Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Aansprakelijkheid huurder voor schade netbeheerder in verband met hennepplantage.
Parket bij de Hoge Raad, 16 oktober 2015
ECLI:NL:PHR:2015:2352 · Parket bij de Hoge Raad · 16 oktober 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2015-2352
Zaakgegevens
Op 16 oktober 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2015
- Datum publicatie
- 4 december 2015
- Zaaknummer
- 15/03691
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2015:2352
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Aansprakelijkheid huurder voor schade netbeheerder in verband met hennepplantage.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 14 april 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:895Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 oktober 2015deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2015:2352
Hoge Raad · 4 december 2015
ECLI:NL:HR:2015:3482Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
Rolnr. 15/03691
Mr M.H. Wissink
Zitting: 16 oktober 2015
Conclusie inzake art. 80a RO
in de zaak van
[eiser], wonende te [woonplaats]
(hierna: “[eiser]”)
tegen
Stedin Netbeheer B.V.,
gevestigd te Den Haag
(hierna: “Stedin”)
1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:895. Uit hoofde van zijn huurderschap van een bedrijfspand is [eiser] veroordeeld om aan Stedin te voldoen de schade die deze heeft geleden doordat in het pand illegaal elektriciteit werd afgetapt voor een hennepkwekerij.
2. De klachten van het cassatiemiddel rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Het tweede onderdeel komt erop neer dat het hof in rov. 2.2 en 2.3 een te strenge maatstaf hanteert voor de aansprakelijkheid van de huurder jegens de netbeheerder doordat het hof de stel- en bewijsplicht te zeer bij de huurder legt. Het onderdeel zoekt steun bij een vonnis van de rechtbank Rotterdam. Nu de huurder geen overeenkomst met het energiebedrijf heeft en niet zelf betrokken is bij het illegale verbruik, is de huurder niet aansprakelijk voor de door het energiebedrijf geleden schade tenzij hij wist of behoorde te weten dat iemand anders in de door hem gehuurde woning illegaal energie verbruikte. De bewijslast van die laatste omstandigheid berust bij het energiebedrijf.
Op Stedin rust stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de op art. 6:162 BW gebaseerde zorgplicht is geschonden. [eiser] dient zijn verweer met voldoende specifieke stellingen te onderbouwen.
Blijkens rov. 2.3 heeft het hof oog voor het onder meer geval “dat de huurder het pand heeft onderverhuurd en geen wetenschap heeft gehad van de hennepkwekerij en de daarmee verband houdende manipulatie van de elektriciteitsmeter”. Op een dergelijk geval zag ook het door het onderdeel bedoelde vonnis, waarin de rechtbank oordeelde (rov. 4.3) dat de netbeheerder onvoldoende had gesteld om aannemelijk te maken dat de huurder moet hebben geweten wat er in de door hem onderverhuurde woning gebeurde.
In de onderhavige zaak is volgens het hof (rov. 2.3) sprake van een andere situatie. Al na drie maanden heeft “[eiser] (…) de verantwoordelijkheid voor het pand zonder meer aan een ander overgedragen, zijn handen van het pand afgetrokken en erop vertrouwd dat de gebruiker de huurrelatie verder zou regelen, zonder hier nader onderzoek naar te doen. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat voormelde uit zijn huurderschap voortvloeiende zorgplicht niet (mede) op hem is blijven rusten.” Deze duiding van de situatie is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof komt er op neer, dat voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld en gebleken die, mede gezien de onvoldoende betwisting door [eiser], het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van schending van de bedoelde zorgplicht. Daarmee heeft het hof [eiser] niet belast met een stel- en bewijsplicht, maar slechts geoordeeld dat zijn verweer onvoldoende is onderbouwd. Evenmin heeft het hof, anders dan het onderdeel nog aanvoert, een kwalitatieve aansprakelijkheid geïntroduceerd of een te vergaande uitleg aan de zorgplicht van de huurder gegeven.
4. Het eerste onderdeel is gericht tegen de vaststelling in rov. 1.3. Het middel legt een verband met rov. 5.5 en 5.6 van het vonnis, waarin de rechtbank een contractuele grondslag van de vordering van Stedin verwierp. Nu deze grondslag in hoger beroep niet aan de orde is en overigens de vraag waarom er geen contract tussen partijen is voor de beoordeling in rov. 2.2 en 2.3 irrelevant is, richt de klacht zich tegen een niet dragende overweging en faalt daarom bij gebrek aan belang.
5. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G