Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Bopz. Gevaarscriterium, art. 15 lid 2 Wet Bopz. Bereidheid tot vrijwillige opname?
ECLI:NL:PHR:2015:347 · Parket bij de Hoge Raad · 27 februari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/ecli-nl-phr-2015-347
Zaakgegevens
Op 27 februari 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 februari 2015
- Datum publicatie
- 30 maart 2015
- Zaaknummer
- 15/00187
- Rechtsgebied
- Civiel recht Civiel recht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2015:347
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Bopz. Gevaarscriterium, art. 15 lid 2 Wet Bopz. Bereidheid tot vrijwillige opname?
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 27 februari 2015deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2015:347
Hoge Raad · 17 april 2015
ECLI:NL:HR:2015:1073Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
27 februari 2015
Mr. F.F. Langemeijer
15/00187 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Limburg
1. Op 13 oktober 2014 heeft de rechtbank Limburg een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verleend ten aanzien van verzoekster tot cassatie (geb. 1950), met een geldigheidsduur van vier maanden. Tot dat moment verbleef betrokkene daar op basis van een voorlopige machtiging.
2. Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de officier van justitie geen verweerschrift ingediend.
3. Onderdeel I heeft betrekking op het gevaarscriterium in art. 15 lid 2 Wet Bopz. Voor het aannemen van ‘gevaar’ is niet voldoende dat sprake is van ‘matige zelfzorg, waaronder slechte voedingsintake’, noch de weigering van betrokkene om hulp te aanvaarden t.a.v. het organiseren van haar financiën en huisvesting. Gelet op het verweer, had de rechtbank niet mogen volstaan met een standaardoverweging, aldus de klacht.
4. Uit de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, blijkt uitdrukkelijk dat de aangeboden hulp noodzakelijk is om zich buiten een psychiatrisch ziekenhuis staande te kunnen houden. Betrokkene lijdt aan schizofrenie en de weigering van de hulp komt mede voort uit pathologische achterdocht. Ook met de voorgeschreven medicatie is betrokkene buiten het ziekenhuis niet in staat zichzelf te voorzien van de dagelijkse persoonlijke hygiëne en is er slechte inname van voeding. Met de verwijzing naar de geneeskundige verklaring heeft de rechtbank voldoende duidelijk gemaakt welk gevaar voor betrokkene zij voor ogen heeft gehad en waarom een voortzetting van het verblijf in het ziekenhuis medisch noodzakelijk is geacht ter voorkoming van dat gevaar. Het argument dat dit oordeel slechts beperkt steun vindt in de overgelegde ‘wettelijke aantekeningen’ maakt dit niet anders; bovendien hebben die aantekeningen (ex art. 37a Wet Bopz) betrekking op de behandeling in het ziekenhuis, terwijl de rechtbank doelt op de mogelijkheden voor betrokkene om zich buiten het kader van een opname in een psychiatrisch ziekenhuis staande te houden. De rechtbank vermeldt een bereidverklaring van betrokkene om medewerking te verlenen bij het samen zoeken naar woonruimte en het aanvragen van een uitkering. Anders dan de toelichting op het middel veronderstelt, heeft de rechtbank dit niet als een (zelfstandige) grond tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis gebruikt, maar als een argument om de toewijzing te beperken tot vier maanden. De klacht mist feitelijke grondslag.
5. Onderdeel II klaagt dat het oordeel dat betrokkene niet de nodige bereidheid heeft om als vrijwillig opgenomen patiënt in het psychiatrisch ziekenhuis te blijven, onbegrijpelijk is. Ter toelichting is aangevoerd dat betrokkene vanuit het ziekenhuis al dikwijls weg is overdag en haar medewerking heeft toegezegd bij het zoeken naar woonruimte elders.
6. De rechtbank heeft – feitelijk en op zich niet onbegrijpelijk – vastgesteld dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank vermeldt de in het middelonderdeel bedoelde toezegging. Kennelijk heeft de rechtbank de verklaring opgevat in die zin dat betrokkene niet bereid is vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven, maar zolang zij onvrijwillig opgenomen is, zich wel aan de huisregels wil houden en wanneer zij verlof heeft gekregen om overdag het ziekenhuis te verlaten, zich ’s avonds weer in het ziekenhuis meldt. De bedoelde toezegging is logisch niet onverenigbaar met de constatering dat de nodige bereidheid tot een vrijwillig verblijf in het ziekenhuis ontbreekt. Ik acht het middel van cassatie kennelijk ongegrond.
7. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. – g.