kan en mag spelen bij de beoordeling van de beantwoording of is voldaan aan de toetsingscriteria. De door het Hof gehanteerde maatstaf is gebaseerd op de wet en op zichzelf genomen niet discriminerend. Het middel kan dan ook niet tot cassatie leiden.
4. In middel 2 voert [verzoeker] aan dat het Hof ten onrechte voorbij gegaan is aan de verklaring van de psychiater, [betrokkene 1]. Dit middel mist feitelijke grondslag, aangezien het Hof de verklaring uitgebreid heeft aangehaald en heeft uiteengezet waarom deze verklaring niet doorslaggevend wordt geacht. Aan het slot van middel 4 betoogt [verzoeker] nog dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verklaring van de psychiater onvoldoende is voor het oordeel dat [verzoeker] aan de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen zal voldoen. Het betreft hier echter een oordeel van feitelijke aard, waarover in cassatie niet kan worden geklaagd.
5. In middel 3 wordt betoogd dat het Hof in feite heeft geoordeeld dat de alcoholverslaving aan [verzoeker] kan worden toegerekend, hetgeen een element van verwijtbaarheid bevat dat zich niet verdraagt met het discriminatieverbod. Dit middel kan mijns inziens evenmin slagen. Zoals eerder gezegd beoordeelt het Hof of wordt voldaan aan het criterium van artikel 288, eerste lid 1, aanhef en onder c. Fw. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling hoge eisen worden gesteld. De aanwezigheid van verslavingsproblematiek kan aan het slagen van het schuldsaneringstraject in de weg staan. In dat kader is dan ook van belang dat de verslavingsproblematiek onder controle is. De vraag naar verwijtbaarheid is daarbij niet aan de orde.
6. In middel 4 wordt aangevoerd dat het Hof het in de conclusie van A-G Keus genoemde uitgangspunt is dat de schuldenaar de verslavingsproblemen gedurende enige tijd onder controle moet hebben, heeft miskend. Dit uitgangspunt impliceert volgens het middel dat ook bij een kortere periode van abstinentie kan worden geoordeeld dat de problematiek onder controle is. Dit middel berust op een feitelijke onjuistheid. Het Hof heeft immers niet geoordeeld dat toelating tot de schuldsanering slechts mogelijk is indien sprake is van een periode van abstinentie van één jaar. Het Hof heeft slechts geoordeeld dat de periode van abstinentie, mede gelet op de in het arrest weergegeven feiten en omstandigheden, op het moment van beoordeling te kort is om de conclusie dat [verzoeker] zijn verslavingsprobleem onder controle heeft te kunnen trekken.
7. Middel 5 heeft betrekking op de overwegingen van het Hof ten aanzien van het behandelplan en het ontbreken van inzicht bij [verzoeker] in zijn schuldenpositie. Het betreft hier echter een feitelijk oordeel van het Hof, zodat dit middel niet tot cassatie kan leiden.
8. De in cassatie geponeerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik concludeer daarom tot toepassing van artikel 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G